<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2019:1865</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T10:07:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/19/126338 / JE RK 19-148</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Assen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:1865">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2019:1865</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-03T09:45:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2019:1865 Rechtbank Noord-Nederland , 01-05-2019 / C/19/126338 / JE RK 19-148</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2019:1865:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>De GI verzoekt vervangende toestemming voor een noodzakelijke medische behandeling, inhoudende dat de jongens worden gevaccineerd volgens het Rijksvaccinatieprogramma. De jongens wonen bij hun vader. Vader wil graag dat zijn zonen worden gevaccineerd. Moeder weigert haar toestemming omdat zij meent dat haar zonen om gezondheidsredenen niet gevaccineerd kunnen worden zonder ernstige risico’s. Moeder onderbouwt dat niet.</para>
        <para>De kinderrechter beoordeelt het verzoek op grond van art. 1:265h BW in samenhang met art. 1:253a BW.</para>
        <para>De kinderrechter verleend de vervangende toestemming voor de vaccinaties.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2019:1865:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Privaatrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Assen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak-/rekestnummer: C/19/126338 / JE RK 19-148	</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 1 mei 2019</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>inzake</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">STICHTING JEUGDBESCHERMING NOORD EN VEILIG THUIS GRONINGEN,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>gevestigd te Assen,</para>
      <para>hierna ook te noemen de GI,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">M,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>wonende te …,</para>
      <para>hierna ook te noemen de moeder,</para>
      <para>advocaat mr. F.B. Flooren, kantoorhoudende te Groningen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>belanghebbende</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">V</emphasis>,</para>
      <para>wonende te ….,</para>
      <para>hierna ook te noemen de vader,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:</para>
    <para>- Het verzoek met bijlagen van de GI van 20 maart 2019, ingekomen bij de griffie op 28 maart 2019;</para>
    <para>- De pleitnota van mr. Flooren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 23 april 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.</para>
      <para>Gehoord zijn:</para>
    </parablock>
    <para>- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. F.B. Flooren,</para>
    <para>- de vader,</para>
    <para>- vertegenwoordigers van de GI.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De feiten:</title>
    <para>De ouders zijn de ouders van:</para>
    <para>- A, geboren op … 2008 te …, hierna te noemen A;</para>
    <para>- B, geboren op …. 2011 te …., hierna te noemen B;</para>
    <para>- C, geboren op …. 2012 te …., hierna te noemen C.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het ouderlijk gezag wordt uitgeoefend door de ouders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De ouders waren al uit elkaar toen hun jongste kind werd geboren.</para>
      <para>De jongens hebben daarna bij hun moeder gewoond tot zij bij beschikking van 20 april 2016 voorlopig aan hun vader werden toevertrouwd. Bij beschikking van 16 april 2018 is het hoofdverblijf van de jongens bij hun vader bepaald.</para>
      <para>De jongens wonen bij hun vader en hebben een contactregeling met hun moeder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De jongens zijn op 13 december 2016 onder toezicht gesteld.</para>
      <para>De ondertoezichtstelling is de laatste keer verlengd tot en met 26 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Motivering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De GI verzoekt op grond van art. 1:265h vervangende toestemming voor een medische behandeling van de jongens. Uit de tekst van het verzoek blijkt dat wordt bedoeld toestemming te vragen voor het vaccineren van de jongens, in overeenstemming met het Rijksvaccinatieprogramma. Dat is ter zitting ook bevestigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vader onderschrijft dit verzoek.</para>
      <para>Hij acht het wenselijk dat alle jongens volledig worden gevaccineerd.</para>
      <para>Ter zitting heeft hij uitgelegd, onder verwijzing naar de vaccinactiebewijzen die hij in zijn bezit heeft, dat hij de indruk heeft dat de oudste volledig is gevaccineerd, dat de middelste nog een vaccinatie mist en dat de jongste helemaal niet is gevaccineerd.</para>
      <para>Het klopt dat de middelste zoon kort na een vaccinatie met spoed in een ziekenhuis is beland omdat hij ernstige koortsstuipen kreeg. Dat was beangstigend. Het kind had ernstige ademnood. Van een hartstilstand is vader niet op de hoogte. De link die moeder ziet met de vaccinatie ziet vader echter niet. Deze jongen had al andere vaccinaties gehad, zonder dat sprake was van problemen. Vader is ook niet bekend met uitspraken van artsen dat dit kind, laat staan zijn broers, om medische redenen niet gevaccineerd zou kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Moeder verzet zich tegen het vaccineren van haar jongens. Daarbij wordt benadrukt dat moeder niet in het "anti-vaccinatie kamp" zit. Zij heeft haar kinderen laten vaccineren, tot een zoon kort na een vaccinatie ernstig ziek werd. Het jongetje was 14 maanden toen het met een traumahelikopter naar het ziekenhuis werd gebracht. Hij had een hele serie zware convulsies en liep blauw aan. Moeder is ervan overtuigd dat hij in de traumahelikopter een hartstilstand heeft gehad. Moeder heeft van een kinderarts in het ziekenhuis gehoord dat ze dit kind en haar andere kinderen niet meer moet laten vaccineren. Hoe die arts heet, dat weet moeder niet meer. Moeder heeft zich ook in de materie verdiept. Dan leest ze dat kinderen met een verhoogd risico op stuipen niet ingeënt moeten worden en in haar familie - niet alleen bij haar kinderen - bestaat dat verhoogde risico volgens moeder. Moeder heeft ook de bijsluiters bij de vaccins opgezocht en heeft gelezen welke hulpstoffen daar verder in zitten. Moeder stelt dat haar kinderen allergisch zijn voor een deel van die stoffen.</para>
      <para>Moeder verzet zich tegen verdere vaccinaties omdat zij meent dat haar kinderen om medische redenen tot die groep kinderen behoren die om veiligheidsredenen niet gevaccineerd kunnen worden.</para>
      <para>Mocht de GI ervoor zorgen dat haar kinderen uitvoerig en grondig worden onderzocht op mogelijke allergische reacties voor de stoffen in de vaccinaties en de mogelijke risico's rond een gevoeligheid voor koortsstuipen en mocht uit dat onderzoek voldoende blijken dat het veilig is, dan geeft moeder alsnog toestemming voor de vaccinaties.</para>
      <para>Namens moeder is ook aangevoerd dat van enig noodzakelijkheid of spoedeisendheid geen sprake is. De kinderen staan al jaren onder toezicht, waarom dit  verzoek nu ineens nodig zou zijn is niet duidelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter overweegt als volgt:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderen staan inderdaad al jaren onder toezicht. Gedurende die periode is de GI met moeder in gesprek om te trachten haar te motiveren om de jongens te laten vaccineren. Dat betwist moeder niet. Dan komt er een keer een eind aan de periode waarin men maar blijft proberen om met moeder in de samenwerking te komen en haar toestemming te krijgen.</para>
      <para>De GI heeft een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot de gezondheid van de jongens. Deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma is daarbij een norm om na te streven. Dat beschermt de gezondheid van deze jongens, maar beschermt ook de gezondheid van de kinderen om hun heen. In een tijd dat de vaccinatiegraad daalt en besmettelijke ziektes die met een vaccinatie voorkomen kunnen worden weer oprukken is dat noodzakelijk. </para>
      <para>Ook vader is een voorstander van het vaccineren van zijn kinderen. De kinderrechter hecht daar waarde aan. De kinderen wonen bij hun vader. Als de kinderen ziek worden is vader degene die voor ze zal moeten zorgen en is vader degene die de pijnlijke vragen over de vaccinatiestatus van zijn kinderen moet beantwoorden. Het is ook vader die zichzelf kan terugvinden in de situatie dat zijn kinderen niet alleen zelf ziek zijn, maar ook een gevaar vormen voor hun omgeving.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dan kan de vraag worden gesteld waarom vader dit probleem niet zelf als een geschil omtrent de uitoefening van het gezag heeft voorgelegd. Gezien de omstandigheden tussen de ouders en de pogingen om de ouders nu juist uit hun strijd te halen valt er wel iets voor te zeggen dat er geen verzoek van vader ligt, maar dat de GI deze kar trekt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de recente jurisprudentie komt de kinderrechter diverse varianten tegen van de beoordeling van dit type verzoeken van een GI.</para>
      <para>De rechtbank Oost-Brabant koos de benadering via artikel 3 lid 1 van het IVRK. Samen te vatten als onvoldoende aannemelijk geworden dat vaccineren nodig is om ernstig gevaar af te wenden voor de gezondheid van het kind, maar bij alle maatregelen betreffende kinderen moeten de belangen van het kind de eerste overweging vormen en in de regel de doorslag geven. (ECLI:NL:RBOBR:2018:4218).</para>
      <para>De rechtbank Rotterdam beoordeelde het verzoek op grond van artikel 1:265h BW in samenhang met artikel 1:253a BW. (ECLI:NL:RBROT:2019:693).</para>
      <para>Het Gerechtshof Den Haag verleende op een verzoek van een vader op grond van art. 1:253a vervangende toestemming. (ECLI:NL:GDHA:2019:331)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gemene deler in de dragende overwegingen van die uitspraken is het uitgangspunt dat het Rijksvaccinatieprogramma is opgesteld ter bescherming van kinderen. Uitgangspunt is dat vaccineren in het belang is van het kind. </para>
      <para>Het Hof schrijft dan "Ondanks andere opinies die in de afgelopen jaren ook naar voren zijn gebracht, is de heersende leer nog altijd dat het Rijksvaccinatieprogramma voldoet en zonder wezenlijke risico's kan worden opgevolgd. Voorts is het van algemene bekendheid dat in medische kringen het gevoerde overheidsbeleid breed wordt gedragen en dat het overgrote deel van de bevolking dit overheidsbeleid ook volgt en kinderen laat deelnemen aan het Rijksvaccinatieprogramma. Het hof acht het dan ook niet in het belang van de minderjarige dat zij, hoe klein de kans mogelijk is, aan een gevaar van meer risico op een ziekte waartegen zij gevaccineerd had kunnen worden wordt blootgesteld."</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter is onder verwijzing naar het voorgaande van oordeel dat de GI dit verzoek op grond van artikel 1:265h BW op dit moment kan doen en dat dit verzoek, mede in samenhang met een beoordeling op grond van 1:253a BW voor toewijzing in aanmerking komt, mits er geen bijzondere medische redenen zijn op grond waarvan deze jongens op grond van hun eigen omstandigheden niet gevaccineerd zouden kunnen worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Die bijzondere omstandigheden stelt moeder wel, maar die onderbouwt zij niet.</para>
      <para>Dat haar middelste kind dusdanig ernstige koortsstuipen kreeg dat hij met grote spoed moest worden opgenomen in een ziekenhuis moet voor moeder - en vader - een afschuwelijke gebeurtenis zijn geweest die grote indruk heeft gemaakt.</para>
      <para>Dat dit een gevolg is geweest van een vaccinatie onderbouwt moeder echter niet. Dat die vaccinatie aan de koortsstuipen vooraf ging maakt nog niet dat daarmee een oorzakelijk verband vast staat. Dat maakt ook niet dat daarmee zou vast staan dat dit kind ook dik zes jaar later niet alsnog gevaccineerd zou kunnen worden. Moeder is bang voor nieuwe hoge koortsen omdat die bij dit kind zo moeilijk onder controle te krijgen zijn, maar zij verliest uit het oog dat de ziekten waar de vaccinaties bescherming tegen bieden ook samen gaan met hoge koorts. </para>
      <para>Moeder is er duidelijk van overtuigd dat de samenhang die zij ziet ook werkelijk aanwezig is, maar die enkele overtuiging volstaat niet. Er is geen arts die deze overtuiging van moeder op dit moment bevestigt.</para>
      <para>Ook de vervolgstap in de gedachtegang van moeder wordt niet onderbouwd. Moeder is ervan overtuigd dat niet alleen het kind dat ziek is geworden na een vaccinatie, maar ook haar andere kinderen niet meer gevaccineerd kunnen worden. Dat baseert ze op een familiale belasting met convulsies en met een verwijzing naar stoffen waar haar zonen allergisch voor zouden zijn. Zij lijkt overtuigd van de juistheid van haar conclusies, maar zij onderbouwt die overtuiging niet. Haar oudste kind heeft een hele serie vaccinaties gehad en de zoon daarna mist er waarschijnlijk nog één. Van doorgemaakte allergische reacties blijkt niets, die stelt moeder ook niet. Waarom dan nu zo aannemelijk zou zijn dat alle drie de jongens eerst uitvoerig zouden moeten worden onderzocht om vast te stellen dat er geen medische redenen zijn op grond waarvan vaccineren onwenselijk is blijkt niet. Moeder onderneemt op dit punt ook geen stappen. Zij wil dat de GI onderzoeken laat doen, waarna zij zal bezien in hoeverre zij voldoende overtuigd is om toestemming te gaan geven. Voor zichzelf ziet ze kennelijk geen rol. De kinderrechter ziet in hetgeen moeder aanvoert echter onvoldoende aanleiding om de GI te verplichten nader onderzoek te laten doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dat maakt dat de kinderrechter het verzoek van de GI zal toewijzen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter zal dat formuleren als het verlenen van toestemming voor een medische behandeling die daaruit bestaat dat de jongens volledig worden gevaccineerd in overeenstemming met het Rijksvaccinatieprogramma.</para>
      <para>Dat biedt alle ruimte om te bezien welke vaccinaties welke kind nog moet ontvangen om helemaal bij te zijn.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De kinderrechter :</para>
    <para />
    <para />
    <para>- verleent aan de GI vervangende toestemming voor de noodzakelijke medische behandeling van alle drie de jongens, waarbij die medische behandeling daaruit bestaat dat de jongens volledig worden gevaccineerd in overeenstemming met het Rijksvaccinatieprogramma;</para>
    <para />
    <para>- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is gegeven te Assen door mr T.M.L. Veen, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op <emphasis role="bold">woensdag 1 mei 2019</emphasis> in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:</para>
              <para>-	door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,</para>
              <para>-	door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.</para>
              <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof<?linebreak?>Arnhem-Leeuwarden </para>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">fn</emphasis>: ***</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>