<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2019:1867</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-02T14:28:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/830025-16</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Assen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:1867">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:1867</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-02T14:28:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2019:1867 Rechtbank Noord-Nederland , 02-05-2019 / 18/830025-16</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2019:1867:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Noordelijke Fraudekamer (NFK). Onderzoek Chryseis. Telefonische acquisitiefraude. </para>
        <para>Veroordeelde is veroordeeld wegens het medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. De rechtbank stelt vast dat veroordeelde voordeel heeft genoten door middel van het plegen van deze strafbare feiten. </para>
        <para>De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 22.064,00 (zegge: tweeëntwintig duizend vierenzestig euro) en verplicht veroordeelde tot betaling van dit geldbedrag aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2019:1867:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling strafrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>parketnummer 18/830025-16	</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">beslissing van de meervoudige kamer d.d. 2 mei 2019, Noordelijke Fraudekamer, op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [veroordeelde], </bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],</para>
      <para>wonende te [straatnaam], [woonplaats], </para>
      <para>hierna: veroordeelde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>De officier van justitie heeft d.d. 17 augustus 2017 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt geschat en dat de rechtbank aan veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 44.460,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/830025-16 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft op 20 december 2018 een conclusie van antwoord ingediend, waarna de officier van justitie een conclusie van repliek heeft ingediend, waaruit volgt dat hij de ontnemingsvordering heeft aangepast, in die zin dat het te ontnemen bedrag is verlaagd naar € 27.580,00. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 21 maart 2019, waarbij de officier van justitie, mr. G. Wilbrink, en de raadsman van veroordeelde, mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen, aanwezig waren. Veroordeelde is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunten</title>
    <para>De officier van justitie heeft zich niet verzet tegen de door de raadsman bij conclusie van antwoord voorgestelde berekening van het wederrechtelijk voordeel op transactiebasis en heeft gevorderd de vordering zoals genoemd in de conclusie van repliek toe te wijzen. De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen ruimte is voor kostenaftrek omdat de aangevoerde kostenposten niet zijn onderbouwd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De raadsman heeft ter terechtzitting voornoemde conclusie van antwoord toegelicht en heeft daarbij aangevoerd dat hij wat betreft de kostenaftrek aansluiting heeft gezocht bij hetgeen hierover is gerelateerd in het rapport voordeelberekening van 31 mei 2016. Uit dit rapport volgt dat er van de door veroordeelde en de medeveroordeelde(n) wederechtelijk ontvangen gelden 20 % dient te worden afgetrokken voor gemaakte kosten.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bewijsmiddelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:</para>
    </parablock>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>De inhoud van het vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank d.d. 19 oktober 2018, inhoudende een bewezenverklaring en bewijsmotivering onder parketnummer 18/830025-16 tegen veroordeelde gewezen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het rapport inzake voordeelberekening artikel 36e lid 1, 2 en 3 van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R015071 d.d. 31 mei 2016, inhoudende de redengevende wettige bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de voordeelsberekening. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para>De rechtbank heeft veroordeelde bij voormeld vonnis veroordeeld ter zake medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van de inhoud van de genoemde bewijsmiddelen is komen vast te staan dat veroordeelde voordeel heeft genoten door middel van de door hem gepleegde strafbare feiten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In voornoemd vonnis heeft de rechtbank bewezen verklaard dat veroordeelde tezamen met zijn medeveroordeelde 4 oplichtingen heeft gepleegd waarbij door de benadeelde partijen in totaal een bedrag van € 55.160,00 is overgeboekt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat de kosten die in rechtstreeks verband staan met het begaan van de strafbare feiten voor aftrek in aanmerking komen, nu voldoende vast is komen te staan dat deze kosten bij/voor de bewezenverklaarde oplichtingen zijn gemaakt. De rechtbank neemt daarvoor, in aansluiting op het rapport inzake voordeelberekening, als uitgangspunt dat er </para>
      <para>20 % aan kosten zijn gemaakt, te weten € 11.032,00. Dit leidt tot het oordeel dat veroordeelde en zijn medeveroordeelde een bedrag van € 44.128,00 aan voordeel hebben genoten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit voornoemd vonnis volgt dat veroordeelde het feit tezamen en in vereniging met zijn medeveroordeelde heeft begaan. Op basis van het dossier is voldoende aannemelijk dat zij de opbrengt hebben gedeeld. Een andere verdeling is op geen enkele wijze naar voren gekomen. De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat veroordeelde een bedrag van € 22.064,00 aan voordeel heeft genoten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Toepassing van de wetsartikelen</title>
    <para>De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 22.064,00.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt <emphasis role="bold">[veroordeelde], </emphasis>voornoemd, de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van <emphasis role="bold">€ 22.064,00 (zegge: tweeëntwintig duizend vierenzestig euro)</emphasis> aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. H.H.A. Fransen en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. A.A. de Haan-Geertsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 mei 2019. </para>
      <para>mr. W.S. Sikkema en mr. C.H. Beuker zijn buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>