<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2021:792</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-21T08:47:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/18/200437 / HA ZA 20-162</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2022:2068" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2022:2068, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:792">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:792</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-03-12T13:19:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-03-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2021:792 Rechtbank Noord-Nederland , 03-03-2021 / C/18/200437 / HA ZA 20-162</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2021:792:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Erfdienstbaarheid van weg.</para>
        <para>Opheffing erfdienstbaarheid wegens onvoorziene omstandigheden?</para>
        <para>Opheffing erfdienstbaarheid wegens ontbreken van redelijk belang bij uitoefening?</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2021:792:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="d7632ddb-cafe-47a4-8bf0-000128f573d3" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="86c84952-88e1-40e8-a7f0-c16828b745d9" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
      <para>Locatie Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/18/200437 / HA ZA 20-162</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 3 maart 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. W.J.Th. Bustin te Veendam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [gedaagde 1] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[gedaagde 2]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagden,</para>
      <para>advocaat mr. L.S. Slinkman te Hoogezand.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para />
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van repliek,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van dupliek. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Waar gaat het in deze procedure om?</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Op een van de kadastrale percelen van [eiser] is een erfdienstbaarheid van weg gevestigd ten behoeve van de percelen die nu eigendom zijn van [gedaagden] [eiser] vraagt in deze procedure om opheffing van de erfdienstbaarheid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Erfdienstbaarheid van weg gevestigd in 1989</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Partijen zijn dus buren. [eiser] is eigenaar van een woonhuis met erf en tuin, plaatselijk bekend [adres] . Hij is onder meer eigenaar van het perceel met de kadastrale aanduiding gemeente Veendam, sectie D nummer [perceel 1] . Dit perceel wordt hierna ‘de laan’ genoemd. [gedaagden] is eigenaar van een woning, erf en tuin, gelegen op drie kadastrale percelen, bekend als gemeente Veendam, sectie D, nummers [perceel 2] , [perceel 3] en [perceel 4] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ter verduidelijking heeft [eiser] een kaartje in het geding gebracht waarop de percelen zijn aangegeven. De laan is hierop met een kruisarcering aangeduid. Dit kaartje ziet er zo uit:</para>
      <mediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="3c926dcf-e4fa-4d5a-9658-53d6b3f70e2f" depth="394" width="567" format="image/png" />
        </imageobject>
      </mediaobject>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op de laan is bij notariële akte die op 18 januari 1989 is gepasseerd een erfdienstbaarheid van weg gevestigd ten behoeve van de percelen [perceel 2] en [perceel 3] om te voet, per fiets of met een klein voertuig en met personenauto’s te komen en te gaan naar het [adres]</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wijziging erfdienstbaarheid in 2007</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Deze erfdienstbaarheid is gewijzigd op 9 mei 2007. Sindsdien luidt de tekst ervan als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten behoeve van de percelen kadastraal bekend gemeente Veendam, sectie D [perceel 2] , [perceel 4] en [perceel 3] en ten laste van de eerste dertien (13) meter en zestig (60) centimeter, te berekenen van de openbare weg, van het perceel kadastraal bekend gemeente Veendam, sectie D, nummer [perceel 5] , zoals schetsmatig kruisarcering aangegeven op de aangehechte kadastrale kaart, wordt gevestigd de erfdienstbaarheid van weg om te voet, per fiets of met een voertuig met een maximale massa van zes en twintig honderd (2.600) kilogram te komen van en te gaan naar het [adres] .</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen opheffing op grond van onvoorziene omstandigheden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft gevorderd dat de erfdienstbaarheid van weg wordt opgeheven op grond van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd (artikel 5:78 BW). Want inmiddels beschikt [gedaagden] over een eigen uitweg over zijn eigen percelen om te komen en te gaan naar de openbare weg, het [adres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>
        [gedaagden] is het niet eens met de vordering en geeft aan dat de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (Ow) in artikel 165 geen ruimte geeft om deze erfdienstbaarheid op te heffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>De rechtbank is het eens met de zienswijze van [gedaagden] De reden daarvoor is de volgende. De erfdienstbaarheid van weg is gevestigd in 1989, onder het “oude” Burgerlijk Wetboek (OBW) . Onder het OBW had de rechter geen mogelijkheid om een gevestigde erfdienstbaarheid op te heffen. Het huidige BW geeft de rechter in artikel 5:78 BW deze mogelijkheid wel. Maar artikel 165 Ow bepaalt dat een erfdienstbaarheid die op het tijdstip van het in werking treden van het huidig BW reeds bestond, niet uit hoofde van artikel 5:78 BW kan worden opgeheven.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitbreiding grondslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>
        [eiser] heeft in de conclusie van repliek de grondslag van zijn vorderingen uitgebreid met een beroep op artikel 5:79 BW (opheffing van de erfdienstbaarheid wegens het verlies van een redelijk belang). [gedaagden] heeft tegen de uitbreiding van de grondslag geen bezwaar geuit, zodat de rechtbank ook op de gewijzigde grondslag zal ingaan, want de rechtbank ziet geen reden om uitbreiding van de grondslag niet toe te staan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 5:79 BW</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>De rechter kan ingevolge artikel 5:79 BW een erfdienstbaarheid opheffen als de eigenaar van het heersend erf geen redelijk belang meer heeft bij de uitoefening ervan en niet aannemelijk is dat het redelijk belang bij de uitoefening zal terugkeren. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad gaat het daarbij alleen om het belang van de gerechtigde bij de uitoefening van zijn recht en spelen de belangen van de eigenaar van het dienend erf geen rol. Artikel 5:79 BW vindt alleen toepassing in gevallen waarin voortzetting van de erfdienstbaarheid voor de gerechtigde niet van betekenis moet worden geacht.<footnote-ref linkend="_258c916c-84af-4032-ba2c-0952e896ed84" /></para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Redelijk belang bij uitoefening erfdienstbaarheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Volgens [eiser] heeft [gedaagden] geen redelijk belang meer bij de uitoefening van het recht van weg omdat de gemeente Veendam inmiddels heeft toegestaan dat [gedaagden] op zijn eigen erf een uitrit heeft naar het [adres] . Hij interpreteert de erfdienstbaarheid zo dat er alleen een redelijk belang bestaat indien het recht van weg <emphasis role="italic">noodzakelijk </emphasis>is om de openbare weg te bereiken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uitleg van de akte</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.12.</nr>
      <para>In de rechtspraak zijn vuistregels gegeven die de rechtbank moet toepassen bij het uitleggen van een notariële akte waarmee een erfdienstbaarheid is gevestigd. Een van deze uitlegregels is dat het aankomt op de in de notariële akte tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte<footnote-ref linkend="_a8ea0f42-6a4c-44f4-83f1-4eefb0a34210" />. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘noodzakelijk’ niet voorkomt in de tekst waarmee de erfdienstbaarheid wordt gevestigd. De erfdienstbaarheid is ‘om te komen van en te gaan naar’ het [adres] . De bedoeling om de erfdienstbaarheid te laten eindigen wanneer een alternatieve uitweg is gerealiseerd, kan de rechtbank niet afleiden uit de bewoordingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>In deze procedure is komen vast te staan dat de gemeente Veendam de APV heeft gewijzigd en dat [gedaagden] recht heeft op een eigen uitrit naar het [adres] . Deze uitweg is gelegen op het perceel D [perceel 2] . Maar de bewoordingen in de akte waarmee de erfdienstbaarheid is gevestigd, geven geen aanleiding om het gebruik ervan te beperken tot dit perceel. De erfdienstbaarheid is immers ook gevestigd ten behoeve van de percelen D [perceel 3] en D [perceel 4] . Het gegeven dat de drie percelen nu eigendom zijn van dezelfde eigenaar – anders dan in 1989 – betekent niet dat de erfdienstbaarheid voor deze percelen haar betekenis heeft verloren.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Redelijk belang aanwezig</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt dat [gedaagden] terecht heeft aangevoerd dat hij een redelijk belang heeft bij het behoud van de erfdienstbaarheid. [gedaagden]  heeft de volgende belangen genoemd bij het behoud van de erfdienstbaarheid:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>Gebruik van de erfdienstbaarheid maakt het manoeuvreren met een aanhanger gemakkelijker en zodoende heeft hij een betere toegang tot de openbare weg dan uitsluitend via de eigen oprit;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Bij het handhaven van de erfdienstbaarheid kan hij een auto naast de woning parkeren;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>Hij heeft erop gewezen dat de daarachter gelegen percelen D [perceel 3] en D [perceel 4] niet direct uitwegen op de openbare weg. De toegang tot deze percelen moet hetzij via de laan of via de uitrit van D [perceel 2] plaatsvinden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>De erfdienstbaarheid vertegenwoordigt dus ook een waarde voor hem. Want in de toekomst wil hij de mogelijkheid houden om de achtergelegen percelen te verkopen, zonder dat hij een erfdienstbaarheid moet verlenen op perceel D [perceel 2] . </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.15.</nr>
      <para>Een redelijk belang kan erin gelegen zijn omdat de eigenaar van het heersend erf niet hoeft om te rijden<footnote-ref linkend="_cffd7155-52c1-4919-b44c-7daf5e269827" /> of omdat hij de mogelijkheid wil houden om een ingesloten perceel te verkopen aan een derde, zonder dat hij een erfdienstbaarheid op eigen percelen hoeft te verlenen<footnote-ref linkend="_486485c9-4356-4a55-bf1f-ac5fa78c901e" />. Het redelijk belang van de eigenaar van het heersend erf ontbreekt als de voortzetting van de erfdienstbaarheid ‘niet van betekenis moet worden geacht’<footnote-ref linkend="_be32f341-873f-4c4b-b519-02eed3dc74db" />. De rechtbank oordeelt dat daarvan in deze zaak geen sprake is, gelet op de belangen die door [gedaagden] zijn genoemd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geen ander belang</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <para>Er is ook geen sprake van een ander belang, wanneer [gedaagden] de mogelijkheid wil houden om de achtergelegen percelen D [perceel 3] en/of D [perceel 4] te verkopen aan een derde zonder dat hij een erfdienstbaarheid moet verlenen over zijn eigen perceel D [perceel 2] . Dit betekent niet dat er een ander belang wordt gediend dan het belang waarvoor de erfdienstbaarheid is gevestigd. [eiser] verliest namelijk uit het oog, dat de erfdienstbaarheid is verleend ten behoeve van drie genoemde percelen. De eigenaar van de percelen D [perceel 3] en/of D [perceel 4] houdt onverminderd belang om via de laan van en naar de openbare weg te gaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.17.</nr>
      <para>De rechtbank volgt [eiser] daarom ook niet in zijn opvatting dat de omstandigheid dat [gedaagden] al geruime tijd geen gebruik heeft gemaakt van de laan, betekent dat er geen redelijk belang meer is. Als dit al juist is, dan nog blijft de mogelijkheid om de achterliggende percelen D [perceel 3] of D [perceel 4] te verkopen zonder een erfdienstbaarheid op [perceel 2] te moeten vestigen, bestaan. En daarmee is er een redelijk belang aan de zijde van [gedaagden] Misbruik van recht levert dit niet op, zodat de rechtbank niet hoeft in te gaan op de door [eiser] naar voren gebrachte belangen bij opheffing van de erfdienstbaarheid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt dat de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid moet worden afgewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.19.</nr>
      <para>
        [eiser] zal als de partij die in het ongelijk wordt gesteld, worden veroordeeld in de door [gedaagden] gemaakte proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.20.</nr>
      <para>
        [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:</para>
      <para>- griffierecht		304,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	1.126,00</emphasis> (2,0 punt × tarief € 563,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	1.430,00.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.430,00.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr.  M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken mr. R. Bootsma op 3 maart 2021.<footnote-ref linkend="_e4dc3b16-7967-40ed-845c-e59f665e5884" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_258c916c-84af-4032-ba2c-0952e896ed84" label="1">
    <para>HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8ea0f42-6a4c-44f4-83f1-4eefb0a34210" label="2">
    <para> HR 2 december 2005 ECLI:NL:HR:2005:AU2397 (https://www.navigator.nl/document/id24220051202c04029hradmusp?anchor=id-b057f804-2d5e-4615-95a5-e506129d4a63), <emphasis role="italic">NJ 2007,5 (https://www.navigator.nl/document/id157620051202c04029hrnj20075dosred)</emphasis>, HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO1815 (https://www.navigator.nl/document/ida65405be31c941729f0fb027a5063279?anchor=id-27c0d939-f1f2-4312-ab41-d51b69b9c89f), <emphasis role="italic">NJ 2011,9 (https://www.navigator.nl/document/id5a10813b759148829d5a50521b32f4f4)</emphasis> en HR 19 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ2904 (https://www.navigator.nl/document/id925add9eea02457aab91802a0ed77778?anchor=id-2e4256e3-e24c-4713-87b8-c7c5e602dd91), <emphasis role="italic">NJ 2013, 240 (https://www.navigator.nl/document/idb28780438f80489782cd2ace99169e4d)</emphasis>.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cffd7155-52c1-4919-b44c-7daf5e269827" label="3">
    <para>HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373, r.o. 4.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_486485c9-4356-4a55-bf1f-ac5fa78c901e" label="4">
    <para> Hof Arnhem/Leeuwarden 29 november 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:9589</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be32f341-873f-4c4b-b519-02eed3dc74db" label="5">
    <para> HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2373</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e4dc3b16-7967-40ed-845c-e59f665e5884" label="6">
    <para>type: 564</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>