<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2021:2495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T16:56:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-06-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-07-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/19/131209 / HA ZA 20-95</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Assen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2021-0196</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2021/314</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:2495">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:2495</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-06-23T10:28:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-07-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2021:2495 Rechtbank Noord-Nederland , 07-07-2021 / C/19/131209 / HA ZA 20-95</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2021:2495:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser maakt aanspraak op de legitieme portie in de nalatenschap van zowel moeder als vader. De meeste geschilpunten zijn op de mondelinge behandeling opgelost. Het gaat alleen nog om de vraag vanaf wanneer de legitieme portie van de als eerste overleden moeder rente is verschuldigd en bij welk artikel uit het testament moet worden aangesloten. De rechtbank legt het testament uit en oordeelt dat zowel eiser met zijn aanspraak op de legitieme portie als gedaagde met het recht op haar wettelijk erfdeel recht hebben op de rente vanaf de datum van het overlijden van vader. In het testament is namelijk voor de vorderingen van de afstammelingen bepaald dat zowel de vordering als de rente opeisbaar zijn bij, in dit geval, het overlijden van vader. De rechtbank legt de in het testament door elkaar gebruikte woorden "afstammelingen" en "erfgenamen" als volgt uit. De afstammelingen zijn de bloedverwanten in neerdalende lijn, dus de kinderen en kleinkinderen. Gedaagde en Eiser zijn beiden de afstammelingen. De erfgenamen zijn degenen die gerechtigd zijn tot de nalatenschap. In dit geval is dat alleen Gedaagde</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2021:2495:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e5849fb1-0e43-476e-8213-4f47a0dcde51" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="67fb339b-55a8-47a6-8064-a5d88d01c0fb" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
      <para>Locatie Assen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/19/131209 / HA ZA 20-95</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 7 juli 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">EISER</emphasis>,</para>
      <para>wonende te X,</para>
      <para>eiser in conventie,</para>
      <para>verweerder in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. E.J. Luursema te Leek,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">GEDAAGDE</emphasis>,</para>
      <para>wonende te Y,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiseres in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. B.L. van Riel te Assen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna eiser en gedaagde genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 18 november 2020<?linebreak?>- de conclusie van antwoord in reconventie</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 1 april 2021</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van eiser op de rol van 21 april 2021</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte van Gedaagde op de rol van 5 mei 2021</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling in conventie en in reconventie</title>
    <bridgehead role="italic">Inleiding</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser en gedaagde zijn broer en zus. Eiser vordert in deze procedure van gedaagde betaling van de legitieme portie in de nalatenschappen van hun beide ouders. Eiser en gedaagde zijn het niet eens over de hoogte van het bedrag dat moet worden betaald. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Eiser en gedaagde zijn de twee kinderen uit het huwelijk van A (moeder) en B. (vader). Eerst is moeder overleden. Zij heeft eiser onterfd, gedaagde en haar echtgenoot tot de enige erfgenamen benoemd en de wettelijke verdeling op haar nalatenschap van toepassing verklaard. Daarna is vader overleden. Ook hij heeft in zijn testament eiser onterfd en gedaagde tot enig erfgenaam en executeur benoemd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Waar gaat het nog om in deze procedure?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank geconstateerd dat gedaagde en eiser het op een groot aantal geschilpunten eens zijn geworden. De rechtbank heeft bepaald dat eiser een nieuwe berekening moet maken aan de hand van de in het proces-verbaal geformuleerde uitgangspunten. Eiser heeft een nieuwe berekening gemaakt en gedaagde heeft hierop gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Uit de akten volgt dat partijen nog op één punt van mening verschillen. Dat is de vraag vanaf welke datum Eiser recht heeft op de samengestelde rente over de legitieme portie in de nalatenschap van moeder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Eiser stelt dat de vordering per datum van overlijden van moeder rentedragend is en hij vordert daarom een bedrag van € 3.071,33 aan samengestelde rente. Gedaagde meent dat hij pas vanaf de datum van overlijden van vader recht heeft op de samengestelde rente omdat in artikel 6 van het testament van moeder een niet-opeisbaarheidsclausule is opgenomen en zij gaat uit van een bedrag van € 1.490,28 aan samengestelde rente. Als gevolg hiervan hebben zij de legitieme portie in de nalatenschap van moeder anders berekend. Dit heeft weer gevolgen voor de berekening van de legitieme portie in de nalatenschap van vader. Immers, de schuld aan de nalatenschap van erflaatster komt op een ander bedrag uit. <?linebreak?>2.6.	Moeder heeft in haar testament het volgende bepaald: <?linebreak?><emphasis role="bold underline italic">4. Wettelijke verdeling</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">(…) Overeenkomstig, in aanvulling dan wel in afwijking van de wettelijke verdeling bepaal ik het volgende</emphasis><?linebreak?><emphasis role="underline italic">Opeisbaarheidsclausule</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Ik bepaal dat de vorderingen van mijn afstammelingen alsmede de hierna omschreven rente opeisbaar zijn in geval mijn echtgenoot:</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">a. overlijdt </emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">(…)</emphasis><?linebreak?><emphasis role="underline italic">Renteclausule</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Over de aan mijn afstammelingen toekomende vorderingen is een samengestelde rente verschuldigd van drie procent (3%) per jaar, tenzij de erfgenamen (…) schriftelijk een ander percentage overeenkomen.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">(…)</emphasis><?linebreak?><emphasis role="bold underline italic">6. Bepalingen legitieme en inkortingsvolgorde</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Voor het geval een legitimaris aanspraak op de legitieme vordering maakt, zal de inkorting van makingen als volgt geschieden:</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">a. als eerste zal het aan de afstammelingen van degene die aanspraak op de legitieme vordering maakt toekomende gedeelte van mijn nalatenschap worden ingekort;</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">b. als tweede zal het aan mijn echtgenoot toekomende gedeelte van mijn nalatenschap worden ingekort.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="underline italic">Niet-opeisbaarheidsclausule</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Ik bepaal, in afwijking van het hiervoor sub 3 bepaalde, ten behoeve van mijn echtgenoot dat eventuele ten laste van hem komende vorderingen ter zake van de legitieme eerst opeisbaar zijn na zijn overlijden. </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat in het testament de woorden "afstammelingen" en "erfgenamen" door elkaar worden gebruikt en dat ze niet eenduidig worden gehanteerd. Daarom zal de rechtbank het testament objectief, aan de hand van de taalkundige betekenis, moeten uitleggen. Degenen die hem opgesteld hebben kunnen immers niet meer verklaren wat ze bedoeld hebben. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Het begrip afstammelingen is ruimer dan het begrip erfgenamen. De afstammelingen zijn de bloedverwanten in neerdalende lijn, dus de kinderen en kleinkinderen. Gedaagde en eiser zijn beiden de afstammelingen. De erfgenamen zijn degenen die gerechtigd zijn tot de nalatenschap. In dit geval is dat alleen gedaagde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Gedaagde beroept zich op de niet-opeisbaarheidsclausule van artikel 6. Artikel 6 bevat enkele specifieke bepalingen over de legitieme portie en de volgorde van inkorting. De rechtbank is van oordeel dat dit artikel geen betrekking heeft op de onterfde eiser maar op gedaagde. Dit leidt de rechtbank af uit de verwijzing naar artikel 3 onder het kopje "niet-opeisbaarheidsclausule". Daarin is namelijk bepaald dat <emphasis role="underline">in afwijking van artikel 3</emphasis> de eventuele ten laste van vader komende vorderingen ter zake van de legitieme eerst opeisbaar zijn na zijn overlijden. Artikel 3 voorziet in de situatie dat gedaagde, in weerwil van haar benoeming tot erfgenaam, de nalatenschap verwerpt en aanspraak maakt op haar legitieme vordering. Een aanknopingspunt daarvoor is te vinden in het eerste gedeelte van artikel 6. Daarin is namelijk bepaald dat als eerste zal worden ingekort op het aan de afstammelingen van degene die aanspraak maakt op de legitieme vordering toekomende gedeelte. In artikel 2 van het testament is echter bepaald dat niet alleen eiser maar ook zijn afstammelingen zijn uitgesloten van opvolging in de nalatenschap van moeder. Verder ligt deze uitleg voor de hand omdat in artikel 4 al een regeling is opgenomen over de opeisbaarheid van de vorderingen. Omdat de in artikel 6 beschreven situatie zich niet voordoet, zoekt de rechtbank aansluiting bij artikel 4 van het testament. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Daarin is voor de vorderingen van de afstammelingen bepaald dat zowel de vordering als de rente opeisbaar zijn bij, in dit geval, het overlijden van vader. Zowel gedaagde als eiser hebben een vordering op de nalatenschap van moeder. Gedaagde heeft haar vordering als erfgenaam in de nalatenschap van moeder (het kindsdeel) en eiser heeft een vordering uit hoofde van de legitieme portie. Voor beide vorderingen geldt dat in artikel 4 is bepaald dat een samengestelde rente is verschuldigd en dat zowel de vordering als die rente pas opeisbaar zijn als vader, voor zover hier van belang, is overleden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>Partijen zijn hier beiden niet van uitgegaan in hun berekeningen. Het standpunt van gedaagde houdt in dat zijzelf wél aanspraak zou hebben op de samengestelde rente vanaf de datum van overlijden van moeder wat het kindsdeel betreft, maar dat eiser voor zijn legitieme portie die aanspraak niet heeft. Eiser is er bij zijn berekening vanuit gegaan dat beiden recht hebben op de samengestelde rente vanaf overlijden van moeder. De rechtbank zal hierna de legitieme portie berekenen vanuit het uitgangspunt dat beiden pas recht hebben op de samengestelde rente vanaf de datum van overlijden van vader. <?linebreak?><emphasis role="italic">Nalatenschap moeder</emphasis><?linebreak?>2.12.	Niet in geschil is dat de legitieme portie in de nalatenschap van moeder voor Eiser € 24.471,00 bedraagt. De samengestelde rente hierover vanaf datum overlijden vader bedraagt € 1.490,28. De totale vordering van Eiser uit hoofde van de legitieme portie in de nalatenschap van moeder bedraagt daarmee<emphasis role="bold"> € 25.961,30. </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.13.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat het aandeel van gedaagde 1/3 deel van de nalatenschap van moeder (het kindsdeel) € 146.829,00 bedraagt. Zoals gedaagde terecht aanvoert, komt dit bedrag uit op € 48.943,00. Dit bedrag moet dan vermeerderd worden met de samengestelde rente van 3% vanaf de datum van het overlijden van vader. Dit is dan een bedrag van € 2.980,63. Daarmee bedraagt de totale vordering van gedaagde op de nalatenschap van moeder € 51.923,65. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.14.</nr>
      <para>Samen bedragen de vorderingen van gedaagde en eiser in de nalatenschap van moeder een bedrag van € 77.884,95. <?linebreak?><emphasis role="italic">Nalatenschap vader</emphasis><?linebreak?>2.15.	Eiser en gedaagde zijn het eens dat de activa in de nalatenschap van vader € 177.648,16 bedragen. Hierop moeten de volgende schulden in mindering worden gebracht:<?linebreak?>- schuld nalatenschap erflaatster 	 			€ 77.884,95<?linebreak?><emphasis role="underline">- andere schulden 					€   4.150,00</emphasis><?linebreak?>Totaal 							€ 82.034,95</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.16.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit brengt de rechtbank tot de volgende berekening van de legitieme portie:<?linebreak?>bezittingen						€ 177.648,16<?linebreak?>verminderd met de schulden				-€ 82.034,95</para>
        <para>
          <emphasis role="underline">vermeerderd met de giften					€ 135.000,00</emphasis>
          <?linebreak?>Totaal 							€ 230.613,20</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tussen partijen is niet in geschil dat het breukdeel ¼ bedraagt. De totale vordering van eiser uit hoofde van de legitieme portie in de nalatenschap van vader bedraagt daarmee<emphasis role="bold"> € 57.653,30.</emphasis></para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
          <?linebreak?>2.17.	De conclusie is dat eiser in totaal toekomt een bedrag van € 25.961,30 en € 57.653,30 = <emphasis role="bold">€ 83.614,60</emphasis></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.18.</nr>
      <para>De rechtbank ziet in de familieverhouding tussen partijen aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing in conventie en in reconventie</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie en in reconventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat de legitieme portie van eiser in de nalatenschap van moeder € 25.961,30 bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>verklaart voor recht dat de legitieme portie van eiser in de nalatenschap van vader € 57.653,30 bedraagt, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiser van een bedrag van € 83.614,60 ter zake van de legitieme porties in de nalatenschappen van vader en moeder, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt. </para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2021.<footnote-ref linkend="_3aa8d41d-da03-4d3a-b5d7-12ef742976df" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_3aa8d41d-da03-4d3a-b5d7-12ef742976df" label="1">
    <para>type: CvdD</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>