<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2020:932</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T20:23:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-02-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-03-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">8199447</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>JONDR 2020/568</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:932">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:932</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-03-06T15:49:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2020:932 Rechtbank Noord-Nederland , 10-03-2020 / 8199447</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2020:932:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verstekvonnis na ambtshalve toetsing: bij akte voldoende toegelicht waarom vervroegd opeisingsbeding geldig is en dat is voldaan aan de zorgplicht van 4:34 Wft, ondanks ontbreken Esic-formulier. Geen sprake van eenzijdige omzetting door Rabo van een ander krediet in Rabo Kort Roodstaan.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2020:932:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Privaatrecht</para>
    <para>Locatie Assen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rolnummer: 8199447 \ CV EXPL  19-7756</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Verstekvonnis van de kantonrechter van 10 maart 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de coöperatie<emphasis role="bold"> Coöperatieve Rabobank U.A., </emphasis>statutair gevestigd te Amsterdam, </para>
      <para>middels fusie d.d. 1 januari 2016 rechtsopvolgster onder algemene titel van de coöperatie Cooperatieve Emmen-Coevorden U.A., voorheen gevestigd en kantoorhoudende te Emmen,</para>
      <para>eisende partij,</para>
      <para>gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,</para>
      <para>gedaagde partij,</para>
      <para>tegen wie verstek is verleend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De eisende partij heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd om de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 1.987,71 met rente en kosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 14 januari 2020 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. Dit tussenvonnis dient als ingelast en herhaald te worden beschouwd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ter zitting van 11 februari 2020 heeft de eisende partij een akte houdende specificatie van de vordering overgelegd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Motivering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter heeft in haar tussenvonnis overwogen dat de door de eisende partij uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie verschaft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv. De kantonrechter heeft de eisende partij bevolen de vordering nader te onderbouwen, al dan niet gebruikmakend van het landelijke informatieformulier. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de eisende partij in ieder geval stukken dient te overleggen waaruit blijkt dat bij het aangaan van de kredietovereenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen en aan de zorgplicht van artikel 4:34 Wft. </para>
        <para>Voorts is het de kantonrechter ambtshalve bekend dat eisende partij in het verleden een groot aantal kredietovereenkomsten heeft omgezet naar Rabo Kort Roodstaan. Daarom heeft de kantonrechter de eisende partij ook verzocht om alle tussen partijen gesloten overeenkomsten met bijbehorende voorwaarden die hebben geleid tot onderhavig gevorderde bedrag en indien van toepassing, de stukken waaruit blijkt dat een eerdere overeenkomst mocht worden omgezet in Rabo Kort Roodstaan en waaruit blijkt dat gedaagde partij akkoord is gegaan met de omzetting. Ten slotte diende de eisende partij de vraag te beantwoorden of er naar aanleiding van de opgevraagde informatie sprake is van een wijziging van eis of de gronden daarvan. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De eisende partij heeft het landelijke informatieformulier ingevuld, producties overgelegd en haar vordering bij akte nader toegelicht. Eisende partij heeft toegelicht dat zij niet meer beschikt over de overeenkomst waarbij het krediet is aangegaan, maar dat de overeenkomst op 26 december 2017 digitaal door gedaagde partij is getekend. Het betreft een Rabo Kort Roodstaan krediet van € 1.900,- waarbij het krediet iedere drie maanden diende te zijn afgelost. Gedaagde partij had een eerder afgesloten krediet met € 200,- verhoogd naar € 1.900,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In brieven van 13 april 2018 en 14 mei 2018 is gedaagde partij aangemaand in verband met overschrijding van het krediet. Gedaagde partij diende er zorg voor te dragen dat de rekening niet meer rood staat dan de overeengekomen kredietlimiet. Daarnaast dient de rekening minimaal één volledige werkdag in de drie maanden een positief saldo te hebben. Partijen zijn een betalingsregeling overeengekomen, maar die werd niet nagekomen door gedaagde partij, waardoor het gehele saldotekort bij brief van 2 juli 2018 in zijn geheel werd opgeëist per 16 juli 2018. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt als volgt. Een vervroegd opeisingsbeding is alleen geldig in de in artikel 7:77 lid 1 sub c BW genoemde gevallen. Uit artikel 7:77 lid 1 sub c BW volgt dat het krediet niet rechtsgeldig vervroegd kan worden opgeëist wegens overschrijding van het krediet. Artikel 7:77 lid 1 sub c BW is op grond van artikel 7:75 lid 1 BW evenwel niet van toepassing op overeenkomsten waarbij de betalingen van de consument plaatsvinden binnen drie maanden nadat de geldsom ter beschikking is gesteld. Daar is in dit geval sprake van, zodat het vervroegd opeisingsbeding geldig is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Ten aanzien van de door de kantonrechter verlangde informatie over de (pre)contractuele informatieverplichtingen stelt eisende partij dat zij niet meer beschikt over het Esic-formulier. Deze is, tezamen met de overeenkomst, niet bewaard gebleven of onvindbaar door de fusie tussen de lokale Rabobanken. De eisende partij staat er echter voor in dat dit formulier aan gedaagde partij is verstrekt. Het is sinds mei 2011 vast beleid om dit formulier bij iedere kredietaanvraag te verstrekken. Het formulier is volgens eisende partij  tezamen met de conceptovereenkomst aan gedaagde partij verstrekt. Op dat moment was gedaagde partij nog op geen enkele wijze aan het aanbod c.q. de conceptovereenkomst gebonden. De informatie in het formulier was veertien dagen geldig, waardoor gedaagde partij geruime tijd heeft gehad om de informatie te doorgronden en desgewenst te vergelijken met andere aanbieders.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De eisende partij heeft gezien het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter thans voldoende informatie verschaft en aannemelijk gemaakt dat zij haar informatieverplichtingen in acht heeft genomen. Het gevorderde komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat dit kan worden toegewezen als na te melden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen € 2.000,89 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.987,71 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van eisende partij begroot op € 103,07 aan dagvaardingskosten, € 486,00 aan vast recht en € 180,00 aan salaris gemachtigde;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>typ/conc: 36330/TG</para>
        <para>coll:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>