<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2019:41</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-09T09:21:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-01-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/18/140895/HA ZA 13-136</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:41">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:41</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-04T11:38:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2019:41 Rechtbank Noord-Nederland , 02-01-2019 / C/18/140895/HA ZA 13-136</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2019:41:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Veroordeling deskundigekosten na schikking.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2019:41:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c9ec99e9-9558-44fe-ba64-bd4c6aab27b5" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ea1d913c-836d-4051-92b7-6831b9564ec4" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
      <para>Locatie Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/18/140895 / HA ZA 13-136</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 2 januari 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te Westerlee,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. F. Gosselaar te Winschoten,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te Nieuwe Pekela,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. J.T. Schlepers te Beilen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 26 september 2018;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de binnengekomen brieven zijdens [eiser] en [gedaagde] van 4 december 2018;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>- het proces-verbaal van de zitting van 18 december 2018.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>In de onderhavige procedure is een onderzoek door deskundigen gelast. Bij tussenvonnis van 25 juni 2014 is bepaald: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geding aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundigen gelijkelijk over partijen te verdelen. Omdat [eiser] met een toevoeging procedeert, zal aan haar geen voorschot worden opgelegd. [gedaagde] , die zonder toevoeging procedeert, dient de helft van het voorschot ad € 3.732,00 (de helft van € 6.285,00 +€ 1.179,00 =€ 7.464,00) te betalen.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft een bedrag van € 3.732,00 voldaan. Aan [eiser] is geen voorschot opgelegd, zij heeft niets voldaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 18 december 2018 hebben partijen een minnelijke regeling getroffen, waarbij onder andere is afgesproken dat partijen ieder de eigen kosten dragen. Dit brengt met zich nog besloten moet worden wie van partijen (welk deel van) het loon van de deskundige dient te dragen. Ingevolge (de overeenkomstige toepassing van) artikel 244 lid 2 Rv zal de rechtbank thans (ambtshalve) daarover beslissen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De rechtbank zal [eiser] veroordelen om haar deel van de kosten van de deskundige aan de griffier te betalen, op de wijze zoals hierna weergegeven, en overweegt daartoe als volgt. Voornoemde veroordeling is in lijn met de tussen partijen getroffen regeling waarbij is afgesproken dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. [gedaagde] heeft het bij tussenvonnis van 25 juni 2014 aan hem opgelegde voorschot reeds betaald zodat voor een ambtshalve  veroordeling van [gedaagde] in zijn deel van de kosten van de deskundige geen grond bestaat. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <para>1. veroordeelt [eiser] tot betaling aan de griffier van haar deel van de kosten van de <?linebreak?>		deskundige ad € 3.732,00,</para>
    <para />
    <para>2. bepaalt dat [eiser] voornoemd bedrag dient te betalen overeenkomstig de betalingsinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (hierna: LDCR) binnen twee weken na ontvangst van een daartoe strekkend verzoek van het LDCR.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr.  M.A.B. Faber-Siermann en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>