<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2021:1097</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-12T10:44:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2021-03-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/830210-16 Ontneming</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:1097">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2021:1097</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2021-04-01T16:41:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2021-04-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2021:1097 Rechtbank Noord-Nederland , 30-03-2021 / 18/830210-16 Ontneming</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2021:1097:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Onderzoek Liriope. Ontnemingsvordering (deels) toegewezen tot een bedrag van € 10.383,80. </para>
      <para />
      <para>Zie ook: ECLI:NL:RBNNE:2021:1051.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2021:1097:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling strafrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer 18/830210-16</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de meervoudige kamer d.d. 30 maart 2021 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [veroordeelde],</bridgehead>
    <parablock>
      <para>hierna te noemen: veroordeelde,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats],</para>
      <para>wonende te [straatnaam], [woonplaats].</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>De officier van justitie heeft op 3 juli 2019 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 183.878,-- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/830210-16 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van de vordering heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 2 maart 2021. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering verlaagd tot € 153.188,78.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de officier van justitie </emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [straatnaam] te Groningen slechts één oogst aannemelijk kan worden gemaakt en dat deze oogst, gelet op de berekening in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en de bijlage bij de ontnemingsvordering, netto € 32.408,30 heeft opgeleverd. Deze opbrengst dient pondspondsgewijs te worden verdeeld onder veroordeelde, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], nu concrete aanwijzingen voor een andere verdeling van de opbrengst ontbreken. Het geschatte voordeel voor veroordeelde bedraagt </para>
      <para>€ 8.359,02 (de rechtbank begrijpt: € 8.102,08).</para>
      <para>Ten aanzien van de hennepkwekerij aan de [straatnaam] te Uithuizen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat drie oogsten aannemelijk kunnen worden gemaakt. Het geschatte voordeel voor veroordeelde bedraagt, zoals weergegeven in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel en de bijlage bij de ontnemingsvordering, </para>
      <para>€ 150.441,94. Daarop dienen nog de reeds betaalde elektriciteitskosten in mindering te worden gebracht, waardoor het voordeel € 144.829,76 bedraagt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt van de raadsvrouw</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen dan wel aanzienlijk te worden gematigd, nu niet is gebleken dat veroordeelde daadwerkelijk voordeel heeft verkregen. Met betrekking tot de hennepkwekerij aan de [straatnaam] te Uithuizen heeft zij aangevoerd dat maximaal een bedrag van </para>
      <para>€ 2.000,-- kan worden toegewezen. Veroordeelde heeft € 11.000,-- verdiend, maar van dat bedrag heeft hij zijn lening voor de kwekerij van € 7.200 moeten terugbetalen. Daarnaast heeft veroordeelde kosten gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 30 maart 2021 in de zaak met parketnummer 18/830210-16 veroordeeld wegens (onder meer) medeplegen van het telen van hennep in de woning aan de [straatnaam] te Groningen en het telen van hennep in zijn woning aan de [straatnaam] te Uithuizen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hennepkwekerij aan de [straatnaam] te Groningen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat bij de schatting van het voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit het dossier blijken sterke aanwijzingen dat de hennepkwekerij aan de [straatnaam] onderdeel is geweest van een grotere organisatie die zich bezighield met grootschalige hennepteelt, waar ook anderen dan veroordeelde deel van uitmaakten. De rechtbank acht niet aannemelijk dat veroordeelde - die in een uitvoerende rol in de hennepkwekerij heeft gehandeld - de opbrengst van de oogst daadwerkelijk als voordeel heeft verkregen. In het dossier bevinden zich geen andere aanknopingspunten op basis waarvan een schatting kan worden gemaakt van het voordeel dat veroordeelde wel zou hebben verkregen, nu het onderzoek van de politie zich daar niet op heeft toegespitst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Hennepkwekerij aan de [straatnaam] te Uithuizen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door hem gepleegde strafbare feit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Anders dan de officier van justitie, volgt de rechtbank bij de schatting van het voordeel niet het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. In het rapport wordt gesteld dat er drie keer is geoogst van het aantal hennepplanten dat op 31 mei 2016 in de hennepkwekerij is aangetroffen. Uit de ingangsdatum van de huurovereenkomst kan naar het oordeel van de rechtbank enkel worden afgeleid dat de kwekerij niet eerder dan 15 oktober 2015 is opgebouwd. De datum waarop daadwerkelijk is begonnen met het opbouwen van de kwekerij volgt hier niet uit. De rechtbank acht de andere in het rapport genoemde aanwijzingen dat sprake is van een periode waarin drie keer is geoogst, onvoldoende concreet. De rechtbank ziet wel aanwijzingen voor een eerdere oogst of eerdere oogsten, maar uit het rapport blijkt onvoldoende duidelijk hoe vaak is geoogst per ruimte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van het voornoemde strafbare feit wordt geschat, de door veroordeelde ter zitting van 2 maart 2021 afgelegde verklaring. Uit deze verklaring volgt dat hij één keer een ruimte met 140 hennepplanten heeft geoogst en dat hij daarmee € 11.000,-- heeft verdiend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank brengt hierop de kosten in mindering conform het BOOM-rapport d.d. </para>
      <para>1 november 2010. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat veroordeelde heeft verklaard dat hij zelf hennepstekken heeft gemaakt, waardoor de kosten die hiervoor worden berekend in het BOOM-rapport niet in mindering zullen worden gebracht. De kosten voor de elektriciteit worden niet in mindering gebracht, nu veroordeelde ter zitting heeft verklaard dat niet hij, maar zijn partner [medeverdachte 2] deze kosten heeft voldaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kosten worden als volgt berekend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrijvingskosten 0 t/m 199 planten: € 150,--</para>
      <para>Variabele kosten: 140 x € 3,33 = € 466,20</para>
      <para>Totale kosten: € 150,-- + € 466,20 = € 616,20</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit levert de volgende berekening op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>€ 11.000,-- (opbrengst) - € 616,20 (kosten) = € 10.383,80.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde € 10.383,80 voordeel heeft genoten. De rechtbank ziet geen grond om de betalingsverplichting op een ander bedrag te stellen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepassing van de wetsartikelen</title>
    <para>De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op </para>
      <para>€ 10.383,80.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 10.383,80 (zegge: tienduizend driehonderddrieëntachtig euro en tachtig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 207 dagen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. R. Baluah, voorzitter, mr. J. van Bruggen en </para>
      <para>mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 maart 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>