<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2016:2619</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-27T10:47:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-06-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">LEE 15-4335</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2016:2619">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2016:2619</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-06-02T09:42:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2016:2619 Rechtbank Noord-Nederland , 31-05-2016 / LEE 15-4335</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2016:2619:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bijbehorende bouwwerken. Legalisering. Vaste gedragslijn van verweerder niet onredelijk of in strijd met de wet. Beperkende(re) voorwaarden. Tussenuitspraak van de kantonrechter levert in dit geval geen evidente privaatrechtelijke belemmering op.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2016:2619:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer:	LEE 15/4335	</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2016 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eisers], te Schalsum, eisers,</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Franekeradeel</emphasis>, verweerder,</para>
      <para>(gemachtigde: N. la Crois).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als <emphasis role="bold">derde-partij</emphasis> heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende], te Schalsum, vergunninghouder.</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 mei 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bijgebouw en overkapping bij de woning aan de [adres] te Schalsum. Dit ter legalisering van de bestaande situatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 8 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op de zitting van 19 mei 2016.</para>
      <para>Eisers zijn vertegenwoordigd door [eisers], vergezeld door [betrokkene].</para>
      <para>Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
      <para>Vergunninghouder is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eisers hebben bij brief van 13 november 2014 verweerder verzocht om handhavend op te treden ten aanzien van de realisatie van een paardenstal en een paardenbak zonder dat daarvoor de vereiste omgevingsvergunning is verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Vergunninghouder heeft op 5 mei 2015 (alsnog) een aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen van een bijgebouw (een paardenstal) en overkapping bij de woning aan de [adres] te Schalsum bij verweerder ingediend.</para>
        <para>Deze aanvraag heeft betrekking op de navolgende activiteiten:</para>
      </parablock>
      <para>- bouwen;</para>
      <para>- handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij primair besluit van 21 mei 2015 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bijgebouw en overkapping bij de woning aan de [adres] te Schalsum ter legalisering van de bestaande situatie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 15 juni 2015 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Eisers hebben het bezwaarschrift mondeling toegelicht op een hoorzitting van </para>
        <para>26 augustus 2015 van de commissie voor de behandeling van de bezwaarschriften van de gemeente Franekeradeel (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.</para>
        <para>De commissie heeft verweerder bij ongedateerde brief van september 2015 geadviseerd het bezwaarschrift van eisers ongegrond te verklaren en het primaire besluit in stand te laten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Toepasselijke regelgeving</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt de aanvraag in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.</para>
      <para>Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo kan de omgevingsvergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, slechts worden verleend in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De in artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede, van de Wabo bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).</para>
        <para>Op grond van artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, ten tweede, aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor komt voor verlening van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a en ten tweede van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan.</para>
        <para>Op grond van artikel 1 van bijlage II van het Bor wordt onder een bijbehorend bouwwerk verstaan: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.</para>
        <para>Op grond van artikel 1 van bijlage II van het Bor wordt onder erf verstaan: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Aan het perceel is ingevolge het bestemmingsplan “Dongjum, Herbaijum, Hitzum, Oosterbierum, Peins, Ried en Schalsum” de bestemming “Wonen-1” toegekend.</para>
        <para>Ingevolge artikel 19, lid 1 en onder a, van de planvoorschriften zijn de voor “Wonen-1” aangewezen gronden bestemd voor: woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:</para>
      </parablock>
      <para>1. een aan-huis-verbonden beroep c.q. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.</para>
      <para>Ingevolge artikel 19, lid 1 en onder b, van de planvoorschriften zijn de voor “Wonen-1” aangewezen gronden bestemd voor: aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, met daaraan ondergeschikt:</para>
      <para>c.	agrarische bedrijfsactiviteiten, ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch – agrarisch medegebruik”;</para>
      <para>d.	wegen, woonstraten en paden;</para>
      <para>e.	parkeervoorzieningen;</para>
      <para>f.	groenvoorzieningen;</para>
      <para>g.	speelvoorzieningen;</para>
      <para>h.	nutsvoorzieningen;</para>
      <para>i.	water;</para>
      <para>met de daarbij behorende:</para>
      <para>j.	tuinen, erven en terreinen;</para>
      <para>k.	bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.</para>
      <para>Ingevolge artikel 19.2.2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften gelden voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen de volgende regels: de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen, met dien verstande dat:</para>
      <para>1. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw zal bedragen;</para>
      <para>2. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 50% van het erf zal bedragen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Verweerder hanteert een vaste beleidspraktijk (gedragslijn) om planologische medewerking te verlenen aan het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen onder de voorwaarde dat:</para>
      <para>- deze in het achtererf zijn gesitueerd;</para>
      <para>- de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan de oppervlakte van het hoofdgebouw;</para>
      <para>- wordt voldaan aan de overige bouwregels voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.	De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen uitsluitend in geschil is of verweerder in dit geval gebruik heeft kunnen maken van de aan hem toekomende bevoegdheid, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef, onder a ten tweede, van de Wabo, om af te wijken van het bestemmingsplan voor het legaliseren van een overkapping en een paardenstal op voormeld perceel in Schalsum. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het bouwplan in strijd is met artikel 19.2.2, aanhef en onder b en ten eerste, van de planvoorschriften, omdat de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen meer dan 100 m² en meer dan 80% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedraagt.</para>
        <para>Om medewerking te verlenen aan het bouwplan heeft verweerder toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat artikel 4, eerste lid, van de bij het Bor behorende bijlage II een categorie van bouwwerken aanwijst waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede van de Wabo van het bestemmingsplan kan worden afgeweken (vgl. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2516).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet in geschil, en de rechtbank neemt dit als een vaststaand gegeven aan, dat de paardenstal en de overkapping aangemerkt kunnen worden als bijbehorende bouwwerken in de zin van artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Gelet hierop was verweerder bevoegd met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor, een omgevingsvergunning te verlenen ter legalisering van een overkapping en een paardenstal op voormeld perceel te Schaljum.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eisers betogen dat de door verweerder gehanteerde bestendige lijn voor wat betreft planologische medewerking rekbaar en onduidelijk is. Naar de mening van eisers ontstaat daardoor willekeur ten gunste van de vergunninghouder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De in rechtsoverweging 2.3. omschreven vaste gedragslijn van verweerder houdt in dat planologische medewerking wordt verleend aan het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen onder de voorwaarde dat:</para>
      <para>- deze in het achtererf zijn gesitueerd;</para>
      <para>- de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan de oppervlakte van het hoofdgebouw;</para>
      <para>- wordt voldaan aan de overige bouwregels voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde gedragslijn om planologische medewerking te verlenen aan het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen niet op voorhand kennelijk onredelijk. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder aan de toepassing van de hem toekomende bevoegdheid om planologische medewerking te verlenen aan het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, ten opzichte van hetgeen op grond van de in dit verband geldende regelgeving mogelijk moet worden geacht, beperkende(re) voorwaarden heeft gesteld. Verder overweegt de rechtbank dat de door verweerder gehanteerde gedragslijn past binnen de ruimtelijke visie van de raad die is neergelegd in nieuwe bestemmingsplannen, inhoudende dat het aantal vierkante meters aan bijgebouwen niet het aantal vierkante meters van het hoofdgebouw mag overschrijden. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om eisers te volgen in hun stelling dat de door verweerder gehanteerde bestendige gedragslijn in dit geval tot willekeur ten gunste van vergunninghouder heeft geleid. Deze grond van eisers slaagt niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Eisers betogen dat het legaliseren van de paardenstal en de overkapping met zich brengt dat er gebouwd wordt op andermans grond zonder de daartoe strekkende toestemming. In dit verband wijzen eisers erop dat er thans nog een rechtszaak gaande is voor wat betreft de onjuiste kadastrale inmeting van voormelde bouwwerken. Door de vertragingstechniek van vergunninghouder in het civiele geschil is er volgens eisers nog geen einduitspraak gedaan door de rechtbank. Naar de mening van eisers volgt uit de tussenuitspraak dat er in dit geval sprake is van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2014: 407, volgt dat voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12 van de Wabo in de weg staat, slechts aanleiding is indien deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval niet gebleken van een evidente privaatrechtelijke belemmering in vorenbedoelde zin. Een privaatrechtelijke belemmering is evident, indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het bouwplan is voorzien op grond die in eigendom aan een ander toebehoort en die ander daarin niet berust en niet hoeft te berusten. Nu bij de beoordeling van een besluit moet worden uitgegaan van de zich ten tijde van het nemen van dat besluit voordoende feiten en omstandigheden en uit de aanvraag om omgevingsvergunning noch uit de bij de omgevingsvergunning behorende bouwtekeningen zonder meer kan worden afgeleid dat het bouwplan tot overschrijding van de erfgrens zal leiden, heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmering is, die aan de verlening van de omgevings-vergunning in de weg staat (vgl. AbRvS, 6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013: BZ0752). Hierbij heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank mogen betrekken dat er ten tijde van de thans aan de orde zijnde besluitvorming nog geen (eind)uitspraak van de rechtbank was in het civiele geschil, zodat niet  kan worden gesteld dat er in dit geval sprake was van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Vergunninghouder heeft bij brief van 11 mei 2016 een afschrift van de tussenuitspraak d.d. 9 maart 2016 van de kantonrechter (3524622/CV EXPL 14-12215) overgelegd. Hierin heeft de kantonrechter met betrekking tot de gerealiseerde paardenstal onder meer het volgende overwogen:</para>
        <para>“Of sprake is van onrechtmatige hinder hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Niet in geschil is dat Offenga enige hinder ondervindt van de aanwezigheid van de stal nabij de erfgrens. De kantonrechter is echter van oordeel dat Offenga niet heeft onderbouwd dat deze hinder zodanig ernstig is dat deze in de gegeven situatie als maatschappelijk onbetamelijk en daarmee als onrechtmatig moet worden aangemerkt in de</para>
        <para>zin van artikel 5:37 jo. artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij dit oordeel weegt mee dat, gelet op de omvang en hoogte van de stal en de ligging (westen) daarvan ten opzichte van het perceel van Offenga de vermindering van de lichtinval in de tuin van Offenga zeer beperkt is en dat Offenga niet heeft gesteld dat de plaatsing van het raam in strijd is met artikel 5:50 van het BW. Wat betreft de gestelde stankoverlast overweegt de kantonrechter dat zelfs als Offenga zou hebben onderbouwd waarom deze stank ernstige hinder jegens hem oplevert, dit niet tot verwijdering van de stal kan leiden (aangenomen dat de stank wordt veroorzaakt door dieren in deze stal en niet de stal zelf). Tot slot overweegt de kantonrechter dat voor zover Offenga enige hinder van de stal ervaart, deze hinder door verplaatsing van de stal met circa 75 cm niet wordt weggenomen. De vordering zal daarom worden afgewezen.”</para>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank kan evenmin worden gesteld dat uit voormeld vonnis volgt dat ten tijde van de thans aan de orde zijnde besluitvorming sprake was van een privaatrechtelijke belemmering met een evident karakter. Deze grond van eisers slaagt niet. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Voor zover eisers bedoeld hebben te betogen dat een verzoek om planschade bij verweerder zal worden ingediend, indien de omgevingsvergunning gehandhaafd blijft, wijst de rechtbank erop dat een planschadeverzoek geen deel uitmaakt van deze procedure en om die reden geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van de verleende omgevingsvergunning. Ook deze grond van eisers slaagt niet.</para>
      <para />
      <para>7. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep van eisers ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Beslist wordt als volgt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>-	verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T.F. Bruinenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier. </para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier                                                                          De rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
      <para>Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden op:</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>