<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2021:1554</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T11:11:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-04-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 21 _ 314</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2021-1432</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2021050304</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:1554">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:1554</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-26T08:39:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2021:1554 Rechtbank Noord-Nederland , 23-04-2021 / AWB - 21 _ 314</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2021:1554:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In bezwaar is per vergissing geen proceskostenvergoeding toegekend voor het bijwonen van een hoorzitting. Het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand voor het instellen van hoger beroep en het in dit verband maken van kosten acht de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor van 0,5 omdat zij de zaak waarin uitsluitend nog de proceskosten in geschil zijn kwalificeert als licht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2021:1554:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: LEE 21/314</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 april 2021 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente De Fryske Marren, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit heeft verweerder op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] (de onroerende zaak), per waardepeildatum 1 januari 2020, vastgesteld voor het kalenderjaar 2020 op € 498.000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak op bezwaar van 16 december 2020 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de waarde verminderd tot € 448.000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 18 februari 2021 (ingekomen 19 februari 2021) is verweerder aan de grief van verzoekster tegemoetgekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 25 februari 2021 heeft verzoekster het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op dit verzoek gereageerd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Motivering</title>
    <para />
    <para>1. Met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist de rechtbank zonder nader onderzoek als volgt.</para>
    <para />
    <para>2. In de Awb is bepaald dat in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak in de kosten kan worden veroordeeld.<footnote-ref linkend="_996b5d39-aac7-4de2-8e1a-27d89909df5a" /></para>
    <para />
    <para>3. Volgens de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken.<footnote-ref linkend="_4e7467d7-0142-4fb7-90b3-a7dff63675f9" /></para>
    <para />
    <para>4. Gelet op de omstandigheden dat weliswaar sprake is van een kennelijke en evidente vergissing door verweerder maar die vergissing slechts (vrijwel) onmiddellijk kenbaar is voor iemand met enige kennis van het bestuursprocesrecht, en het met de fout gemoeide bedrag niet zeer gering is, is het inroepen van beroepsmatige rechtsbijstand voor het instellen van hoger beroep en het in dit verband maken van kosten niet onredelijk.<footnote-ref linkend="_c6addcc6-d8a8-4aaa-950a-af606eea2260" /> De rechtbank passeert daarom het standpunt van verweerder dat de gemaakte kosten door verzoeker niet kwalificeren als redelijkerwijs gemaakte kosten.</para>
    <para />
    <para>5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verzoekster recht heeft op vergoeding van de in beroep gemaakte kosten overeenkomstig het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht (Bpb). De rechtbank gaat daarbij uit van een wegingsfactor van 0,5 omdat zij de zaak waarin uitsluitend nog de proceskosten in geschil zijn kwalificeert als licht. De kosten aan de zijde van verzoekster begroot de rechtbank op € 267 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 534 per punt met een wegingsfactor van 0,5).</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 360 te vergoeden.<footnote-ref linkend="_609806e9-fc13-4746-834a-229eab12e887" /> Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 267.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.P.D. Mathey-Bal, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Jongsma-van Helden, griffier, op 23 april 2021. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>w.g. griffier		w.g.									rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>Rechtsmiddel</para>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.</para>
  </section>
  <footnote id="_996b5d39-aac7-4de2-8e1a-27d89909df5a" label="1">
    <para>Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin van de Awb.  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e7467d7-0142-4fb7-90b3-a7dff63675f9" label="2">
    <para> Artikel 8:75 Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6addcc6-d8a8-4aaa-950a-af606eea2260" label="3">
    <para> Zie ook Hof Amsterdam, 21 augustus 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3138. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_609806e9-fc13-4746-834a-229eab12e887" label="4">
    <para> Artikel 8:41, zevende lid van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>