<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2018:5684</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-19T11:12:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-04-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/18/165671 / HA ZA 16-53</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2018:5684">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2018:5684</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-19T11:11:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2018:5684 Rechtbank Noord-Nederland , 11-04-2018 / C/18/165671 / HA ZA 16-53</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2018:5684:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of tussen hen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. De rechtbank acht dit bewezen. De authenticiteit van de door eiser overgelegde CMR-vrachtbrief wordt niet voldoende gemotiveerd betwist.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2018:5684:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Afdeling privaatrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/18/165671 / HA ZA 16-53</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in de hoofdzaak en in het incident van 11 april 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>buitenlandse rechtsvorm</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">BOZHEI INTERNATIONAL LTD</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Trojan (Bulgarije),</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>advocaat mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] B.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [plaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. M.R.P. Ossentjuk te Groningen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna Bozhei en [gedaagde] genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het vonnis van 7 juni 2017;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van comparitie gehouden op 3 oktober 2017;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de depotakte van Bozhei van 5 oktober 2017;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte uitlating van [gedaagde] van 1 november 2017;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordakte van Bozhei van 29 november 2017.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bozhei is een in Bulgarije gevestigd bedrijf dat zich bezig houdt met de in- en verkoop van houten vloeren. [aandeelhouder van eiser] is enig aandeelhouder. [bestuurder van eiser] is enig bestuurder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] is een vennootschap die zich bezig houdt met de handel in stenen en hout. [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] is bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde] . [manager van gedaagde] is interim-manager in dienst van [gedaagde] en in die hoedanigheid belast met de inkoop. [medewerker van gedaagde] zorgt voor het administratieve proces.   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Tot medio 2009 hielden [bestuurder van eiser] en [manager van gedaagde] elk 50 % van de aandelen in de vennootschap [vennootschap] , een vennootschap die zich bezig houdt met de productie van houten vloeren. [bestuurder van eiser] en [manager van gedaagde] zijn gebrouilleerd geraakt. [bestuurder van eiser] , tevens bestuurder van [vennootschap] , heeft zijn aandelen in deze vennootschap overgedragen. Deze worden thans gehouden door [aandeelhouder van eiser] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Bij e-mail van 11 februari 2013 heeft [bestuurder van eiser] (vanaf e-mailadres bulgawood@ gmail.com) aan [manager van gedaagde] geschreven:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Hallo [manager van gedaagde] , we kunnen morgen starten met de wagen samengesteld voor [gedaagde] . Ik heb redelijk veel 180 en 220 mooi rustiek A/B en daarnaast 1 bis zoals afgesproken de dikte 16 mm. Alles wordt geleverd met micro velling en gestopt/geschuurd zoals gebruikelijk. Ik verwacht te kunnen opleveren over plm 20 dagen, de betaling zoals afgesproken binnen 3 dagen na levering. Prijzen en afspraken conform de mail van 21 januari jl. Op de hierna volgende wagen zit 20 mm, voor akkoord graag even een reactie.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Bij e-mail van 12 februari 2013 heeft [manager van gedaagde] (vanaf e-mailadres [e-mailadres] ) aan [bestuurder van eiser] geschreven:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Dit is accoord, hoe sneller hoe liever wat de klant betreft.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Op 7 maart 2013 heeft [bestuurder van eiser] een e-mail aan [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] gezonden met het verzoek voor betaling van een bedrag van bijna € 40.000,00 zorg te dragen in verband met de vracht hout die (aldus [bestuurder van eiser] ) op maandag 4 maart 2013 is geleverd.     </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>Op 26 november 2013 en 4 november 2014 heeft ten overstaan van rechter-commissaris mr. S.M. Schothorst een voorlopige getuigenverhoor plaatsgevonden waar              [bestuurder van eiser] , [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] , [medewerker van gedaagde] en [manager van gedaagde] na het afleggen van eed of belofte zijn gehoord. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [bestuurder van eiser] heeft (voor zover hier van belang) verklaard:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…) Ik heb nog gevraagd aan welke firma van [gedaagde] ik moet gaan leveren. Ik weet dat ik dat aan [manager van gedaagde] heb gevraagd, ik denk dat ik het ook aan [medewerker van gedaagde] heb gevraagd. [manager van gedaagde] heeft gezegd dat het [gedaagde] B.V. is. De eerdere leveringen waren in juni en augustus 2012. Na augustus zijn de leveringen gestopt. De prijzen waren te laag. [manager van gedaagde] is uiteindelijk akkoord gegaan met een hogere prijs. Dat heeft hij in een e-mail bevestigd, productie 7 bij het verzoekschrift is mijn mail aan [manager van gedaagde] waarin ik refereer aan de overeengekomen prijsafspraken. Daaronder is de mail van [manager van gedaagde] aan mij dat het akkoord is. De auto is geleverd op het bedrijvencomplex. Het was dezelfde locatie als voorheen. Er is ook maar één plek op het terrein waar die grote vrachtwagen kan lossen. Ik was er niet bij, maar ik ben later geweest en heb toen foto’s gemaakt. (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] , bestuurder van [gedaagde] , heeft (voor zover hier van belang) verklaard:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…) Ik heb nooit hout afgenomen van Bozhei, althans dat dacht ik niet. [manager van gedaagde] wel. Er wordt gezegd dat in mijn loods een vrachtje staat. Ik weet niet van wie dat afkomstig is, er staan wel meer vrachten hout in mijn loods. Het zijn er misschien wel 50. De reden dat dit vrachtje niet is betaald, is dat de rekening op de verkeerde naam staat. [manager van gedaagde] koopt hout en hij krijgt geld van mij om dat te betalen. Ik ben alleen geldschieter. De houthandel van [manager van gedaagde] staat los van het werk dat hij voor mij doet. (…) Volgens mij is dit vrachtje niet betaald omdat het adres niet klopte. Dat heb ik van [manager van gedaagde] gehoord. (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [medewerker van gedaagde] , administratief medewerker bij [gedaagde] , heeft (voor zover hier van belang) verklaard:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bij het [gedaagde] wordt ik aangestuurd door [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] (…) Ik heb ook contact met [manager van gedaagde] . Hij is bedrijfsleider van het [gedaagde] . (…) er is ook geleverd door Bozhei. Ik weet niet hoeveel leveringen door Bozhei zijn gedaan. Ik weet niet of er in februari hout is geleverd. Ik teken ook wel vrachtbrieven af. U toont mij een vrachtbrief, productie 2, daar staat mijn handtekening op. Ik heb de levering van de betreffende vracht niet zelf gezien. (…) U zegt mij dat er twee facturen zijn betaald. Ik herinner mij de facturen niet zelf, maar als ze betaald zijn dan heb ik dat in opdracht van [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] gedaan. (…) Ik ben niet bekend met een afspraak dat [gedaagde] geld voorschiet ten behoeve van [manager van gedaagde] . Als dat het geval is, zou dat wel in de boekhouding terug te vinden moeten zijn. Ik weet niet waarom de factuur van maart 2013 niet is betaald. Ik heb de levering in februari 2013 niet gezien. Er kwam een Poolse chauffeur binnen en toen heb ik de vrachtbrief getekend. (…) </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [manager van gedaagde] , interim-manager bij [gedaagde] , heeft (voor zover hier van belang) verklaard:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ik werk halve dagen voor [gedaagde]  . (…) Ik ben interim-manager. Ik doe de inkoop en bepaal het beleid. Ik heb ook een eigen bedrijf, dat is [bedrijf] . Dat bedrijf koopt in en verkoopt vloeren. (…) Ik had wel een afspraak met [gedaagde] dat hij voorschoot wat ik inkocht. (…) Ik heb twee partijen vloer gekocht bij Bozhei International. Dat heb ik gedaan voor [gedaagde]  . Daar bedoel ik mee dat ik het zelf kocht maar dat [gedaagde] voorfinancierde. Het hout ging onder andere naar de bouwmarkt. Een gedeelte heb ik verkocht via mijn eigen bedrijf. Er zouden meer vrachten komen maar die zijn niet gekomen. U toont mij facturen van 13 augustus 2012 en 12 september 2012. Dat waren vrachten voor een grotere klant. U houdt mij voor een rekening van 21 juni 2012. Het zou kunnen dat ik toen een vracht heb gekocht van Bozhei. (…)  </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">In februari 2013 zei [bestuurder van eiser] tegen mij dat ik weer wat moest kopen van [vennootschap] omdat het daar niet goed mee gaat. Daar hebben we afspraken over gemaakt. Ik nam aan dat ik het hout zou afnemen van [vennootschap] omdat [bestuurder van eiser] een collega van mij was van [vennootschap] en de levering door Bozhei een uitzondering was. (…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>In een schriftelijke verklaring van 1 september 2014 heeft [chauffeur] , chauffeur in dienst van transportbedrijf [transportbedrijf] , gevestigd te Plovdiv (Bulgarije), geschreven dat hij op 4 maart 2013 in Nederland een vracht heeft afgeleverd op het adres aangegeven op de door hem ondertekende vrachtbrief.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>Bij akte van cessie van 18 februari 2016 heeft [vennootschap] een vordering van                   € 39.583,03 op [gedaagde] overgedragen aan Bozhei. Als opschortende voorwaarde is in deze akte van cessie bepaald dat de vordering wordt overgedragen in het geval in rechte vast komt te staan dat Bozhei geen vordering op [gedaagde] heeft. De akte van cessie is ondertekend door [bestuurder van eiser] , bestuurder van zowel Bozhei als [vennootschap] .   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>Op 5 oktober 2017 heeft Bozhei een door haar, ontvanger [gedaagde]  B.V. en vervoerder [transportbedrijf] ondertekende CMR-vrachtbrief bij de griffie van de rechtbank in depot gesteld. In de vrachtbrief  (partijen zijn verdeeld over de authenticiteit ervan) is vermeld dat op 4 maart 2013 21 pallets met Oak Flooring aan [gedaagde] zijn geleverd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Bozhei vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 39.583,03, te vermeerderen met wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 26 februari 2013 tot de dag der algehele voldoening en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bozhei heeft het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd</emphasis>:</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.2.1.</nr>
        <para>Bozhei heeft aan [gedaagde] verkocht en op of omstreeks 4 maart 2013 geleverd een partij houten vloerdelen, zulks voor een bedrag van € 39.583,03. Ondanks aanmaningen en sommaties heeft [gedaagde] de aan haar gezonden factuur van 26 februari 2013 onbetaald gelaten.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.2.</nr>
        <parablock>
          <para>De koopovereenkomst is door tussenkomst van bedrijfsleider [manager van gedaagde] op 26 februari 2013 tot stand gekomen. [manager van gedaagde] heeft [gedaagde] vertegenwoordigd. Bozhei verwijst naar de </para>
          <para>e-mailcorrespondentie. Getuige de in het geding gebrachte facturen heeft Bozhei tweemaal eerder producten aan [gedaagde] geleverd. Dat de op 4 maart 2013 geleverde partij hout door [gedaagde] in ontvangst is genomen volgt uit de verklaringen van [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] , [medewerker van gedaagde] , de chauffeur en uit de in depot gestelde CMR-vrachtbrief die door [medewerker van gedaagde] is ondertekend.  </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.2.3.</nr>
        <para>Indien de rechtbank tot de conclusie komt dat niet Bozhei maar [vennootschap] als verkopende partij moet worden aangemerkt, hetgeen Bozhei betwist, doet Bozhei een beroep op de akte van cessie van 15 februari 2016 waarin vorderingen van [vennootschap] op [gedaagde] aan haar zijn overgedragen.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">
          [gedaagde] heeft het volgende verweer gevoerd</emphasis>:</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>
          [gedaagde] betwist dat tussen haar en Bozhei een overeenkomst tot stand is gekomen. Zij heeft houten vloeren van [vennootschap] afgenomen. [gedaagde] heeft de door Bozhei aangehaalde factuur van 26 februari 2013 niet ontvangen en er is geen hout door Bozhei aan haar geleverd. [gedaagde] heeft nimmer zaken met Bozhei gedaan. De overgelegde CMR-vrachtbrief is onleesbaar en daarop is geen datum te zien. Niet duidelijk is wat er vervoerd is en waar is afgeleverd. Uit de verklaring van [manager van gedaagde] volgt niet dat Bozhei aan [gedaagde] heeft geleverd. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.2.</nr>
        <para>In de overgelegde akte van cessie ziet [gedaagde] een bevestiging van haar standpunt dat geen overeenkomst met Bozhei tot stand is gekomen. [gedaagde] betwist de rechtsgeldigheid van deze akte van cessie omdat [bestuurder van eiser] niet bevoegd is [vennootschap] te vertegenwoordigen.  </para>
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.3.</nr>
        <para>De in depot gestelde perfect leesbare CMR vrachtbrief kan niet het origineel betreffen van de eerdere vrachtbrief die in het geding is gebracht want die was nagenoeg geheel onleesbaar. Het doorslagvel met nummer 3 (bestemd voor de vervoerder) is in depot gesteld. Op dit document zijn de blauw gedrukte originele handtekeningen te zien. Het is gebruikelijk om exemplaar 1 te ondertekenen. Kennelijk is exemplaar 3 vervalst en voorzien van een nieuwe tekst.   </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.4.</nr>
        <para>Bozhei stelt in deze procedure dat levering op 15 februari 2013 heeft plaatsgevonden en dat de vrachtbrief in februari 2013 door [medewerker van gedaagde] is ondertekend. Die stelling is onbegrijpelijk want de CMR vrachtbrief is op 4 maart 2013 ondertekend. Dit maakt de verklaringen van Bozhei ongeloofwaardig.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.3.5.</nr>
        <para>Zo er al sprake is van een koopovereenkomst beroept [gedaagde] zich op het haar toekomende opschortingsrecht omdat Bozhei tot op heden niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting tot levering. </para>
        <para />
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="italic">In de hoofdzaak</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Partijen zijn allereerst verdeeld over het antwoord op de vraag of de koopovereenkomst die medio februari 2013 tot stand is gekomen is gesloten tussen [gedaagde] en Bozhei ofwel (hetgeen [gedaagde] ter comparitie na antwoord heeft bepleit) tussen [gedaagde] en [vennootschap] .   </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Ter onderbouwing van de stelling dat een overeenkomst tussen haar en [gedaagde] tot stand is gekomen heeft Bozhei verwezen naar de CMR-vrachtbrief die in het geding is gebracht. Daaruit volgt - zo oordeelt de rechtbank - dat Bozhei op 4 maart 2013 pallets hout aan [gedaagde] heeft geleverd. Weliswaar heeft Bozhei bij dagvaarding een slecht leesbaar afschrift van de CMR-vrachtbrief in het geding gebracht, maar bij akte is een goed leesbaar exemplaar ter griffie gedeponeerd. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar verweer dat het eerste exemplaar geen kopie kan betreffen van deze goed leesbare in depot gestelde versie. Het is een feit van algemene bekendheid dat het kopiëren van een licht gekleurd doorslagvel (waarop de bewuste vrachtbrief is geprint) tot een slecht leesbaar resultaat kan leiden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft de authenticiteit van de CMR-vrachtbrief betwist maar die betwisting is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende gemotiveerd omdat uit de verklaring van [medewerker van gedaagde] volgt dat zij inderdaad een CMR-vrachtbrief heeft ondertekend, naar aanleiding van de aflevering van een partij hout door een Poolse chauffeur. Ter gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor heeft [medewerker van gedaagde] niet betwist dat de handtekening op de ter zitting getoonde CMR-vrachtbrief van haar afkomstig is. Dat het derde in plaats van het eerste doorslagvel van de CMR-vrachtbrief (het derde exemplaar is bestemd voor de vervoerder) door de ontvanger is ondertekend doet - anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd - aan de bewijskracht van het document niet af. De ondertekening door of namens de ontvanger vormt het bewijs van levering van de vracht aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft voorts niet gemotiveerd toegelicht dat een andere dan de in het geding gebrachte vrachtbrief door [medewerker van gedaagde] is ondertekend. De ondertekening van een vrachtbrief waarin partijen als verzender en ontvanger staan omschreven vormt een belangrijke indicatie voor het bestaan van de door Bozhei gestelde overeenkomst.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] zijn verweer dat de overeenkomst met betrekking tot de partij hout niet met Bozhei maar met [vennootschap] tot stand is gekomen niet met redengevende feiten en omstandigheden heeft onderbouwd. [gedaagde] heeft bijvoorbeeld nagelaten relevante stukken in het geding te brengen waaruit volgt dat [vennootschap] medio             4 maart 2013 hout aan haar heeft geleverd. De rechtbank acht daarbij van belang dat de verklaringen van [gedaagde] aan betrouwbaarheid hebben ingeboet. Aanvankelijk heeft [gedaagde] in haar conclusie van antwoord betwist medio februari 2013 houten vloeren van Bozhei of [vennootschap] te hebben gekocht. Ter comparitie maakt zij een wending en luidt haar verweer aldus dat de koopovereenkomst met [vennootschap] tot stand is gekomen. Ook op het punt van de (al dan niet) met Bozhei onderhouden zakelijke relaties zijn tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Aanvankelijk heeft bestuurder [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] verklaard (voor zover hij zich dat kon herinneren) geen zakelijke relaties met Bozhei te hebben onderhouden maar uit de verklaringen van [medewerker van gedaagde] en [manager van gedaagde] volgt dat Bozhei in 2012 ten minste tweemaal hout heeft verkocht aan [gedaagde] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande acht de rechtbank genoegzaam bewezen dat [gedaagde] medio februari 2013 een koopovereenkomst met Bozhei heeft gesloten. Op basis van de aangehaalde CMR-vrachtbrief acht de rechtbank voorts bewezen dat de vracht op 4 maart 2013 is geleverd. Dat is ook in lijn met de verklaring die [bestuurder en aandeelhouder van gedaagde] ten tijde van het voorlopig getuigenverhoor heeft afgelegd: <emphasis role="italic">Er wordt gezegd dat in mijn loods een vrachtje staat. Ik weet niet van wie dat afkomstig is, er staan wel meer vrachten hout in mijn loods. Het zijn er misschien wel 50. De reden dat dit vrachtje niet is betaald, is dat de rekening op de verkeerde naam staat.  </emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Aldus stond het [gedaagde] niet vrij haar betalingsverplichtingen jegens Bozhei op te schorten omdat het hout niet is geleverd. De overige punten van geschil behoeven daarmee geen bespreking. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van het gevorderde bedrag en de nevengevorderde wettelijke handelsrente. De vordering zal derhalve worden toegewezen op de wijze als in het dictum omschreven. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de hoofdzaak en in het incident</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Bozhei in de hoofdzaak, het incident, het verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor en de daaropvolgende enquête en contra-enquête  worden vastgesteld op:</para>
      <para>- explootkosten			77,75	</para>
      <para>- griffierecht		2.518,00  (€ 1.929,00 + € 589,00)</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	4.917,00</emphasis>  (3 punten + 2,5 punten × tarief € 894,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	7.512,75</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de hoofdzaak </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Bozhei van een bedrag van € 39.583,03, te vermeerderen met wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW vanaf 26 februari 2013 tot de dag der algehele voldoening,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">In de hoofdzaak en in het incident</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Bozhei tot op heden vastgesteld op € 7.512,75, </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Duinkerken en in het openbaar uitgesproken op                11 april 2018.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>rh/477</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>