<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2021:598</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-28T13:31:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-02-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 21/ 205</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:598">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:598</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-28T13:30:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2021:598 Rechtbank Noord-Nederland , 04-02-2021 / LEE 21/ 205</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2021:598:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Woningsluiting. Afwijken beleid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2021:598:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: LEE 21/205</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2021 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. W.J.Th. Bustin),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de burgemeester van de gemeente Heerenveen, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: A.J. Jager),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Stichting Woonfriesland, te Grou,  </para>
      <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 22 januari 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de woning van verzoeker aan [adres] te [woonplaats] (de woning) voor de duur van 3 maanden gesloten, met ingang van 25 januari 2021 om 12:00 uur. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 januari 2021 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank overgelegd. In de begeleidende brief heeft verweerder op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bestuursrechter medegedeeld dat met betrekking tot een deel van deze stukken geldt dat uitsluitend de voorzieningenrechter daarvan kennis zal mogen nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij beslissing van 29 januari 2021 is geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming, gelet op de daaraan ten grondslag gelegde motivering van verweerder, gerechtvaardigd is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft desgevraagd op de zitting van 2 februari 2021 de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voornoemd stuk bij zijn beoordeling zal betrekken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021. Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partij is, met kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. </para>
    <para />
    <para>2. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang in dit geval gegeven, omdat de woning op korte termijn wordt gesloten. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd het besluit te schorsen. Verweerder heeft aangegeven dat het besluit wordt opgeschort tot na de uitspraak van de voorzieningenrechter.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft besloten de woning met ingang van 25 januari 2021 te sluiten voor een periode van drie maanden. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de politie tijdens een controle in de woning van verzoeker op 18 januari 2021 heeft aangetroffen:</para>
    <para>-	35 gele pillen met de opdruk van Spongebob, vermoedelijk XTC met een netto gewicht van 14,3 gram;</para>
    <para>- een potje met wit poeder, vermoedelijk amfetamine met een netto gewicht van 10,5 gram;</para>
    <para>- een ‘lijntje’ wit poeder, vermoedelijk amfetamine met een netto gewicht van 0,8 gram;</para>
    <para>- een zakje met wit poeder, vermoedelijk amfetamine met een netto gewicht van 4 gram;</para>
    <para>-	41 groene witte ampullen;</para>
    <para>-	12 gele pillen met de opdruk van Spongebob, vermoedelijk XTC met een netto gewicht van 5 gram;</para>
    <para>- meerdere lege nieuwe gripzakjes;</para>
    <para>- CD hoes met weegschaal;</para>
    <para>-	2 grinders;</para>
    <para>-	2 snuifbuisjes; en</para>
    <para>- een basepijpje. </para>
    <para>Tijdens een controle op 21 januari 2021 heeft de politie in de woning van verzoeker aangetroffen:</para>
    <para>- een gripzakje met daarin wit nat poeder, bruto gewicht 1,87 gram, vermoedelijk </para>
    <para>pep/speed;</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een gripzakje met wit poeder, netto gewicht 1,05 gram, vermoedelijk pep/speed; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een grip zakje met wiet, netto gewicht 1,50 gram.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>Tijdens deze controle werd tijdens het fouilleren bij verzoeker nog een tip met daarin wit poeder aangetroffen, netto gewicht 0,20 gram, vermoedelijk pep/speed. </para>
    <para />
    <para>4. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft op 29 mei 2019 het ‘Damoclesbeleid gemeente Heerenveen’ vastgesteld. In paragraaf 3 is onder meer opgenomen dat de aanwezigheid van hoeveelheden harddrugs groter dan 0,5 gram die zich in gewicht uitdrukken wordt beschouwd als een handelshoeveelheid bedoeld voor het verkopen, afleveren, verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn in de zin van artikel 13b van de Opiumwet. In paragraaf 4 is onder meer opgenomen dat bij de procedure tot sluiting van een woning, lokaal en/of bijbehorend erf – behoudens spoedeisende gevallen, de gelegenheid wordt geboden om binnen een korte termijn (maximaal 5 dagen) een zienswijze naar voren te brengen, voordat het definitieve besluit tot sluiting wordt genomen. Ook is in deze paragraaf aangegeven dat in de beslissing tot het toepassen van bestuursdwang een termijn wordt gesteld waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door zelf maatregelen te nemen en dat deze termijn voor woningen is vastgesteld op maximaal 10 dagen. In paragraaf 5 is onder meer opgenomen dat bij een eerste constatering van harddrugs in een woning en/of bij woningen behorende erven een sluiting van de woning volgt voor de duur van drie maanden. Bij een tweede constatering van harddrugs in een woning en/of op bij woningen behorende erven, binnen vijf jaar na de eerste constatering, een sluiting van de woning volgt voor de duur van zes maanden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Verzoeker betoogt dat het sluiten van een woning moet worden gezien als een ‘ultimum remedium’ en dat het expliciet niet de bedoeling van de wetgever is geweest om bij een eerste overtreding van de Opiumwet direct over te gaan tot sluiting van de woning. Het beleid van verweerder biedt, aldus verzoeker, geen ruimte om te volstaan met een waarschuwing. Daarom is dit beleid in strijd met het uitgangspunt van de wetgever en dus is het beleid – dan wel de toepassing hiervan - niet redelijk. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in dit betoog. Anders dan verzoeker heeft betoogt is in het beleid van verweerder de mogelijkheid tot het geven van een waarschuwing opgenomen. In artikel 5.7 wordt aangegeven dat een bestuurlijke waarschuwing wordt gegeven indien bij een eerste overtreding een geringe hoeveelheid softdrugs wordt aangetroffen in een woning en/of bij een woning behorend erf. Echter bepaalt artikel 5.3 van het beleid dat indien bij een eerste overtreding harddrugs in een woning en/of bij een woning behorend erf wordt aangetroffen een sluiting van de woning volgt voor de duur van drie maanden. De voorzieningenrechter oordeelt dit beleid niet kennelijk onredelijk. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>Verzoeker heeft ter zitting betoogd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met zijn eigen beleid. Verweerder heeft geen voornemen kenbaar gemaakt en verzoeker is niet in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen. Verweerder heeft ter zitting verklaard bij woningsluitingen op grond van de Opiumwet doorgaans betrokkenen de gelegenheid te geven een zienswijze in te dienen. Er is in dit specifieke geval van afgezien omdat drie dagen na de eerste inval door de politie, er wederom harddrugs zijn aangetroffen in de woning. </para>
        <para>De voorzieningenrechter overweegt dat bij het toepassen van een bestuursdwangaanschrijving waarbij een woning wordt gesloten, het van belang is dat de persoon die het betreft wordt gehoord. Op die manier kunnen ook eventuele (bijzondere) omstandigheden die bij het besluit betrokken dienen te worden boven tafel komen. In dit specifieke geval is echter binnen een paar dagen nadat voor de eerste keer harddrugs in de woning van verzoeker zijn aangetroffen, wederom (hard)drugs in verzoekers woning aangetroffen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het in dit bijzondere geval gerechtvaardigd dat verweerder in afwijking van het bepaalde in artikel 4.6 van het beleid  heeft afgezien van de bieden van de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verzoeker heeft er voorts op gewezen dat verweerder volgens zijn eigen beleid de woning met onmiddelijke ingang had moeten sluiten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker, doordat verweerder de woning niet onmiddellijk heeft gesloten maar nog een aantal dagen heeft gewacht met de sluiting, niet is benadeeld.Aan verzoeker is hierdoor        - kortstondig - de gelegenheid geboden om vervangende woonruimte te zoeken en een voorlopige voorziening in te dienen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS), waaronder de uitspraak van 1 mei 2019, gepubliceerd op www.raadvanstate.nl, onder het nummer ECLI:NL:RVS:2019:1435, is artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet naar zijn tekst niet van toepassing bij de enkele aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand. Gezien de woorden "daartoe aanwezig" moeten de drugs met een bepaalde bestemming aanwezig zijn, dat wil zeggen voor verkoop, aflevering of verstrekking. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs, de door het openbaar ministerie gehanteerde grenzen voor eigen gebruik, de aangetroffen drugs in beginsel geacht worden deels of geheel bestemd te zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om voor het pand een sluitingsbevel op te leggen. </para>
      <para />
      <para>7. Uit de bestuurlijke rapportage van 21 januari 2021 blijkt dat de op 18 januari 2021 aangetroffen hoeveelheid XTC en amfetamine ruimschoots de maximale gebruikershoeveelheid harddrugs overschrijdt. Verzoeker betoogt dat verweerder slechts bevoegd is tot het opleggen van een sluitingsbevel indien daadwerkelijk blijkt dat de aangetroffen hoeveelheid drugs is verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De voorzieningenrechter is gelet op de onder rechtsoverweging 6. genoemde vaste jurisprudentie van de AbRS van oordeel dat bij een aanwezigheid van meer dan 0,5 gram harddrugs de aangetroffen hoeveelheid in beginsel geacht kan worden deels of geheel bestemd te zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs een andere bestemming had dan verkoop, aflevering of verstrekking, terwijl het wel op zijn weg lag om dit aannemelijk te maken. Verzoeker heeft gesteld dat de in zijn woning aangetroffen harddrugs niet van hem waren maar van zijn vrienden, die ten tijde van de inval op bezoek waren. Hij staat bij de gemeente in het zorgoverleg bekend als problematisch gebruiker, niet als dealer. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dit de zaak niet anders. De harddrugs zijn immers in verzoekers woning aangetroffen en verzoeker is daarvoor verantwoordelijk te houden. De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat verweerder gelet op het voorgaande bevoegd was om op grond van artikel 13b van de Opiumwet handhavend op te treden.</para>
      <para />
      <para>8. De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat verweerder bij de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet beschikt over beleidsruimte, zodat het sluitingsbevel op terughoudende wijze dient te worden getoetst. Uit vaste jurisprudentie van de AbRS (onder meer de uitspraak van 9 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3057) volgt wel dat het feit dat een besluit tot sluiting in overeenstemming is met de beleidsregel, niet zonder meer betekent dat verweerder terecht tot sluiting heeft besloten. Verweerder dient alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregel gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. In geschil is de vraag of verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat geen aanleiding bestaat om een andere, lichtere maatregel te treffen. </para>
      <para />
      <para>9. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de omstandigheden van dit geval en het belang van verzoeker geen grond wordt gevonden voor de conclusie dat de woningsluiting zodanig onevenredig is in verhouding tot het doel van de Beleidsregels, dat hij van toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet had moeten afzien. Bij zijn beoordeling betrekt de voorzieningenrechter het volgende.</para>
      <para />
      <para>10. Verzoeker betoogt dat er geen noodzaak tot sluiting van de woning omdat er slechts twee meldingen van overlast zijn, die daarenboven zijn binnengekomen in het coronatijdperk waarin mensen een korter lontje hebben. Aan dit betoog kan de voorzieningenrechter niet de waarde toekennen die verzoeker hieraan graag toegekend zou zien. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid harddrugs en het gegeven dat er bij een tweede inval in de woning drie dagen later wederom harddrugs zijn aantroffen heeft verweerder een noodzaak voor sluiting van de woning mogen aannemen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.1</nr>
      <para>Met betrekking tot hetgeen door verzoeker is gesteld ten aanzien van de overlast overweegt de voorzieningenrechter dat ook dit standpunt niet kan leiden tot een andere uitkomst. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat ingevolge vaste jurisprudentie van de AbRS, waaronder de uitspraak van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:2912), uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel, hetgeen op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd. Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>11.		Verzoeker betoogt dat de sluiting van zijn woning niet evenredig is. In het zorgoverleg is besproken dat aan verzoeker op korte termijn een aanbod zal worden gedaan om in aanmerking te komen voor een vorm van beschermd wonen. Hierbij heeft verzoeker aangegeven dat van het hulptraject zoals dat in het zorgoverleg is vastgesteld niks terecht komt bij sluiting van zijn woning en dat het besluit zal leiden tot een verstoorde relatie tussen hem en zijn hulpverleners. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in dit betoog. Niet aannemelijk is gemaakt dat verzoeker op korte termijn een plek zal worden aangeboden in een project van beschermd wonen. Ook is niet duidelijk gemaakt dat de woningsluiting zal leiden tot een verstoorde relatie met zijn hulpverleners. Verweerder heeft daarom geen aanleiding hoeven zien om een andere, lichtere maatregel te treffen. Dat verzoeker door de sluiting de woning tijdelijk moet verlaten is een logisch gevolg van de woningsluiting. Dit wordt in beginsel geacht te zijn verdisconteerd in het door verweerder gehanteerde beleid. Daarbij komt dat niet is gebleken - aan de hand van objectieve gegevens - niet in staat is tijdelijk vervangende woonruimte te krijgen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.1</nr>
      <para>De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn betoog dat een sluiting van drie maanden een te zware maatregel is in de gegeven omstandigheden nu verzoeker drugsgebruiker is en geen drugshandelaar. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat in het door verweerder vastgestelde beleid is vastgelegd dat een woning in beginsel voor de duur van drie maanden wordt gesloten in geval van een eerste constatering van harddrugs in een woning en/of bij een woning behorend erf. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit beleid niet kennelijk onredelijk en is de opgelegde last tot sluiting in overeenstemming met dit beleid, waarbij nog opmerking verdient dat er twee constateringen zijn gedaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.2</nr>
      <para>Ten slotte heeft verzoeker erop gewezen dat deze rechtbank heeft besloten dat zij tot 9 februari of zoveel langer als de maatregelen in verband met het coronavirus daartoe aanleiding geven geen ontruimingen uitspreekt in huurgeschillen, tenzij er sprake is van superspoed. Verzoeker bepleit analoge toepassing bij toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding verzoeker hier in te volgen omdat bij woningsluiting op grond van de Opiumwet sprake is van verstoring van de openbare orde. </para>
      <para />
      <para>12. Gelet op het vorenoverwogene heeft het bezwaarschrift tegen het primaire besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Ook anderszins is geen grond voor toewijzing van de voorziening. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt dan ook afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para>13. Verweerder heeft gewacht met het tenuitvoerleggen van de opgelegde maatregel. Om verzoeker de kans te bieden de nodige maatregelen te nemen zal de voorzieningenrechter bepalen dat de sluiting ingaat op donderdag 11 februari 2021 om 12:00 uur en drie maanden daarna eindigt, dus op dinsdag 11 mei 2021 om 12:00 uur. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para> bepaalt dat de woningsluiting ingaat op 11 februari 2021 om 12:00 uur.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier, op 4 februari 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier											voorzieningenrechter 		</para>
      <para>(de griffier is verhinderd de uitspraak</para>
      <para>mede te ondertekenen)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>