<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2017:5130</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-19T08:00:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-12-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 17/1421</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2017:5130">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2017:5130</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-01-19T08:00:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2017:5130 Rechtbank Noord-Nederland , 15-12-2017 / LEE 17/1421</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2017:5130:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De SVB heeft de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS) en een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (TAS), afgewezen. Is eiseres nabestaande in de zin van de TNS/TAS? Doorslaggevend voor het antwoord op die vraag is of eiseres ten tijde van het overlijden van haar moeder met haar in gezinsverband leefde. Daar is geen sprake van; van belang is dat zij op verschillende adressen woonden. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2017:5130:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: LEE 17/1421</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 15 december 2017 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de erven van [naam moeder] , </bridgehead>
    <para>
      [naam eiseres 1] , te [woonplaats] , eiseres 1 en</para>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>
          [naam eiseres 2] , te [woonplaats 2] , eiseres 2,</para>
        <para>gezamenlijk: eiseressen</para>
        <para>(gemachtigde: mr. J.A.H. Matthijssen),</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>en</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder</para>
        <para>(gemachtigde: K. van Ingen).</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 december 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming niet-loondienstgerelateerde slachtoffers van mesothelioom en asbestose (TNS) en een tegemoetkoming op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers 2014 (TAS), afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van  9 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseressen ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseressen hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 1 mei 2016 hebben zij hun standpunt toegelicht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017. Eiseressen en hun gemachtigde zijn, met bericht van verhindering bij brief van 23 november 2017, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Nadat [naam moeder] , de moeder van eiseressen, begin oktober 2016 de diagnose maligne mesothelioom had vernomen, heeft zij op 11 oktober 2016 bij het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) een aanvraag ingediend ter verkrijging van een tegemoetkoming op grond van de TNS/TAS. Op 12 oktober 2016 is de moeder van eiseressen overleden. </para>
    <para />
    <para>2. Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de </para>
    <para>aanvraag afgewezen, omdat geen sprake is van (een) nabestaande(n) in de zin van de TNS/TAS. </para>
    <para>3. Eiseressen hebben het volgende aangevoerd. Eiseres 1 woonde tot 1 oktober 2015 samen met haar moeder in Zuidlaren. Vanaf 1 oktober 2015 heeft eiseres 1 in Groningen gewoond, waar zij ook ingeschreven stond. Eiseres 1 stelt dat zij, hoewel zij in Groningen ingeschreven stond, in gezinsverband met haar moeder leefde. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij ten tijde van haar opleiding maatschappelijk werk bij haar moeder woonde en elke dag heen en weer reisde tussen Zuidlaren en Groningen. Vanwege frequent voorgekomen vertragingen in het openbaar vervoer, kwam zij vaak te laat. Om dat te voorkomen bij haar nieuwe opleiding logopedie heeft zij uit praktische overwegingen besloten een kamer van 12 m2 in Groningen te huren. Zij heeft zich dus vanwege haar studie genoodzaakt gezien te verhuizen naar Groningen. Bijna elk weekend echter verbleef zij bij haar moeder in Zuidlaren, evenals tijdens de vakanties. Ook op doordeweekse dagen verbleef zij wel bij haar moeder. Het grootste deel van het sociale netwerk van eiseres 1 bevond zich in Zuidlaren, zodat zij ook om die reden veel in het ouderlijk huis in Zuidlaren verbleef. Daar komt bij dat zij altijd financieel afhankelijk is geweest van haar moeder. Bovendien had haar moeder een aansprakelijkheidsverzekering met gezinsdekking. Met het voorgaande, zo stelt eiseres 1, is wel degelijk sprake van een nabestaande in de zin van de TNS en de TAS en om die reden dient de aanvraag toegewezen te worden. <?linebreak?></para>
    <para>4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Uitsluitend is in geschil de vraag of eiseres 1 als nabestaande in de zin van de TNS/TAS </para>
        <para>dient te worden aangemerkt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>In artikel 1, eerste lid, aanhef en onder i, van de TNS (Staatscourant 2014 nr. 7712) is </para>
        <para>bepaald dat in die regeling onder nabestaanden wordt verstaan: </para>
        <para>1o.  de langstlevende van de echtgenoten;</para>
        <para>2o. bij ontstentenis van de onder 1o  bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de </para>
        <para>     overledene in familierechtelijke betrekking stond;</para>
        <para>3o. bij ontstentenis van de onder 1o en 2o  bedoelde personen, degenen met wie de </para>
        <para>      overledene in gezinsverband leefde. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In de toelichting bij de TNS staat onder meer het volgende: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“De begripsomschrijving van “nabestaanden”, artikel 1, eerste lid, onderdeel i, onder 3, is zodanig gewijzigd dat daarmee als nabestaanden dezelfde personen worden aangemerkt als diegenen die voor een overlijdensuitkering ingevolge artikel 18 van de Algemene ouderdomswet (hierna: AOW) in aanmerking komen. In de AOW wordt niet langer de eis gesteld dat de overledene voor de nabestaande in de kosten van het bestaan voorzag. Net als in de TAS is de begripsomschrijving van nabestaanden in de TNS in lijn gebracht met de AOW. “. </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>In artikel 1, eerste lid, aanhef, van de TAS (Staatscourant 2014 nr. 8920) is bepaald dat in die regeling onder nabestaanden wordt verstaan: </para>
      <para>a.	de langstlevende van de echtgenoten;</para>
      <para>b. 	bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon, de minderjarige kinderen, tot wie de </para>
      <para>	overledene in familierechtelijke betrekking stond;</para>
      <para>c.	bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen, degenen met wie hij in </para>
      <para>	gezinsverband leefde. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <parablock>
        <para>In de artikelsgewijze toelichting bij de TAS staat ten aanzien van “Nabestaande, tweede </para>
        <para>en derde lid”, voor zover hier van belang: </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“In bepaalde omstandigheden komt het recht op uitkering toe aan de nabestaanden. Als nabestaanden worden dezelfde personen aangemerkt als degenen die voor een overlijdensuitkering ingevolge artikel 18 van de Algemene Ouderdomswet (AOW) in aanmerking komen. Met de echtgenoot wordt gelijkgesteld de geregistreerde partner of degene de met de overledene een gezamenlijke huishouding voerde.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para> Uit de onder 4.2 tot en met 4.5 aangehaalde artikelen en de bijbehorende toelichting uit </para>
        <para>de TNS en de TAS volgt dat ter beantwoording van de vraag of eiseres 1 als nabestaande in de zin van de TNS/TAS moet worden aangemerkt, doorslaggevend is het antwoord op de vraag of zij ten tijde van het overlijden van haar moeder met haar moeder in gezinsverband leefde. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag ontkennend te worden beantwoord.</para>
        <para>De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit het aanvraagformulier blijkt dat bij de vraag naar het aantal inwonende kinderen “0” is vermeld. Vast staat dat de moeder en eiseres 1 op verschillende adressen woonden. De omstandigheid dat eiseres 1 in de weekenden en in de vakanties en ook wel op doordeweekse dagen bij haar moeder verbleef, maakt niet dat sprake was van leven in gezinsverband. De gestelde financiële afhankelijkheid van haar moeder is niet relevant voor het antwoord op de vraag of sprake is geweest van gezinsverband, zoals ook in de toelichting bij de TNS, als weergegeven onder 4.3, staat. Uit de door eiseres 1 ingezonden gegevens van de verzekering(en) van haar moeder kan slechts worden afgeleid dat eiseres 1 onder de aansprakelijkheidsverzekering van haar moeder viel, omdat er op het polisblad “(verzekerd als) gezin” staat. Verweerder heeft te dien aanzien er in het verweerschrift op gewezen dat de aansprakelijkheidsverzekering van Univé ook voor elders wonende studerende kinderen geldt. Dat is niet weersproken. De rechtbank kan zich vinden in de verwijzing door verweerder in het verweerschrift naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 april 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1160). In die uitspraak heeft de CRvB overwogen dat niet aannemelijk was gemaakt dat de betrokkene en haar moeder ten tijde van het overlijden in gezinsverband leefden, waarbij de CRvB er op heeft gewezen dat de betrokkene op het moment van overlijden op een ander adres dan haar moeder woonde. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de rechtbank niet anders kan dan tot de conclusie komen dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres 1 en haar moeder ten tijde van het overlijden in gezinsverband leefden. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het </para>
      <para>beroep moet daarom ongegrond worden verklaard. <?linebreak?></para>
      <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzitter, en mr. C.H. de Groot en <?linebreak?>mr. H. Pieffers, leden, in aanwezigheid van H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 december 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier											voorzitter		</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>