<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNNE:2014:6247</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2015-11-16T08:53:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Nederland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Nederland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2014-12-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18.820411-13</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001854&amp;artikel=239&amp;g=2014-12-10">Wetboek van Strafrecht 239</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2014:6247">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2014:6247</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2014-12-10T12:11:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2014-12-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNNE:2014:6247 Rechtbank Noord-Nederland , 04-12-2014 / 18.820411-13</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNNE:2014:6247:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verdachte vrijgesproken van aanranding</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNNE:2014:6247:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-NEDERLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Afdeling Strafrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Locatie Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Parketnummer 18/820411-13</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. </emphasis>
    </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">4 december 2014 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [verdachte],</emphasis>
    </para>
    <para>geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],</para>
    <para>wonende te [adres].</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2014.</para>
    <para>De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.</para>
    <para>Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E. van Sloten.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 28 juli 2013 te Veendam, door geweld of (een) andere</para>
      <para>feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere</para>
      <para>feitelijkhe(i)d(en [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van</para>
      <para>een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het ontbloten van een</para>
      <para>borst van die [slachtoffer] en bestaande dat geweld of die andere</para>
      <para>feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere</para>
      <para>feitelijkhe(i)d(en) uit</para>
      <para>-het voor die [slachtoffer] gaan staan en/of</para>
      <para>-het onverhoeds vastpakken van het topje en/of B.H. van die [slachtoffer] en/of het</para>
      <para>vervolgens met kracht naar beneden trekken van dat topje en/of B.H;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 28 juli 2013 te Veendam opzettelijk beledigend [slachtoffer],</para>
      <para>in diens/dier tegenwoordigheid door feitelijkheden heeft beledigd, door</para>
      <para>-voor die [slachtoffer] te gaan staan en/of</para>
      <para>-het onverhoeds vastpakken van het topje en/of B.H. van die [slachtoffer] en/of het</para>
      <para>vervolgens met kracht naar beneden trekken van dat topje en/of B.H en/of</para>
      <para>-zulks terwijl die [slachtoffer] zich op de dansvloer van een partycentrum bevond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Ontvankelijkheid van de officier van justitie</title>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">Het standpunt van de verdediging </emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft aangevoerd dat in onderhavige zaak sprake is van een verdenking van een zedendelict met een strafbedreiging van 8 jaar of meer. Er bestaat dan op grond van de Aanwijzing AVR de verplichting tot het auditief registreren van de verklaringen van aangever, verdachte én getuigen.</para>
      <para>Tevens valt de verdenking van ontucht onder de omschrijving van seksueel misbruik in de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik (verder: de Aanwijzing). </para>
      <para>Dat brengt met zich mee dat ook de daarin genoemde regels van toepassing zijn op de opsporing en vervolging van dit feit. In onderhavige zaak is geen sprake van de in de Aanwijzing genoemde uitzonderingssituatie. <?linebreak?>De raadsman is van mening dat in strijd met een aantal regels uit de beide Aanwijzingen is gehandeld, te weten:</para>
      <para>- Het niet auditief registreren van de aangifte en getuigenverklaring;</para>
      <para>- Het achterwege blijven van een informatief gesprek;</para>
      <para>- Het opnemen van de aangifte door slechts één verbalisant;</para>
      <para>- De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen was daarvoor niet</para>
      <para>gecertificeerd;</para>
      <para>- De aanwezigheid van een vertrouwenspersoon bij het opnemen van het</para>
      <para>inhoudelijk deel van de aangifte;</para>
      <para>-  Het niet tijdig beslissen door de officier van justitie over vervolging.</para>
      <para>De in de Aanwijzingen neergelegde en geschonden normen beogen het recht op</para>
      <para>een eerlijk proces te beschermen, zoals neergelegd in artikel 6 EVRM. Het raakt</para>
      <para>immers de kern van de waarheidsvinding en de mogelijkheid voor de verdediging</para>
      <para>om daarop controle uit te oefenen. Al deze schendingen zijn tezamen zo ernstig en het geschonden belang zo groot, dat dit met zich meebrengt dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet-ontvankelijkheidsverweer moet worden verworpen. De officier van justitie heeft erkend dat de regels zoals vastgelegd in de Aanwijzingen zijn geschonden, maar is van mening dat dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren niet een dusdanige ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde dat daardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>De door de raadsman genoemde Aanwijzingen zijn formeel gezien van toepassing. Door niet geheel conform de aanwijzingen te handelen heeft de politie in het vooronderzoek normen geschonden. Bij de beantwoording van de vraag welk rechtsgevolg deze schendingen dienen te hebben, moet rekening worden gehouden met de in het tweede lid van 359a Wetboek van Strafvordering ( verder: artikel 359a Sv) genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. </para>
      <para>De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient".</para>
      <para>De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. </para>
      <para>Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen.</para>
      <para>De derde factor is “het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt”. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.</para>
      <para>De strekking van de regeling van artikel 359a Sv. is overigens niet dat een vormverzuim hoe dan ook moet leiden tot enig voordeel voor de verdachte.</para>
      <para>Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.</para>
      <para>De rechtbank constateert dat hiervan in deze zaak, met name ook gelet op de betrekkelijke ernst en de aard van het verwijt jegens verdachte, geen sprake kan zijn.</para>
      <para>Het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wordt daarom verworpen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bewijsvraag</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het ten laste gelegde nu er sprake is van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. Op de betreffende verzuimen kan naar de mening van de officier van justitie dan ook niet anders worden gereageerd dan met de sanctie van bewijsuitsluiting als bedoeld in artikel 359a, eerste lid onder b, van het Wetboek van Strafvordering. Nu de verklaring van aangeefster van het bewijs dient te worden uitgesloten, resteert er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem ten laste gelegde.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging </emphasis>
        <?linebreak?>
        <?linebreak?>De raadsman heeft ten aanzien van het laste gelegde subsidiair bepleit dat de verklaring van aangeefster van het bewijs dient te worden uitgesloten wegens schending van de voorschriften vervat in de Aanwijzing AVR en de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik. Nu enkel de verklaring van een ander overblijft, dient hij bij gebrek aan voldoende wettig bewijs vrijgesproken te worden van het hem ten laste gelegde.<?linebreak?>Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de aangifte en de getuigenverklaring op belangrijke punten tegenstrijdig  zijn, zodat om die reden moet worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid daarvan. Een en ander brengt mee dat verdachte moet worden vrijgesproken.</para>
      <para>Meer meer subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, indien de gedraging van verdachte kan worden bewezen, deze gedraging geen ontuchtig karakter had. Uit niets blijkt dat verdachte seksuele getinte bedoelingen heeft gehad die zijn gedrag  ontuchtig maken. Daarnaast is het tonen van een blote borst in een discotheek niet direct als ontuchtig aan te merken. </para>
      <para>Verdachte dient derhalve van het primair ten laste gelegde vrijgesproken te worden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Vrijspraak</emphasis>
      </para>
      <para>Gelet op haar overweging en oordeel met betrekking tot het niet-ontvankelijkheidsverweer acht de rechtbank evenmin gronden aanwezig voor bewijsuitsluiting als bedoeld in artikel 359a Sv.</para>
      <para>Vorenstaande neemt niet weg dat de rechtbank van oordeel is dat verklaringen van aangeefster en getuige, zoals afgelegd ten overstaan van de politie, op essentiële punten uiteenlopen en lijnrecht tegenover de verklaring van verdachte staan, die vanaf het begin de verweten gedraging heeft ontkend. </para>
      <para>De rechtbank komt tot het oordeel dat niet boven redelijke twijfel is verheven dat verdachte schuldig is aan het ten laste gelegde.</para>
      <para>Aangeefster had blijkens het dossier tegen de zin van haar vader een kortstondige relatie met verdachte. Nu vader ook aanwezig is geweest bij het opnemen van de aangifte kan de rechtbank niet geheel uitsluiten dat aangeefster heeft verklaard mede op grond van andere motieven dan het dienen van de waarheidsvinding. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank  verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen hem zowel primair als subsidiair ten laste is gelegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mrs. F. de Jong, voorzitter, P.H.M. Smeets en J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 december 2014.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>