<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2021:2705</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T16:42:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB LEE - 20 _ 1767 en 21 _ 1868</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:temporal rdfs:label="Periode">
        <start rdfs:label="van">2018</start>
        <end rdfs:label="tot">2018</end>
      </dcterms:temporal>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2021/1674</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2021/1537</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2021/35.19.15</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2021/2548 met annotatie van drs. R.P. Bitter</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2021070713</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2021-2214</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:2705">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:2705</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-07-03T19:47:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2021:2705 Rechtbank Noord-Nederland , 30-06-2021 / AWB LEE - 20 _ 1767 en 21 _ 1868</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2021:2705:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiseres heeft in 2018 een oudere werknemer in dienst waarvoor zij in aanmerking kan komen voor een zogenaamd loonkostenvoordeel uit de Wet tegemoetkoming loondomein. </para>
      <para />
      <para>De salarisadministrateur van eiseres zet onbedoeld het vinkje waarmee eiseres aanvankelijk een aanvraag heeft gedaan voor het loonkostenvoordeel uit. Volgens verweerder heeft eiseres daarmee haar verzoek ingetrokken. Verweerder deelt daarom in juli 2019 aan eiseres mee dat ze geen recht heeft op het loonkostenvoordeel. Eiseres komt tegen die mededeling in bezwaar, welk bezwaar verweerder als verzoek opvat. Dat verzoek wordt vervolgens afgewezen door verweerder. Tegen die afwijzing gaat eiseres vervolgens ook in bezwaar. Dat bezwaar wordt door verweerder doorgestuurd aan de rechtbank.</para>
      <para />
      <para>De rechtbank stelt voorop dat eiseres tweemaal bezwaar heeft gemaakt, en dat verweerder op beide bezwaren nog niet beslist heeft. Uit proceseconomische overwegingen wordt ter zitting afgesproken dat de rechtbank beide bezwaren als rechtstreekse beroepen zal behandelen.</para>
      <para />
      <para>Ter zitting is reeds besproken dat de rechter eerst zal moeten oordelen over zijn bevoegdheid om inhoudelijk kennis te nemen van de rechtstreekse beroepen, en als hij bevoegd is, over de ontvankelijkheid van de rechtstreekse beroepen. </para>
      <para />
      <para>Ten aanzien van beide rechtstreekse beroepen beoordeelt de rechtbank eerst hoe verweerders brieven waartegen die beroepen zijn gericht geduid moeten worden. Vervolgens verklaart de belastingrechter zich onbevoegd (zie overwegingen 6.1. t/m 7.2.). De rechtbank komt daarom niet toe aan een inhoudelijk oordeel. In dit geval is enkel de burgerlijke rechter bevoegd om te oordelen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2021:2705:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: LEE 20/1767 en LEE 21/1868</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 30 juni 2021 in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Almelo, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief met dagtekening 25 juli 2019 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat zij geen recht heeft op een tegemoetkoming uit hoofde van de Wet tegemoetkoming loondomein (hierna: Wtl).  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 1 oktober 2019 heeft verweerder van eiseres een tegen de mededeling gericht bezwaarschrift ontvangen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft het bezwaarschrift opgevat als verzoek om een beschikking Wtl. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief met dagtekening 5 februari 2020 heeft verweerder het verzoek afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief met dagtekening 13 februari 2020, door verweerder ontvangen op 18 februari 2020, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de beslissing op het verzoek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na telefonisch overleg met eiseres heeft verweerder het bezwaar van 13 februari 2020 als beroepschrift doorgestuurd naar Rechtbank Midden-Nederland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Rechtbank Midden-Nederland heeft het beroepschrift doorgestuurd naar Rechtbank NoordNederland. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 november 2020 heeft verweerder telefonisch contact gehad met eiseres. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief met dagtekening 13 november 2020 heeft verweerder het gespreksverslag van het telefonisch contact vergezeld van twee bijlagen aan de rechtbank overgelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2021. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [middellijk bestuurder van eiseres] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand verweerder] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>In de loonaangiften van eiseres voor de tijdvakken december 2017, januari 2018 en februari 2018 staat de indicatie premiekorting/LKV oudere werknemer op ‘Nee’. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Middels een correctie op de loonaangifte heeft eiseres op 22 maart 2018 voor de tijdvakken oktober 2017 tot en met februari 2018 de indicatie premiekorting/LKV oudere werknemer op ‘Ja’ gezet. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>In de loonaangiften van eiseres voor de tijdvakken maart 2018 tot en met december 2018 staat de indicatie premiekorting/LKV oudere werknemer steeds op ‘Ja’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Middels een correctiebericht heeft eiseres op 7 februari 2019 voor de tijdvakken januari 2018 tot en met december 2018 de indicatie premiekorting/LKV oudere werknemer op ‘Nee’ gezet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Bij brief van 12 maart 2019 heeft het UWV aan eiseres een voorlopige berekening Wet tegemoetkoming loondomein gestuurd. Deze brief luidt – voor zover hier van belang – als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Op basis van uw aangiften loonheffingen over 2018, hebben wij berekend dat u in aanmerking komt voor een of meer tegemoetkomingen uit de Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl). In deze brief leest u meer hierover.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…) </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Voorlopige berekening</title>
    <bridgehead role="italic">Wij hebben berekend dat u in aanmerking komt voor de volgende tegemoetkoming(en):</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>- <emphasis role="italic">LKV oudere werknemer 								€ 6.000</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Totaalbedrag aan tegemoetkomingen Wtl over 2018 € 6.000</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Als de voorlopige berekening niet klopt</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit is een voorlopige berekening waartegen u geen bezwaar kunt maken, maar u kunt deze wel corrigeren.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Als de berekening niet klopt, doordat u niet de juiste gegevens heeft doorgegeven in de aangiften loonheffingen, dan kunt u uw aangiften tot en met 1 mei 2019 corrigeren. Hoe u dit doet, leest u in hoofdstuk 12 van het ‘Handboek Loonheffingen 2019’. U vindt het handboek op belastingdienst.nl/loonheffingen. Correcties die de Belastingdienst na 1 mei 2019 ontvangt, komen wel in de Polisadministratie, maar deze correcties worden niet meer meegenomen in de definitieve berekening van de Wtl.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft u de aangiften loonheffingen wel juist ingevuld, maar klopt de voorlopige berekening niet? Neem dan zo snel mogelijk contact op met UWV. Het telefoonnummer vindt u onderaan deze brief. </emphasis>(…)”</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Op 1 mei 2019 stond de indicatie premiekorting/LKV oudere werknemer voor alle tijdvakken in 2018 op ‘Nee’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Bij brief van 25 juli 2019 heeft verweerder eiseres als volgt medegedeeld:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Betreft: Uw berekening Wet tegemoetkomingen loondomein</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Begin dit jaar hebt u van UWV een voorlopige berekening Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) over 2018 gekregen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>U hebt toch geen recht op een tegemoetkoming Wtl</title>
    <bridgehead role="italic">Dat is gebleken uit de definitieve berekening.</bridgehead>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Geef een kopie aan uw intermediair</title>
    <bridgehead role="italic">Als een intermediair uw aangifte loonheffingen verzorgt, geef hem dan een kopie van deze brief. Uw intermediair kan dan op deze brief reageren.</bridgehead>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>U kunt geen bezwaar maken</title>
    <para>
      <emphasis role="italic">Als u denkt dat u toch recht hebt op een tegemoetkoming Wtl, kunt u contact opnemen met uw belastingkantoor. Bezwaar maken kan niet.</emphasis> (…)”</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Bij niet gedagtekende brief, ontvangen door verweerder op 1 oktober 2019, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de brief van 25 juli 2019. Eiseres schrijft – voor zover hier van belang – als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Met deze brief maak ik bezwaar tegen de vaststelling van de tegemoetkoming Wtl over 2018 zoals aangegeven in uw brief d.d. 25-7-2019 (zie bijlage).</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik zal dit bezwaar toelichten:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de brief van het UWV van 12 maart 2019 was berekend dat ons bedrijf recht zou hebben op een tegemoetkoming LKV van € 6.000,- (zie brief UWV in bijlage). Deze tegemoetkoming van € 6.000,- was ontstaan uit het dienstverband van [naam medewerker eiseres] .</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Door het wijzigen van de LKV aanduiding “wel/geen LKV” in de salaris-software is in februari 2019 </emphasis>
          <emphasis role="bold underline italic">ten onrechte</emphasis>
          <emphasis role="italic"> aan de Belastingdienst gemeld dat voor [naam medewerker eiseres] geen recht meer was op tegemoetkoming LKV.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Deze wijziging van de aanduiding “wel/geen LKV” is per ongeluk ingebracht door een medewerkster van het salarisverwerkingsbureau. Dit betrof een ongewilde menselijke fout die helaas bij het controleren vóór verzending onopgemerkt is gebleven. </emphasis>(…)”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9.</nr>
      <para>Bij brief van 3 oktober 2019 heeft verweerder aan eiseres de ontvangst van haar hiervoor genoemde brief van 1 oktober 2019 bevestigd. Verweerder schrijft – voor zover hier van belang – als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Op 1 oktober 2019 heb ik uw verzoek ontvangen. Het betreft</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Soort 			: verzoek WTL</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Middel		 	: Wet tegemoetkomingen loondomein</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Periode 			: 2018</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten name van 	: [eiseres]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Wanneer volgt uitspraak op uw verzoek?</title>
    <para>
      <emphasis role="italic">Normaal gesproken beslis ik binnen 8 weken nadat ik een verzoek heb ontvangen. Helaas lukt het mij niet uw verzoek binnen deze termijn te behandelen. Ik verleng daarom de beslistermijn met 8 weken. U krijgt mijn beslissing binnen 16 weken na de ontvangstdatum.</emphasis> (…)”</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.10.</nr>
      <para>Bij brief van 5 februari 2020 schrijft verweerder aan eiseres – voor zover hier van belang – als volgt:</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>“Betreft: Uw verzoek inzake Wtl</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>(…)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Op 1 oktober 2019 heb ik uw verzoek inzake de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) ontvangen. Hierin schrijft u dat in eerste instantie op de voorlopige berekening een bedrag van € 6.000,- aan LKV werd toegekend voor werknemer [naam medewerker eiseres] . Door het salarisverwerkingsbureau werden in februari 2019 correcties ingediend waarbij per abuis het vinkje voor het LKV oudere werknemer werd uitgezet. Door een menselijke fout van een derde is dit dus ontstaan en u verzoekt daarom de beslissing te herzien.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>U cliënt heeft geen recht op het loonkostenvoordeel</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het loonkostenvoordeel is voor werknemer [naam medewerker eiseres] BSN [nummer] in de loonaangifte 2018 niet toegepast. Zonder aanvraag van het loonkostenvoordeel wordt werknemer [naam medewerker eiseres] BSN [nummer] niet meegenomen bij de berekening van het loonkostenvoordeel in 2018.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Dit had uiterlijk voor 1 mei 2019 gecorrigeerd moeten worden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het feit dat de loonaangifte door een medewerkster van uw salarisverwerkingsbureau niet correct is gedaan, is voor de belastingdienst geen reden om aan u verzoek tegemoet te komen. U blijft te allen tijde zelf verantwoordelijk voor het indienen van een correcte loonaangifte.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>U kunt geen bezwaar maken</title>
    <para>
      <emphasis role="italic">Het is niet mogelijk om een bezwaarschrift in te dienen, omdat u cliënt geen voor bezwaar vatbare beschikking heeft ontvangen. Indien u toch van mening bent dat uw cliënt recht heeft op het loonkostenvoordeel, dan kan uw cliënt een civielrechtelijke procedure starten.</emphasis> (…)”</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.11.</nr>
      <para>Bij brief van 13 februari 2020, door verweerder ontvangen op 18 februari 2020, heeft eiseres gereageerd op verweerders brief van 5 februari 2020. Eiseres schrijft – voor zover hier van belang – als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Datum: 		13-02-2020</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Uw kenmerk: 	GBV [nummer] .</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Betreft: 			Bezwaar tegen uitspraak verzoek inzake Wtl</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Met deze brief wil ik reageren op uw uitspraak d.d. 5 februari 2020 betreffende mijn verzoek inzake de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl).</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>(…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik vertrouw er op dat bovenstaande argumenten voor U een reden zijn om ons bedrijf alsnog de LKV van € 6000,- uit te keren.</emphasis> (…)”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vooraf</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de feiten dat eiseres tweemaal bezwaar heeft gemaakt, en dat verweerder op beide bezwaren niet heeft beslist. Het eerste bezwaar is de op 1 oktober 2019 door verweerder ontvangen brief (zie 1.8.), welk bezwaar is gericht tegen verweerders brief van 25 juli 2019 (zie 1.7.). Verweerder heeft dat bezwaar ten onrechte enkel opgevat als een verzoek. Het tweede bezwaar is de brief van 13 februari 2020 (zie 1.11.), welke bezwaar is gericht tegen verweerders brief van 5 februari 2020 (zie 1.10). Verweerder heeft dat bezwaar, na overleg met eiseres, als beroep doorgestuurd aan de rechtbank. Ter zitting is – mede uit proceseconomische overwegingen – afgesproken dat de rechtbank beide bezwaren als rechtstreekse beroepen behandelt.<footnote-ref linkend="_dabbaf25-7ee2-4e88-82ea-48da6470e577" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het rechtstreekse beroep tegen verweerders brief van 5 februari 2020 is geregistreerd onder zaaknummer LEE 20/1767. Het rechtstreekse beroep tegen verweerders brief van 25 juli 2019 is geregistreerd onder zaaknummer LEE 21/1868. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Geschil </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. In geschil is of eiseres voor haar werknemer [naam medewerker eiseres] recht heeft op een tegemoetkoming op grond van de Wtl, meer in het bijzonder het zogenaamde loonkostenvoordeel (hierna: LKV) oudere werknemer.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bevoegdheid van de belastingrechter</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Zoals ter zitting besproken moet, voordat de rechtbank over de inhoudelijk kant van het beroep kan oordelen, eerst beoordeeld worden of de belastingrechter bevoegd is om kennis te nemen van de rechtstreekse beroepen, en zo ja, of die beroepen ontvankelijk zijn. </para>
      <para />
      <para>5. Verweerder stelt in dat kader – samengevat – dat eiseres middels het correctiebericht van 7 februari 2019 (zie 1.4.) haar verzoek om een LKV heeft ingetrokken. De brief van 25 juli 2019 is daarom enkel een mededeling en geen beslissing op een verzoek op grond van de Wtl. Tegen een dergelijke mededeling staat geen bezwaar of beroep bij de belastingrechter open. De brief van 5 februari 2020 is een beslissing op een verzoek tot herziening en is gebaseerd op artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr). Ook tegen de beslissing op zo’n verzoek staat geen bezwaar of beroep bij de belastingrechter open, aldus verweerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Ten aanzien van verweerders brief van 25 juli 2019 overweegt de rechtbank als volgt. Een verzoek voor een tegemoetkoming op grond van de Wtl moet gedaan worden in de loonaangifte dan wel in een uiterlijk op 1 mei van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft ingediend correctiebericht.<footnote-ref linkend="_6e56ced7-05b1-4a72-80b6-96646e71d131" /> Het verzoek wordt gedaan door in de loonaangifte de indicatie voor de tegemoetkoming op ‘Ja’ te zetten.<footnote-ref linkend="_6741484e-776f-4e2c-9657-2b7050abd750" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft eiseres bij de loonaangiften een verzoek op grond van de Wtl gedaan (zie 1.2. en 1.3.). Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dat verzoek door het correctiebericht van 7 februari 2019 (zie 1.4.) echter weer ingetrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Omdat eiseres het verzoek ingetrokken heeft, en niet een nieuw verzoek heeft gedaan voor 1 mei 2019, kan de brief van 25 juli 2019 naar het oordeel van de rechtbank niet aangemerkt worden als een beslissing op een verzoek in de zin van artikel 4.2 van de Wtl. De brief van 25 juli 2019 is enkel een mededeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het is echter wel een uitlating van verweerder verricht in de uitvoering van hoofdstuk IV van de Wtl, waarin is geregeld dat de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking beslist over toekenning van een LKV. De belastingrechter is bevoegd kennis te nemen van een beroep gericht tegen een uitspraak op bezwaar indien die uitspraak betrekking heeft op een ingevolge artikel 4.2 van de Wtl genomen besluit. Dat geldt ook in gevallen als het onderhavige waar het gaat om een handeling of uitlating van de inspecteur in het kader van de uitvoering van de Wtl ten aanzien van de toekenning van een LKV die niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.<footnote-ref linkend="_e522d4ce-c727-4cdb-b384-4097b25358b1" /> In dit geval heeft verweerder echter geen uitspraak op bezwaar gedaan, maar is sprake van een rechtstreeks beroep tegen de mededeling van 25 juli 2019. De belastingrechter, noch de algemene bestuursrechter, is bevoegd om kennis te nemen van een dergelijk rechtstreeks beroep.<footnote-ref linkend="_a6e31b67-49c4-4286-a8a5-01d3fa50ddd0" /> Aan een inhoudelijke beoordeling van deze beslissing komt de rechtbank (bestuursrechter) daarom niet toe. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Ten aanzien van verweerders brief van 5 februari 2020 overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft eiseres haar bezwaar tegen de brief van 25 juli 2019 opgevat als een verzoek. Verweerders brief van 5 februari 2020 is de beslissing op dat (veronderstelde) verzoek. Omdat een verzoek in de zin van de Wtl gedaan moet worden in de loonaangifte, en mede gelet op de bewoording van de brief van 5 februari 2020, volgt de rechtbank verweerder in zijn stelling dat de brief van 5 februari 2020 in dit geval bedoeld was als een beslissing die verweerder heeft genomen op grond van artikel 65, eerste lid, van de Awr. De rechtbank merkt daarbij wel op dat geen sprake geweest kan zijn van een verzoek tot herziening als bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wtl nu er geen beschikking Wtl was om te herzien.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Een beslissing van verweerder op grond van artikel 65, eerste lid, van de Awr is een ingevolge de belastingwet genomen besluit. Tegen een dergelijke beslissing staat echter ingevolge artikel 26 van de Awr geen bezwaar en beroep bij de belastingrechter open en (ook) geen beroep open bij de algemene bestuursrechter.<footnote-ref linkend="_c8c5100b-030f-4eee-bb5e-2a88469c2745" /> Omdat ook in dit geval geen sprake is van beroep tegen een uitspraak op bezwaar, maar sprake van een rechtstreeks beroep, is de belastingrechter, noch de algemene bestuursrechter, bevoegd om van het beroep kennis te nemen. Aan een inhoudelijke beoordeling van deze beslissing komt de rechtbank (bestuursrechter) daarom ook niet toe. </para>
      <para />
      <para>8. Gelet op het voorgaande behoort het inhoudelijke oordeel over de rechtmatigheid van de mededeling van verweerder in de brief van 25 juli 2019 en het besluit van verweerder in de brief van 5 februari 2020 tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechter. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. De rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van de rechtstreekse beroepen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Griffierecht en proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld dat hij, gelet op de omstandigheden van het geval, vergoeding van het griffierecht gepast acht. De rechtbank ziet daarom aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.2.</nr>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart zich onbevoegd;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354 aan eiseres te vergoeden. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier, op 30 juni 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. griffier	w.g.										rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
  </section>
  <footnote id="_dabbaf25-7ee2-4e88-82ea-48da6470e577" label="1">
    <para> Zie artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6e56ced7-05b1-4a72-80b6-96646e71d131" label="2">
    <para> Zie artikelen 2.1, 4.1, tweede lid, en 6.2 aanhef en onderdeel c, van de Wtl.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6741484e-776f-4e2c-9657-2b7050abd750" label="3">
    <para> Zie ook Kamerstukken II, 2015/16, 34 304, nr. 3, p. 12-13.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e522d4ce-c727-4cdb-b384-4097b25358b1" label="4">
    <para> Zie Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:674 r.o. 2.4.2. en 2.4.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a6e31b67-49c4-4286-a8a5-01d3fa50ddd0" label="5">
    <para> Zie Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:674 en vergelijk Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2016:2667.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c8c5100b-030f-4eee-bb5e-2a88469c2745" label="6">
    <para> Vergelijk Hoge Raad 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1797.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>