<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2018:4384</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T09:50:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 17/2973 en LEE 17/2975 </psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2018/2445</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2019/2.2.3</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2018/2412</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2018/2885 met annotatie van mr. drs. E.P.A. Brakeboer</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2018-2961</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2018110805</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2018:4384">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2018:4384</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-07T17:03:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2018:4384 Rechtbank Noord-Nederland , 11-10-2018 / LEE 17/2973 en LEE 17/2975 </dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2018:4384:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Omzetbelasting. </para>
      <para />
      <para>Eiser verricht werkzaamheden die bestaan uit budgetbeheer, budgetbegeleiding en budgetadvisering, al dan niet met gebruikmaking van de instrumenten beschermingsbewind of curatele. </para>
      <para />
      <para>De rechtbank oordeelt dat de werkzaamheden die eiser verricht, vallen onder de vrijstelling uit artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de omzetbelasting 1968. Onder het in dit wetsartikel gebruikte begrip ‘schuldhulpverlening’ valt namelijk niet alleen hulp bij het oplossen van problematische schulden, maar ook schuldpreventie.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2018:4384:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: LEE 17/2973 en LEE 17/2975 </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 11 oktober 2018 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, te Lelystad, eiser</para>
    <para>(gemachtigde: P.I.M. Cramer RB),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen</emphasis>, verweerder</para>
    <para>(gemachtigde: [naam] ).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Procesverloop</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft voor het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd in de omzetbelasting ten bedrage van € 9.304. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 1.596 aan heffingsrente in rekening gebracht en een verzuimboete opgelegd van € 930. De naheffingsaanslag is gedagtekend 24 december 2016.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft voor het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 aan eiser een naheffingsaanslag opgelegd in de omzetbelasting ten bedrage van € 5.594. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 228 aan belastingrente in rekening gebracht en een vergrijpboete opgelegd van € 318. De naheffingsaanslag is gedagtekend 24 december 2016.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bij uitspraken op bezwaar van 28 juli 2017 heeft verweerder de boetebeschikking  betreffende het tijdvak 1 januari 2015 tot en met 31 december 2015 vernietigd en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Eiser heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft gelijktijdig met de zaken LEE 17/2972 en LEE 17/2974, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting over respectievelijk de jaren 2010 en 2012 tot en met 2014, plaatsgevonden op 12 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] , [naam] en [naam] . </para>
    <para>De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen - conform de tijdens de zitting gemaakte afspraken - in de gelegenheid te stellen om een vaststellingsovereenkomst te sluiten en deze aan de rechtbank te zenden. Bij brief van de zijde van verweerder van 14 september 2018 heeft de rechtbank de hiervoor bedoelde vaststellingsovereenkomst ontvangen. Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat eiser de beroepen met zaaknummers LEE 17/2972 en LEE 17/2974 heeft ingetrokken. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek in de onderhavige zaken, zonder nadere zitting, gesloten. Partijen hebben tijdens de zitting op 12 juni 2018 ingestemd met deze gang van zaken. </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Overwegingen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Feiten</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.  </para>
  <parablock>
    <para>1.1	Eiser exploiteerde van 1 februari 2010 tot en met 31 december 2015 een eenmanszaak onder de handelsnamen [advieskantoor] en ' [administratiekantoor] '. In het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat als omschrijving van de activiteiten vermeld:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">"Administratiekantoor en fiscaal advieskantoor. Het verzorgen van budget en inkomensbeheer, PGB-beheer, bewindvoering en financiële ondersteuning bij aanvraag en uitvoering schuldsaneringstraject."</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.2		De feitelijke werkzaamheden van [advieskantoor] bestonden uit budgetbeheer, </para>
    <para>budgetbegeleiding en budgetadvisering, al dan niet met gebruikmaking van de instrumenten </para>
    <para>beschermingsbewind of curatele (verder: de diensten). Eiser verrichtte de diensten vrijwel </para>
    <para>uitsluitend voor personen met een verstandelijke beperking (licht verstandelijk </para>
    <para>gehandicapten), die een gemiddeld IQ hebben van tussen de 70 en 80 (verder: de cliënten). </para>
    <para>Geen van eisers cliënten is in staat om zelfstandig zijn financiën te beheren.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.3		De cliënten kunnen verder worden onderverdeeld in drie categorieën, te weten cliënten die:</para>
  </parablock>
  <para>1. in een 24-uurs zorginstelling verblijven;</para>
  <para>2. woonachtig zijn in een zelfstandige woning van een zorginstelling en via ambulante dienstverlening hun zorg ontvangen;</para>
  <para>3. geheel zelfstandig wonen, onder toezicht staan van een zorginstelling en via ambulante dienstverlening hun zorg ontvangen.</para>
  <parablock>
    <para>1.4		Verweerder is op 27 oktober 2015 een boekenonderzoek gestart bij eiser. Verweerder heeft daarvan een rapport opgemaakt, gedateerd 13 september 2016. In dit rapport staat onder meer het volgende vermeld:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">"</emphasis>
      <emphasis role="bold italic">1.1 Reikwijdte van het onderzoek</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften:</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>
    <emphasis role="italic">-	omzetbelasting van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015.</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="italic">Het onderzoek heeft zich beperkt tot het beoordelen van de volgende elementen van de aangiften omzetbelasting (hierna: OB):</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="italic">-	de beoordeling of de volgens de administratie verschuldigde belasting aansluit bij de ingediende aangiften over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 30 juni 2015;</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="italic">-	de beoordeling of op een deel van de verrichtte prestaties een vrijstelling voor de OB van toepassing is;</emphasis>
  </para>
  <para>
    <emphasis role="italic">(…).</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">5.4 Berekeningen OB</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Tijdens het onderzoek heb ik de belastingplichtige diverse keren verzocht om toezending van de oorspronkelijke kolommenbalansen en overzichten OB over de jaren 2011 tot en met 2013. Ik heb deze niet mogen ontvangen. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik heb de verschuldigde OB over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015 dan ook bepaald op basis van de mij wel voorhanden informatie.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">Jaar 2011</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De omzet volgens de bij de Belastingdienst ingediende</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">jaarrekening bedraagt € 78.745.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De verschuldigde OB bedraagt € 78.745 x 19%				€ 14.961,55</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De voorbelasting volgens het jaaroverzicht OB bedraagt     -/-/	</emphasis>
      <emphasis role="underline italic">€   1.931,77</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Verschuldigde (afgerond) 									€ 13.029,00</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Aangegeven op kwartaalaangiften							</emphasis>
      <emphasis role="underline italic">€   3.728,00</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Te betalen 												€  9.301,00</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">* 	Met dagtekening 14 oktober 2015 heeft de belastingplichtige een suppletie OB voor een te betalen bedrag van € 1.895 ingediend. Deze suppletie is op 16 oktober 2015 door de Belastingdienst ontvangen en wordt daarom door mij niet als een vrijwillige verbetering aangemerkt. </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">Tijdvak 1 januari 2015 tot en met 30 juni 2015:</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De onderstaande bedragen zijn ontleend aan</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">het overzicht OB.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Inkomsten [namen opdrachtgevers]</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic"> / bijz. bijstand en overige instellingen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">in totaal € 17.394,24 x 21/121								€ 3.018,83</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Overige omzet € 21.951,62 x 2l%							</emphasis>
      <emphasis role="underline italic">€ 4.609,84</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">														€ 7.628,67</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De voorbelasting bedraagt								-/-	</emphasis>
      <emphasis role="underline italic">€ 1.525,72</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Verschuldigd (afgerond)									€ 6.102,00</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Aangegeven op kwartaalaangiften							</emphasis>
      <emphasis role="underline italic">€ 2.920,00</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Te betalen												€ 3.182,00</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">* Volgens het overzicht OB is er over dit tijdvak een bedrag van € 380 te weinig </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">   aangegeven en betaald.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">Tijdvak 1 juli 2015 tot en met 31 december 2015:</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De belastingplichtige heeft op de aangiften over dit tijdvak in totaal een bedrag</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">van € 13.900 aangegeven als omzet nultarief.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Ik heb de belastingplichtige diverse keren verzocht om toezending van een</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">kolommenbalans over het derde kwartaal 2015. Deze heb ik echter niet mogen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">ontvangen. Ik ga er dan ook vanuit dat het bovenstaande bedrag de omzet betreft</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">die betrekking heeft op budgetbeheer, bewindvoering en curatele en die door de</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">belastingplichtige als vrijgesteld van OB wordt aangemerkt.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De Belastingdienst heeft beoordeeld of op de werkzaamheden van " [advieskantoor] " een</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">vrijstelling voor de OB van toepassing is. Het standpunt is dat er geen vrijstellingen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">van toepassing zijn. Dit betekent dat de prestaties die de belastingplichtige heeft</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">verricht belast zijn voor de OB en dat hij over de ontvangen vergoedingen OB is</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">verschuldigd. Hij is dan ook OB verschuldigd over het bovenstaande bedrag.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">De correctie bedraagt € 13.900 x 21/121 is € 2.412.</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">6.1 Omzetbelasting</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">								(…)				 </emphasis>
      <emphasis role="underline italic">	 2011</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Correctie punt 5.4. rapport		(…)				</emphasis>
      <emphasis role="underline italic">€ 	9.301</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Totaal							(…)				</emphasis>
      <emphasis role="italic double-underline">€ 	9.301</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">								(…)				 </emphasis>
      <emphasis role="underline italic">	 2015</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Correctie punt 5.4. rapport		(…)				</emphasis>
      <emphasis role="underline italic">€ 	5.594</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Totaal							(…)				</emphasis>
      <emphasis role="italic double-underline">€ 	5.594</emphasis>
      <emphasis role="italic">"</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>1.5	Bij brief van 3 mei 2017 heeft verweerder eiser verzocht om nadere informatie te verstrekken over de jaren 2010 tot en met 2015. Samengevat heeft verweerder gevraagd om:</para>
  </parablock>
  <para>- een overzicht van de gehanteerde tarieven per jaar;</para>
  <para>- een uitsplitsing van de omzet en de daarover verschuldigde omzetbelasting per jaar naar categorie cliënt en daarbinnen weer naar het soort instrument (zie 1.2);</para>
  <para>- informatie waaruit blijkt dat de cliënten onder beschermingsbewind allemaal kampen met (zeer) problematische schulden;</para>
  <para>- een toelichting op het verschil tussen de werkzaamheden voor personen die onder curatele zijn gesteld en 'gewone' budgetwerkzaamheden. </para>
  <parablock>
    <para>1.6	Op 11 september 2018 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst staat onder meer het volgende vermeld:</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold italic">"1. Partijen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Belanghebbende,</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [eiser]
      </emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Hierbij vertegenwoordigd door</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">de heer P.I.M. Cramer</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Hierna te noemen partij A</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">en</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">de Belastingdienst</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">hierbij vertegenwoordigd door:</emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">
        [naam gemachtigde verweerder]
      </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Hierna te noemen partij B</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">verklaren een vaststellingsovereenkomst te hebben gesloten als bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Overleg en correspondentie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aan de totstandkoming van deze overeenkomst is het volgende voorafgegaan:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">• 	De aanleiding van deze vaststellingsovereenkomst is als volgt. Partij B heeft bij partij</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	A een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding van dit boekenonderzoek is een</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	geschil ontstaan over de vraag voor welke prestaties partij A omzetbelasting is</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	verschuldigd. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een procedure bij de rechtbank. Op</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	12 juni 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De procedure is hierna geschorst met als doel duidelijkheid te krijgen over de in geschil zijnde bedragen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">• 	Tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank is mondeling overeengekomen dat afspraken worden gemaakt over de jaren 2010 tot en met 2015. Deze afspraken</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	hebben betrekking op de vraag welke beroepen partij A intrekt, de in geschil zijnde</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	bedragen, de verdeling van omzet van partij A over de verschillende categorieën, de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	opgelegde verzuimboeten, de proceskostenvergoeding en de immateriële</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	schadevergoeding.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">• 	Mondeling overleg tussen partijen na de zitting van 12 juni 2018.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">• 	E-mailcorrespondentie tussen partijen op 20 juni 2018 en 27 juni 2018.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Afstand van rechtsmiddelen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Partij A trekt de beroepschriften in van de volgende belastingaanslagen die een gedeelte van het geschil/de onzekerheid vormen van deze overeenkomst:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">• 	1950.80.142.F.01.0501 </emphasis>(N.B. de rechtbank merkt op dat deze aanslag het jaar 2010 betreft)</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">• 	1950.80.142.F.01.4501 </emphasis>(N.B. de rechtbank merkt op dat deze aanslag de jaren 2012 tot en met 2014 betreft)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Feiten</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Partijen gaan ervan uit dat de volgende feiten zich hebben voorgedaan en als zodanig tussen partijen zullen gelden:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">• 	Partij A heeft vanwege een beroep op de vrijstellingen zoals genoemd in onderdeel 2 van</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	deze overeenkomst over een deel van zijn omzet geen omzetbelasting voldaan in de jaren</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	2010 tot en met 2015.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">• 	Voor de jaren 2011 en 2015 hebben partijen in onderling overleg het in de bijlage van</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	deze overeenkomst opgenomen overzicht opgesteld. Dit overzicht is gebaseerd op de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	bijgevoegde achterliggende klantgegevens afkomstig uit de administratie van partij A. Dit overzicht en de achterliggende klantgegevens maken onlosmakelijk deel uit van deze</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	overeenkomst.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">•	In het hiervoor genoemde overzicht is de omzet waarover partij A geen omzetbelasting</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">	heeft voldaan uitgesplitst in de volgende categorieën:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">o 	Type cliënt</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">▪ 	Verblijvend in een 24-uurs zorginstelling</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">▪ 	Woonachtig in een zelfstandige woning van een zorginstelling</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">▪	Zelfstandig wonend met ambulante begeleiding</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">o 	Aard van de werkzaamheden</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">▪ 	Budgetbeheer</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">▪ 	Beschermingsbewind (niet zijnde schuldenbewind)</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">▪ 	Schuldenbewind</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">▪ 	Curatele</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">•	In de hiervoor genoemde klantgegevens zijn de volgende gegevens opgenomen:</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">o 	Omvang vermogen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">o 	Omvang schulden</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">o 	Soort inkomen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">o 	Hoogte maandelijks inkomen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Griffierechten, kosten juridische bijstand en immateriële schadevergoeding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Partij B zal aan belanghebbende conform de uitspraak van de rechtbank het betaalde</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">griffierecht vergoeden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Partij A heeft beroepschriften ingediend tegen vier uitspraken op bezwaar. Op grond van</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht is sprake van samenhangende zaken.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Omdat het vier samenhangende zaken betreft dient het aantal punten voor alle zaken samen</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">bij het bepalen van een proceskostenvergoeding te worden vermenigvuldigd met 1,5.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Doordat de opgelegde verzuimboeten bij de naheffingsaanslagen over de jaren 2010 tot en</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">met 2014 worden vernietigd is het beroep tegen deze naheffingsaanslagen gegrond. Omdat</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">partij A twee beroepschriften intrekt doet de rechtbank uitspraak op twee beroepschriften.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Partijen komen overeen dat de door partij B te vergoeden proceskostenvergoeding € 1.503</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">bedraagt. Deze vergoeding van € 1.503 is voor de vier procedures gezamenlijk; 2 punten voor het beroepschrift en het verschijnen, een vermenigvuldiging met 1,5 punt omdat er sprake is van vier samenhangende zaken en een proceskostenvergoeding van € 501 per punt. Partij B zal het verschil tussen het bedrag van € 1.503 en het door de rechtbank toegekende bedrag na de uitspraak van de rechtbank aan partij A uitbetalen/verrekenen met openstaande schulden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Partij A verklaart dat belanghebbende de rechtbank niet op grond van artikel 8:73a Awb en/of artikel 8:75a Awb zal verzoeken partij B bij afzonderlijke uitspraak in de proceskosten te veroordelen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag over het jaar 2010 is op 5 februari 2016 door partij B ontvangen. Op 28 juli 2017 is uitspraak op bezwaar gedaan. Op grond van de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">jurisprudentie van de Hoge Raad heeft partij B hierdoor bij de behandeling van het</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">bezwaarschrift de redelijke termijn overschreden. Op grond van deze jurisprudentie bedraagt de redelijke termijn voor de bezwaarfase een half jaar. Partij B heeft echter pas na anderhalf jaar uitspraak op bezwaar gedaan. Dit betekent dat Partij A recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 1.000. Partij B zal dit bedrag na de uitspraak van de rechtbank aan partij A uitbetalen/verrekenen met openstaande schulden.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In de bijlagen 2 en 3, gevoegd bij de hiervoor geciteerde vaststellingsovereenkomst, staat verder onder meer vermeld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">"Naheffingsaanslag 2011 			€ 9.304</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">										Categorie I 	Categorie II	Categorie III	 Totaal</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Budgetbeheer zonder schulden	€ 4.700	€ 3.572		€       -		€ 1.128		€ 4.700</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Budgetbeheer met schulden	€ 2.712	€ 2.404		€       -		€    308		€ 2.712</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Curatele	€      58	€      58		€       -		€        -		€      58</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewindvoering zonder schulden	€    476	€    286		€       -		€    191		€    476</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewindvoering met schulden	€ 1.357	€    582		€     97		€    679		€ 1.357</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totaal	€ 9.304	€ 6.902		€     97		€ 2.305		€ 9.304</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Naheffingsaanslag 2015 			€ 5.594</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">										Categorie I 	Categorie II	Categorie III		</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Budgetbeheer zonder schulden		€ 2.872	€ 1.885		€     180		€    808		€ 2.872</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Budgetbeheer met schulden			€    319	€    191		€   	    -		€    128		€    319</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Curatele							€    160	€    160		€         -		€        -		€    160 Bewindvoering zonder schulden		€    642	€    214		€         -		€    428		€    642</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bewindvoering met schulden			€ 1.601	€    356		€        -		€ 1.245		€ 1.601</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Totaal							€ 5.594	€ 2.806		€     180	   	€ 2.608	       € 5.594"</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geschil en beoordeling</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de naheffingsaanslagen omzetbelasting terecht heeft opgelegd aan eiser. Meer in het bijzonder gaat het om het antwoord op de vragen of de diensten van eiser zijn vrijgesteld op grond van:</para>
    <para>- artikel 11, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB); of</para>
    <para>- artikel 11, eerste lid, onderdeel f van de Wet OB, in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting en post b.33 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit; of</para>
    <para>- rechtstreekse werking van artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: Btw-richtlijn).</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>In deze uitspraak komen verschillende vrijstellingen uit artikel 11, eerste lid, van de Wet OB aan de orde. Voor de leesbaarheid zal de rechtbank deze steeds aanduiden als '11-1', gevolgd door de letter van het onderdeel waaronder de betreffende vrijstelling in het eerste lid van dat wetsartikel staat vermeld. Het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting zal de rechtbank aanduiden als 'Uitvoeringsbesluit' en post b.33 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit (in verbinding met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit) als 'post b.33'.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 11-1-c van de Wet OB. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Volgens eiser vallen de diensten die hij verricht onder de vrijstelling van artikel 11-1-c van de Wet OB. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser allereerst gesteld dat zijn diensten kenmerkend en essentieel zijn voor, dan wel nauw samenhangen met, de verzorging en verpleging van de cliënten. Eiser heeft verder gesteld dat de vrijstelling ook geldt voor het beheer van bewonersgelden als dat beheer wordt uitgevoerd door een ander dan de instelling waar de betreffende cliënt verblijft. Eiser heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden van 7 november 2007 (ECLI:NL:GHLEE:2007:BB7492). Tot slot heeft eiser gesteld dat de Staatssecretaris van Financiën in onderdeel 4.1 van zijn Besluit van 6 februari 2010 (DGB2010/270M) (hierna: het Besluit) de voorwaarde dat - kort gezegd - geen sprake mag zijn van een winstoogmerk, heeft laten vallen.</para>
      <para />
      <para />
      <para>4. Verweerder heeft aangevoerd dat eiser geen instelling is in de zin van artikel 11-1-</para>
      <parablock>
        <para>c van de Wet OB. Verder verzorgt of verpleegt eiser volgens verweerder zelf geen cliënten, </para>
        <para>zodat de diensten van eiser daarmee evenmin nauw kunnen samenhangen. Verweerder heeft </para>
        <para>daarnaast nog aangevoerd dat eiser ook niet voldoet aan de voorwaarden die het Besluit </para>
        <para>stelt aan commerciële verpleeg- en/of verzorgingsinrichtingen om in aanmerking te komen </para>
        <para>voor de vrijstelling van artikel 11-1-c van de Wet OB. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 11-1-c van de Wet OB is van </para>
        <para>omzetbelasting vrijgesteld het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen </para>
        <para>personen, alsmede de handelingen die daarmee nauw samenhangen, waaronder begrepen het </para>
        <para>verstrekken van spijzen en dranken, geneesmiddelen en verbandmiddelen aan die personen. </para>
        <para>Op grond van de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden van 7 november 2007 en de </para>
        <para>verwijzing naar die uitspraak in de inleiding van het Besluit geldt de vrijstelling ook voor </para>
        <para>diensten die een afzonderlijk geheel vormen en die kenmerkend en essentieel zijn voor de </para>
        <para>verzorging en verpleging van in de inrichting opgenomen personen, ook als deze diensten </para>
        <para>door een derde worden verricht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat eiser geen inrichting is in de zin van artikel 11-1-c van de Wet OB. Partijen zijn het er verder over eens dat de diensten die eiser voor zijn cliënten verricht (zie 1.2) niet kunnen worden aangemerkt als het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen. Op beide punten deelt de rechtbank de visie van partijen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>De rechtbank is verder van oordeel dat de diensten die eiser verricht, op zichzelf beschouwd, niet kenmerkend en essentieel zijn voor het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen. Anders dan in de uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden van 7 november 2007, waar het de invulling van een zinvolle dagbesteding betrof, gaat het in eisers geval om het beheer van de financiën. De rechtbank heeft daarbij in ogenschouw genomen dat volgens eiser geen van zijn cliënten (wat hun verstandelijke vermogens betreft) in staat is om een financiële huishouding te voeren. Ter zitting heeft eiser daaraan toegevoegd dat hij doorgaans door de persoonlijk begeleiders van zijn cliënten wordt ingeschakeld. De persoonlijk begeleiders doen dit omdat zowel zijzelf als de naasten van de cliënten niet bereid of in staat zijn het budgetbeheer, de budgetbegeleiding en/of de budgetadvisering voor hun rekening te nemen. De rechtbank leidt hieruit af dat eiser vooral uit praktische overwegingen wordt ingeschakeld. Niet aannemelijk is geworden dat de diensten van eiser van essentieel belang zijn voor het psychosociaal welbevinden van zijn cliënten en daarmee kenmerkend en onontbeerlijk zijn voor het bereiken van de doelstellingen van de instelling waar zijn cliënten zijn opgenomen en worden verpleegd of verzorgd. In zoverre treft de verwijzing van eiser naar voormelde uitspraak van het gerechtshof Leeuwarden van 7 november 2007 geen doel. De crux is dat het beheer van de financiën volgens de rechtbank geen taak is die rechtstreeks onder de verzorging of verpleging moet worden begrepen en als zodanig vanuit de instelling aan een derde (eiser) is uitbesteed. In plaats daarvan ziet de rechtbank de diensten van eiser als afzonderlijke diensten aan personen die 'toevallig' in een instelling als bedoeld in artikel 11-1-c Wet OB zijn opgenomen. Dat die personen zelf geen verantwoord beheer van hun financiën kunnen voeren, maakt die diensten nog niet verzorgend of verplegend van aard.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4</nr>
      <para>Artikel 11-1-c van de Wet OB is ook van toepassing op handelingen die nauw samenhangen met het verzorgen en het verplegen van in een inrichting opgenomen personen. De ratio van deze bepaling is de volgende. Het verblijf van personen in een inrichting veronderstelt een zekere duurzaamheid. Naast verpleging en verzorging kan het zo zijn dat deze personen behoefte hebben aan allerlei bijkomende vormen van hulp. Daarbij kan gedacht worden aan het ter beschikking van kamers, bedden en linnengoed en de verstrekking van eten en drinken. Wanneer uitsluitend het verzorgen en verplegen - in enge zin - zou zijn vrijgesteld van omzetbelasting, zou dit de betreffende instellingen noodzaken tot het voeren van een gedetailleerde omzetbelastingadministratie. Gelet op de maatschappelijke functie van deze instellingen heeft de wetgever een dergelijke administratieve lastenverzwaring onwenselijk geacht. Met andere woorden: de uitbreiding van de vrijstelling voor het verzorgen en verplegen van in een inrichting opgenomen personen met daarmee nauw samenhangende handelingen ziet op en geldt voor de inrichtingen die de verzorging en verpleging verrichten en die de vrijstelling dus al genieten. In de gegeven situatie is dat niet aan de orde en wordt eiser niet geconfronteerd met een extra administratieve last; eiser is immers geen instelling die voor het overige vrijgestelde prestaties jegens de betreffende cliënten verricht. Naar het oordeel van de rechtbank kan eiser ook in zoverre geen beroep doen op de (ratio van de) vrijstelling van artikel 11-1-c van de Wet OB.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 11-1-f van de Wet OB. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Eiser stelt subsidiair dat de diensten die hij verricht, vallen onder de vrijstelling van </para>
      <parablock>
        <para>artikel 11-1-f van de Wet OB, en post b.33. Verweerder betwist dit. Kern van het geschil op </para>
        <para>dit punt is de verschillende uitleg die partijen geven aan het begrip 'schuldhulpverlening' uit </para>
        <para>post b.33.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Eiser stelt dat schuldhulpverlening een verzamelnaam is voor verschillende </para>
      <parablock>
        <para>werkzaamheden, waarbij aan hulpbehoeftige personen hulp wordt verleend bij het beheersen </para>
        <para>en saneren van schulden, maar ook het voorkomen van het ontstaan van (nieuwe) schulden, </para>
        <para>waarbij de bedoelde schulden niet noodzakelijk een problematisch karakter hoeven te </para>
        <para>hebben. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Verweerder heeft aangevoerd dat het begrip schuldhulpverlening niet in de (fiscale) </para>
      <parablock>
        <para>wetgeving is omschreven, zodat moet worden aangesloten bij de betekenis die daaraan in </para>
        <para>het maatschappelijk verkeer en in andere wetten wordt toegekend. Verder kan volgens </para>
        <para>verweerder schuldhulpverlening in het kader van deze vrijstellingsbepaling alleen aan de </para>
        <para>orde zijn als er sprake is van problematische schuldsituaties. Daarvan is volgens verweerder </para>
        <para>sprake als redelijkerwijs is te voorzien dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het </para>
        <para>betalen van zijn schulden, of is opgehouden deze te betalen. Tot slot is schuldhulpverlening </para>
        <para>altijd gericht op het oplossen van schuldenproblematiek, aldus verweerder. Hij heeft in dat </para>
        <para>verband verwezen naar de definitie van het begrip schuldhulpverlening uit artikel 1 van de </para>
        <para>Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, welke wet op 1 juli 2012 inwerking is getreden. </para>
        <para>Deze definitie luidt als volgt: <emphasis role="italic">"het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing </emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijk </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg."</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1</nr>
      <para>De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van artikel 11-1-f van de Wet OB en post b.33 zijn vrijgesteld van omzetbelasting de diensten verricht door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening, met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling, voor zover de diensten niet al kunnen worden gebracht onder artikel 11-1-j van de Wet OB. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil dat de diensten van eiser niet vallen onder de vrijstelling van artikel 11-1-j van de Wet OB. Evenmin is in geschil dat eiser geen bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling verricht (eiser verricht dus geen schuldenbewind, maar alleen beschermingsbewind). De rechtbank onderschrijft beide constateringen. Uit de Algemene aantekening onder Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit volgt verder dat het beogen van winst voor de diensten als bedoeld in post b.33 niet uitmaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat, zoals ook verweerder heeft opgemerkt, het </para>
        <para>begrip schuldhulpverlening als bedoeld in post b.33 niet is gedefinieerd in fiscale wet- of regelgeving. Het is derhalve zaak dat de rechtbank vaststelt wat de fiscale wet- en regelgever met dit begrip bedoeld heeft. De Nota van Toelichting bij het Besluit van 15 december 2005, houdende wijziging van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 in verband met een herziening van de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties alsmede met een aanpassing op enkele onderdelen (<emphasis role="italic">Stb</emphasis>. 2005, 687), bevat de nodige aanknopingspunten. De passage in de Nota van Toelichting die betrekking heeft op post b.33 begint met de constatering dat het bij schuldhulpverlening met name gaat om de activiteiten van de (gemeentelijke) kredietbanken. Naar het oordeel van de rechtbank sluit deze passage andere vormen van schuldhulpverlening dan die door de (gemeentelijke) kredietbanken wordt verleend echter niet uit en evenmin dat de hulpverlening door anderen wordt verricht. Dit blijkt ook uit de Nota van Toelichting zelf, die vervolgt met de constatering dat onder schuldhulpverlening in de praktijk verschillende werkzaamheden vallen, zoals budgetbegeleiding, budgetadvisering, budgetbeheer, schuldregeling in het kader van het minnelijke traject en de afgifte van verklaringen in de zin van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Verder volgt uit de Nota van Toelichting dat instellingen op het gebied van schuldhulpverlening zich bezighouden met de verschillende aspecten daarvan, zoals het bieden van hulp bij het oplossen van problematische schuldsituaties, het voorkomen dat bij de betrokkenen wederom een problematische schuldsituatie ontstaat en het vinden van een financiële oplossing voor problematische schuldsituaties. Naar het oordeel van de rechtbank laat het voorgaande geen andere conclusie toe, dan dat niet alleen hulp bij problematische schulden, maar ook schuldpreventie onder schuldhulpverlening valt in de door de fiscale regelgever bedoelde zin. Immers, het voorkomen van het (opnieuw) ontstaan van problematische schulden is nadrukkelijk als een onderdeel van schuldhulpverlening aangemerkt. Bovendien heeft de regelgever daarvoor niet als voorwaarde gesteld, dat er eerst (of ooit) daadwerkelijk sprake moet zijn geweest van problematische schulden. Anders dan verweerder is de rechtbank dus van oordeel dat niet alleen hulp bij het oplossen van problematische schulden onder schuldhulpverlening valt, maar ook hulp bij het voorkomen daarvan.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.4</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft verder in ogenschouw genomen dat de conclusie dat </para>
        <para>schuldhulpverlening ook preventieve schuldhulp omvat, aansluit bij de ratio van post </para>
        <para>b.33; het gaat immers om de vrijstelling voor sociale en culturele prestaties. Daarbij is de </para>
        <para>uitleg die het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) pleegt te geven aan de </para>
        <para>achterliggende bepaling uit de Btw-richtlijn (artikel 132, eerste lid, onderdeel g), naar het </para>
        <para>oordeel van de rechtbank relevant. Het gaat erom bepaalde diensten van algemeen belang </para>
        <para>goedkoper te maken voor de personen die daar gebruik van (moeten) maken. Het bredere </para>
        <para>maatschappelijke belang staat voorop; het gaat om het sociale karakter van de diensten. De </para>
        <para>rechtbank twijfelt er niet aan dat de diensten die eiser verricht in dit opzicht een sociaal </para>
        <para>karakter hebben. Het is immers van breder maatschappelijk belang dat mensen die hun </para>
        <para>eigen financiën niet kunnen beheren, daar hulp bij krijgen. Ook vanuit deze optiek valt </para>
        <para>schuldpreventie aan die personen onder het begrip 'schuldhulpverlening', zoals dat op grond </para>
        <para>van artikel 11-1-f Wet OB is aangewezen als een dienst van sociale aard. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.5</nr>
      <parablock>
        <para>De verwijzing van verweerder naar de definitie van het begrip schuldhulp- </para>
        <para>verlening in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (zie 8.) leidt de rechtbank </para>
        <para>niet tot een ander oordeel. Niet alleen betreft dat geen fiscale wetgeving, maar de </para>
        <para>de fiscale regelgeving verwijst ook niet naar de definitie uit de Wet gemeentelijke </para>
        <para>schuldhulpverlening. Hieruit volgt ook dat de rechtbank geen onderscheid maakt tussen de </para>
        <para>periode vóór en de periode vanaf de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke </para>
        <para>schuldhulpverlening. De conclusie die de rechtbank hiervoor heeft getrokken over de </para>
        <para>betekenis van het begrip schuldhulpverlening als bedoeld in post b.33, is voor het jaar 2011 </para>
        <para>dus niet anders dan voor het jaar 2015.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.6</nr>
      <parablock>
        <para>Resteert de vraag of de diensten die eiser verricht als schuldpreventie in de </para>
        <para>hiervoor bedoelde zin kwalificeren. Die vraag moet naar het oordeel van de rechtbank </para>
        <para>bevestigend worden beantwoord. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat de klantenkring </para>
        <para>van eiser volledig bestaat uit personen met een zodanige verstandelijke beperking dat zij </para>
        <para>eenvoudigweg niet in staat zijn hun eigen financiële huishouding naar behoren te voeren. </para>
        <para>Zonder de diensten van eiser zouden de cliënten derhalve vrijwel zeker schulden doen </para>
        <para>ontstaan, terwijl zij bovendien niet in staat zouden zijn om te voorkomen dat die schulden </para>
        <para>op enig moment problematische vormen aan zouden gaan nemen. Daarmee is aannemelijk </para>
        <para>dat de diensten van eiser ten minste zijn gericht op schuldpreventie. De rechtbank heeft </para>
        <para>daarbij betrokken dat eiser - onweersproken - heeft verklaard dat ook de persoonlijk </para>
        <para>begeleiders van de betreffende cliënten budgetbeheer noodzakelijk achten. Omdat de </para>
        <para>achtergrond van de klantenkring van eiser volgens de rechtbank doorslaggevend is, maakt </para>
        <para>de indeling in categorieën naar woonsituatie (zie 1.3) niet uit.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.7</nr>
      <parablock>
        <para>Verweerder staat een striktere uitleg van het begrip schuldhulpverlening voor, te weten dat daarvan slechts sprake kan zijn ingeval van eenmaal ontstane problematische schulden. Van problematische schulden is volgens verweerder sprake als een schuldenaar </para>
        <para>- kort gezegd - niet meer in staat is zijn schulden af te lossen. Die striktere uitlegt volgt de rechtbank niet. De rechtbank komt tot dit oordeel nu problematische schulden, als gedefinieerd door verweerder, doorgaans resulteren in een faillissement of een saneringstraject op grond van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Alleen de bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldsaneringsregeling is uitdrukkelijk uitgesloten van toepassing van de vrijstelling van artikel 11-1-f van de Wet OB (zie 9.1). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Daaruit leidt de rechtbank af dat zo lang er nog geen sprake is van faillissement of toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, de vrijstelling van toepassing is. Het is die preventiefase waarin de werkzaamheden van eiser zich bevinden (met als doel een faillissement of de noodzaak tot toepassing van de wettelijke schuldsanering zoveel mogelijk te voorkomen).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.8</nr>
      <para>Op grond van wat de rechtbank onder 9.1 tot en met 9.7 heeft overwogen, is zij van oordeel dat de budgetdiensten die eiser verricht aan verstandelijk beperkte cliënten volledig zijn vrijgesteld van omzetbelasting op grond van artikel 11-1-f van de Wet OB en post b.33 van Bijlage B bij het Uitvoeringsbesluit OB. Dat betekent dat de rechtbank de naheffingsaanslagen en de daarbij horen behorende rentebeschikkingen zal vernietigen en de overige inhoudelijke standpunten van partijen, waaronder het beroep van eiser op de directe werking van de Btw-richtlijn, onbesproken zal laten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verzuimboete</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.1</nr>
      <para>In de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst staat dat de door verweerder aan eiser opgelegde verzuimboete betreffende het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011, wordt vernietigd (zie 1.6, onder punt 6, derde bullet).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.2</nr>
      <para>In het kader van de rechtsbescherming van eiser zal de rechtbank echter niet overgaan tot een niet-ontvankelijkverklaring betreffende het beroep gericht tegen deze boetebeschikking, maar tot grondverklaring van het beroep gericht tegen deze boetebeschikking. Een andere benadering zou immers meebrengen dat wanneer de vernietiging van de boetebeschikking niet wordt voltooid, eiser zich opnieuw tot de (burgerlijke) rechter dient te wenden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Griffierecht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Proceskostenvergoeding </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Partijen zijn onder 9. van de vaststellingsovereenkomst tot overeenstemming gekomen over de omvang van deze kosten (zie 1.6). Omdat de rechtbank niet over vier maar over twee beroepszaken beslist, zal de rechtbank echter niet factor 1,5 wegens samenhang kunnen toepassen. Dit resulteert in een proceskostenvergoeding van (€ 1.503 ÷ 1,5 =) </para>
      <para>€ 1.002.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank: </para>
      </parablock>
      <para>- verklaart de beroepen gegrond; </para>
      <para>- vernietigt de uitspraken op bezwaar;</para>
      <para>- vernietigt de naheffingsaanslagen omzetbelasting, evenals de bijbehorende rentebeschikkingen;</para>
      <para>- vernietigt de boetebeschikking betreffende het tijdvak 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011;</para>
      <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 92 (2 x € 46) aan eiser te vergoeden;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.A.M. Kager, voorzitter, en mr. A. Heidekamp en mr. M. Pelinck, leden, in aanwezigheid van mr. J. Zomer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2018.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier												voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
        </para>
        <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>