<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2020:2976</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-03T09:52:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-09-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">c/19/127153 / HA ZA 19-110</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:2976">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2020:2976</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-09-03T09:48:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-09-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2020:2976 Rechtbank Noord-Nederland , 02-09-2020 / c/19/127153 / HA ZA 19-110</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2020:2976:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Het voorlopige oordeel van de rechtbank dat uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat de waarde van de fosfaatrechten aan de opfoknemer toekomt, is in het arrest van 28 april 2020 van gerechtshof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2020:1449) bevestigd. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser en gedaagde sprake is van opfok. Gedaagde bracht zijn geïnsemineerde vee van een jaar oud bij eiser onder en nam het na negen maanden, terug en bracht aansluitend nieuw jongvee. Daardoor was er continue jongvee van gedaagde op het bedrijf van eiser aanwezig. Van een tijdelijke situatie van inscharing waarin min of meer toevallig op de peildatum vee op zijn bedrijf aanwezig was, was hier geen sprake. Eiser wordt bewijs opgedragen dat bij de koopovereenkomst in 2017 is overeengekomen dat het restantbedrag (voor de fosfaatrechten) verschuldigd is als en voor zover uit de jurisprudentie duidelijk wordt dat de waarde van de fosfaatrechten in zijn geheel aan de opfokker toekomt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2020:2976:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ffcd8b53-1224-4fc5-b8bc-32fe434e28f9" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="7b3acfb4-939b-4eb9-b6ed-5505bc4c5723" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
      <para>Locatie Assen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/19/127153 / HA ZA 19-110</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 2 september 2020</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [eiser] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>2.	<emphasis role="bold">[eiseres]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>eisers,</para>
      <para>advocaat mr. J.M.M. Kroon te Wageningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. A.A. Bos te Zwolle.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] (in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 8 april 2020;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte uitlating van 6 mei 2020 van [eiser] ;<?linebreak?>- de akte uitlating van 6 mei 2020 van [gedaagde] . <?linebreak?></para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling</title>
    <para>
      <emphasis role="italic">Wat is er in het tussenvonnis overwogen en waar gaat het om?</emphasis>
      <?linebreak?>2.1.	In het tussenvonnis van 8 april 2020 heeft de rechtbank geoordeeld dat [gedaagde] de helft van de waarde van de fosfaatrechten aan [eiser] moet betalen. Wat de andere helft van de waarde betreft, heeft de rechtbank overwogen dat zij voornemens is [eiser] het bewijs op te dragen van zijn uitleg van de koopovereenkomst. Die uitleg luidt dat is overeengekomen dat [gedaagde] het restantbedrag verschuldigd is als en voor zover uit de jurisprudentie duidelijk wordt dat de waarde van de fosfaatrechten in zijn geheel aan de opfokker toekomt. De rechtbank heeft verder overwogen dat die bewijsopdracht alleen zin heeft als er in de jurisprudentie inderdaad duidelijkheid is over de vraag of de fosfaatrechten geheel aan de opfokker toekomen. De rechtbank heeft voorlopig geoordeeld dat die duidelijkheid er nu wel is en dat daaruit kan worden afgeleid dat de waarde van de fosfaatrechten aan de opfoknemer toekomt. De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich over dit voorlopig oordeel uit te laten waarna zij zal beoordelen of het zinvol is de bewijsopdracht aan [eiser] te verstrekken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt [eiser] ?</emphasis>
        <?linebreak?>2.2.	[eiser] is het eens met het voorlopige oordeel van de rechtbank. [eiser] wijst op een aantal uitspraken van rechtbanken van na 1 mei 2018 waarin de opfokker de fosfaatrechten toegekend heeft gekregen. In die uitspraken is volgens [eiser] de lijn uit de jurisprudentie in kort geding consistent voortgezet. Bepalend is wie op de referentiedatum houder was van het jongvee en daarbij is van ondergeschikt belang of de houder ook eigenaar is, aldus [eiser] . Volgens [eiser] is opfok niet te vergelijken met inscharing. <?linebreak?> verzoekt de rechtbank hem de bewijsopdracht te verstrekken. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt [gedaagde] ?</emphasis>
        <?linebreak?>2.3.	[gedaagde] is het niet eens met het voorlopige oordeel van de rechtbank. Volgens [gedaagde] miskent de rechtbank dat de in het tussenvonnis aangehaalde uitspraken alle afkomstig zijn van lagere rechtspraak en van recente datum zijn, zodat het lange tijd kan duren voordat in hoger beroep en cassatie duidelijkheid bestaat over de principiële rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is. Verder meent [gedaagde] dat de rechtbank miskent dat de onderhavige situatie grote overeenkomsten vertoont met de situatie van inscharing. Maatgevend is volgens [gedaagde] niet de naam die partijen aan de overeenkomst geven of de inhoud ervan maar de duur van de periode dat de dieren bij de andere partij verbleven. [gedaagde] wijst op de uitspraak van deze rechtbank van 15 januari 2020 (ECL:NL:RBNNE:2020:138) waar is geoordeeld dat bij inscharing de waarde van de fosfaatrechten moet worden verdeeld tussen uit- en inschaarder in evenredigheid met de tijd waarin zij dieren hebben gehouden. [gedaagde] wijst er op dat zijn vee negen maanden bij [eiser] verbleef, zodat sprake is van een beperkte duur terwijl in de aangehaalde jurisprudentie sprake was van langere duur. Aan een bewijsopdracht wordt volgens [gedaagde] niet toegekomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Blijft de rechtbank bij haar voorlopige oordeel? Ja. </emphasis>
        <?linebreak?>2.4.	Dat het volgens [gedaagde] gaat om vonnissen uit lagere rechtspraak, betekent niet dat die uitspraken geen waarde hebben en dat daar niet op kan worden afgegaan. Bovendien gaat het om uitspraken van vier verschillende rechtbanken. Dat vormt een aanwijzing dat het oordeel dat de waarde van de fosfaatrechten aan de opfoknemer toekomen, binnen de rechtbanken breder gedragen is. Daarbij komt dat het gerechtshof Den Bosch in haar arrest van 28 april 2020 inmiddels (ECLI:NL:GHSHE:2020:1449) de lijn in de aangehaalde jurisprudentie heeft bevestigd en heeft geoordeeld dat een veehouder geen aanspraak kan maken op fosfaatrechten die zijn toegekend aan de opfokker van zijn jongvee. De rechtbank overweegt verder dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] en [eiser] in hun overeenkomst met het woordje 'duidelijkheid' hebben bedoeld te willen wachten totdat de hoogste rechter over deze kwestie heeft geoordeeld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [gedaagde] meent daarnaast dat de verhouding tussen hem en [eiser] meer gelijkenis vertoont met inscharing dan met opfok. De rechtbank is het daar niet mee eens. Het is juist dat de begrippen opfokken en inscharen niet in de wet zijn omschreven, maar in de praktijk is duidelijk dat het bij opfokken gaat om het verzorgen en opfokken van een jong kalf tot een melkkoe. Niet in geschil is dat [eiser] een opfokbedrijf had en dat [gedaagde] zijn geïnsemineerde vee bij [eiser] heeft onderbracht en na negen maanden heeft teruggenomen (tussenvonnis van 8 april 2020 r.o. 2.2). Ook is niet in geschil dat hij aansluitend weer nieuw jongvee bracht. Er was daardoor continu jongvee van [gedaagde] op het bedrijf van [eiser] aanwezig. Dat is wat anders dan (tijdelijke) inscharing, zoals in de situatie waar de door [gedaagde] aangehaalde uitspraak van deze rechtbank van 15 januari 2020 betrekking op had. In die situatie waren in de periode van mei of juni 2015 tot 15 oktober 2015 pinken op het land van een ander ingeschaard. Het was in die situatie een kwestie van geluk of pech dat de wetgever 2 juli 2015 als peildatum had gekozen, waardoor degene op wiens land het vee was ingeschaard, de fosfaatrechten kreeg toegekend. Van een tijdelijke situatie waarin min of meer toevallig op de peildatum vee op zijn bedrijf aanwezig was, is bij [eiser] geen sprake. Daarom heeft de rechtbank in het tussenvonnis in r.o. 4.14 overwogen dat sprake is van een situatie van (continue) opfok. [gedaagde] stelt dat niet de benaming of inhoud van de overeenkomst bepalend is, maar dat de duur van de periode van onderbrenging van het vee maatgevend is. De rechtbank kan [gedaagde] hierin in die zin volgen dat het van de omstandigheden van het geval afhangt hoe een overeenkomst moet worden uitgelegd en hoe deze kwalificeert. De rechtbank verbindt hieraan niet de gevolgen die [gedaagde] wenst te verbinden, namelijk dat de waarde van de fosfaatrechten aan hem zouden toekomen. De reden daarvoor is dat, zoals hiervoor is overwogen, in dit geval geen sprake is geweest van een (tijdelijke) inscharing op de peildatum.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De conclusie is dat de rechtbank bij het voorlopig oordeel blijft zodat aan de bewijsopdracht van [eiser] wordt toegekomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bewijsopdracht</emphasis>
          <?linebreak?>2.7.	[eiser] zal feiten en of omstandigheden moeten bewijzen waaruit valt af te leiden dat bij de koopovereenkomst in 2017 tussen [eiser] en [gedaagde] is overeengekomen dat het restantbedrag verschuldigd is als en voor zover uit de jurisprudentie duidelijk wordt dat de waarde van de fosfaatrechten in zijn geheel aan de opfokker toekomt. <?linebreak?>2.8.	De rechtbank houdt iedere verdere beslissing in afwachting van de bewijslevering aan.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>draagt [eiser] op te bewijzen dat bij de koopovereenkomst in 2017 tussen [eiser] en [gedaagde] is overeengekomen dat het restantbedrag verschuldigd is als en voor zover uit de jurisprudentie duidelijk wordt dat de waarde van de fosfaatrechten in zijn geheel aan de opfokker toekomt. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">16 september 2020 </emphasis>voor uitlating door [eiser] c.s. of hij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en / of door een ander bewijsmiddel,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>bepaalt dat [eiser] c.s., indien hij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel <emphasis role="bold">bewijsstukken</emphasis> wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>bepaalt dat [eiser] c.s., indien hij <emphasis role="bold">getuigen</emphasis> wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op maandagen, dinsdagen, woensdagen en donderdagen in de maanden augustus tot en met oktober 2020 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. S.M. Schothorst  in het gerechtsgebouw te Assen aan Brinkstraat 4,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>bepaalt dat <emphasis role="bold">alle partijen</emphasis> uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor <emphasis role="bold">alle beschikbare bewijsstukken</emphasis> aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>houdt iedere verdere beslissing aan.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.<footnote-ref linkend="_bd573b63-af86-43ec-a246-1eaca26b9f86" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_bd573b63-af86-43ec-a246-1eaca26b9f86" label="1">
    <para>type: CvdD</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>