<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2020:4308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-04T10:03:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-05-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C18/197599 / PR RK 20-69</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#rekestprocedure">Rekestprocedure</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:4308">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:4308</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-12-04T10:03:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2020:4308 Rechtbank Noord-Nederland , 01-05-2020 / C18/197599 / PR RK 20-69</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2020:4308:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wraking kennelijk ongegrond geen wrakingsgronden te algemeen te weinig concreet</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2020:4308:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C18/197599 / PR RK 20-69</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de meervoudige kamer van 1 mei 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam]
        </emphasis>,	</para>
      <para>wonende te [woonplaats],</para>
      <para>verzoeker,</para>
      <para>gemachtigde H. Visser te Assen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 19 februari 2020 is [verzoeker] in het kader van de jegens hem uitgesproken wettelijke schuldsanering natuurlijke personen als saniet gehoord door de rechter-commissaris.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij brief van 20 februari 2020 aan de klachtenfunctionaris van deze rechtbank heeft Visser voornoemd namens verzoeker diverse klachten met betrekking tot vooringenomenheid van de rechter-commissaris naar voren gebracht.</para>
        <para>Bij brief van 24 februari 2020 heeft de klachtenfunctionaris onder meer het volgende aan Visser doen weten:</para>
        <para>"<emphasis role="italic">Als onderwerp noemt u 'klachten m.b.t. vooringenomenheid'. Over gestelde vooringenomenheid van een rechter kunt u echter geen klachten indienen. Desgewenst staat hiervoor de mogelijkheid van wraking open.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Wat u verder in uw brief schrijft, gaat vrijwel uitsluitend over de inhoud van de zaak. Daarover kan echter evenmin een klacht worden ingediend.</emphasis><?linebreak?><emphasis role="italic">Daarom verzoek ik u ons binnen een week te berichten waarom u vindt dat u bejegend bent op een wijze die niet correct is.</emphasis>"</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij brief van 3 maart 2020 heeft Visser namens verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van de rechter-commissaris mr. N.A. Baarsma in de procedure met nummer C/18/18/497 R.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij schrijven van 13 maart 2020 heeft mr. Baarsma aan de wrakingskamer doen weten niet te berusten in de wraking.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Primair heeft mr. Baarsma bij haar schrijven van 13 maart 2020 onder verwijzing naar artikel 37, eerste lid, Rv verzocht verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek omdat het wrakingsverzoek niet is gedaan "zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden".</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.<?linebreak?>Ingevolge artikel 37, eerste lid, Rv wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.</para>
        <para>Dit laatstbedoelde artikellid borgt daarmee dat het ernstige gebrek dat aan de behandeling van een zaak kleeft wanneer de onpartijdigheid van een rechter in twijfel wordt getrokken, direct kenbaar wordt gemaakt.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>In de wetsgeschiedenis van artikel 37, eerste lid, Rv (MvT, <emphasis role="italic">Kamerstukken II </emphasis>1999/00, 26 855, nr. 3, p. 66) staat dienaangaande dat een wrakingsverzoek kan worden ingediend in elke stand van het geding, dus ook nog na afloop van de behandeling. Het is namelijk zeer wel mogelijk dat dan pas feiten of omstandigheden blijken waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de toelichting volgt dat de mogelijkheid om na afloop van de behandeling een wrakingsverzoek in te dienen in beginsel niet geboden hoeft te worden indien terstond tijdens de zitting zich dergelijke feiten of omstandigheden voordoen. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Het onderhavige wrakingsverzoek is op 3 maart 2020 ingediend, terwijl de zitting is gehouden op 19 februari 2020.<?linebreak?>Uit de overgelegde stukken echter blijkt dat verzoeker tamelijk snel na de zitting de onder 2.1. vermelde brief van 20 februari 2020 aan de klachtenfunctionaris heeft gezonden; verder blijkt daaruit dat de klachtenfunctionaris verzoeker bij brief van 24 februari 2020 heeft gewezen op de mogelijkheid van wraking en hem heeft verzocht om binnen een week te berichten waarom verzoeker vond dat hij bejegend is op een wijze die niet correct is en dat verzoeker daarop ook binnen die week het onderhavige wrakingsverzoek aan de klachtenfunctionaris heeft gezonden. </para>
        <para>Gelet op die gang van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk worden geoordeeld dat het verzoek niet gedaan is zodra de aan de wraking ten grondslag liggende feiten en omstandigheden bekend zijn geworden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank is dan ook van oordeel dat verzoeker ontvankelijk is in zijn verzoek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inhoudelijk</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Ingevolge artikel 36 e.v. Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Uit de wet volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat aan het onderhavige verzoek tot wraking van mr. Baarsma geen concrete feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van mr. Baarsma of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. </para>
        <para>Voor zover in het wrakingsverzoek feiten en omstandigheden zijn vermeld, zijn deze te algemeen en te weinig concreet, zodat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van vooringenomenheid van mr. Baarsma of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Het verzoek tot wraking van mr. Baarsma zal dan ook als kennelijk ongegrond worden afgewezen. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek tot wraking van mr. N.A. Baarsma als kennelijk ongegrond af;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat de procedure met nummer C/18/18/497 R wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;</para>
    <para />
    <para>- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker en <?linebreak?>mr. Baarsma.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs. Th.A. Wiersma, voorzitter, A. Jongsma en M. Sanna, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op <?linebreak?>1 mei</para>
      <para> 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>coll: js (319)</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>