<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2019:912</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-27T08:49:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE - 18 _ 2260</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:912">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:912</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-10T17:07:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2019:912 Rechtbank Noord-Nederland , 28-02-2019 / LEE - 18 _ 2260</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2019:912:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WIA. MK. Mondelinge uitspraak. Onvoldoende procesbelang werkgever bij beoordeling van haar beroep. Dat 'toetsing aan de poort' had moeten plaatsvinden, betreft een principieel belang. Ook geen gevolgen in de gedifferentieerde premiesfeer, omdat geen WIA-uitkering aan ex-werknemer is toegekend. Beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2019:912:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: LEE 18/2260</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de meervoudige kamer van </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">28 februari 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Heijerman),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: J.A. Klaver).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 13 februari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder aan N. [ex-werknemer] </para>
      <para>(ex-werknemer) meegedeeld dat zij per 16 januari 2018 geen uitkering krijgt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 4 februari 2019 heeft verweerder een afschrift van een beslissing op bezwaar van 13 december 2018 ingezonden, waarbij het bezwaar van de ex-werknemer ongegrond is verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan partijen is telefonisch meegedeeld dat op de zitting van 28 februari 2019 onder meer het procesbelang van eiseres aan de orde zal komen.   </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2019. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering. </para>
    <para />
    <para>2. Bij besluit van 13 februari 2018 heeft verweerder de WIA-aanvraag van [ex-werknemer] , een ex-werknemer van eiseres, afgewezen. Zowel de ex-werknemer als de werkgever hebben hiertegen afzonderlijk bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit van 3 mei 2018 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder de WIA-aanvraag van ex-werknemer niet in behandeling had moeten nemen maar, zonder inhoudelijke beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid, direct een maatregel had moeten opleggen. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiseres procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Er is eerst sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2593). Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 18 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1874). </para>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft ter zitting betoogd dat zij met dit beroep wil bereiken dat er een maatregel wordt opgelegd en dat een juiste toets aan de poort had moeten plaatsvinden. Voorts heeft zij betoogd dat, indien een WIA-uitkering aan ex-werknemer wordt toegekend, de gedifferentieerde WGA-premie dan aan eiseres zal worden doorberekend. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is hierover van oordeel dat, nu geen WIA-uitkering aan eiseres is toegekend, dit resultaat niet met dit beroep kan worden bereikt. Dat, naar eiseres stelt, een toetsing aan de ‘poort’ had moeten plaatsvinden, ziet op een principieel belang en is daarom onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Evenmin zijn er thans gevolgen in de gedifferentieerde premiesfeer, reeds omdat aan de ex-werknemer geen WIA-uitkering is toegekend. Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank niet in welk actueel procesbelang eiseres zou kunnen hebben bij een inhoudelijk beoordeling van wat zij tegen het bestreden besluit in deze procedure heeft aangevoerd. Een mogelijk toekomstig belang levert geen rechtens te honoreren procesbelang op in deze fase van de procedure. </para>
    <para>Indien een eventuele (nieuwe) aanvraag van de ex-werknemer om in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering, leidt tot het per een bepaalde datum toekennen van een WIA-uitkering aan de ex-werknemer, dan kan eiseres als belanghebbende dat toekomstig besluit op dat moment in rechte aanvechten door het aanwenden van een rechtsmiddel. Overigens wijst de rechtbank erop dat bij beslissing op bezwaar van 13 december 2018 het bezwaar van de ex-werknemer tegen de afwijzing van de WIA-aanvraag ongegrond is verklaard. </para>
    <para />
    <para>6. Omdat eiseres naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende procesbelang heeft bij de beoordeling van haar beroep, heeft de rechtbank het beroep niet‑ontvankelijk verklaard. </para>
    <para />
    <para>7. Omdat het beroep niet‑ontvankelijk is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para>8. Partijen zijn op de zitting gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak hoger beroep in te dienen. Dat kan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt als voorzitter en mr. S. Dijkstra en mr. R.L. Herregodts als leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier											voorzitter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>