<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2026:2394</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-17T11:39:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/1235</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2394">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2394</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-17T11:33:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2026:2394 Rechtbank Noord-Holland , 13-03-2026 / 25/1235</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2026:2394:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak aan een beoordeling van de beslissing op bezwaar en de beroepsgronden van eiser niet toe. Dat komt omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat over voornoemd verzoek om schadevergoeding reeds een volledige procedure is doorlopen die is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 juli 2024. Dit heeft verweerder bij de brief van 10 oktober 2024 en de beslissing op bezwaar van 10 januari 2025 ten onrechte niet onderkend. Het beroep is daarom wel gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2026:2394:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 25/1235  </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], uit [plaats], eiser, </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Financiën, verweerder,  </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. drs. M.A.N. van de Kerkhof en L. Woudenberg).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Deze uitspraak gaat over een afwijzing bij brief van 10 oktober 2024 op een verzoek om schadevergoeding van eiser van 25 juni 2021 voor de schade die hij vanaf 2012 tot heden heeft geleden door de registratie van zijn gegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak aan een beoordeling van de beslissing op bezwaar en de beroepsgronden van eiser niet toe. Dat komt omdat de rechtbank heeft vastgesteld dat over voornoemd verzoek om schadevergoeding reeds een volledige procedure is doorlopen die is geëindigd met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 juli 2024<emphasis role="italic">.</emphasis> Dit heeft verweerder bij de brief van 10 oktober 2024 en de beslissing op bezwaar van 10 januari 2025 ten onrechte niet onderkend. Het beroep is daarom wel gegrond. Hierna zal de rechtbank na een weergave van het procesverloop van de eerdere procedure over het verzoek tot schadevergoeding (onder 2) en een weergave van het procesverloop van de huidige procedure over hetzelfde verzoek (onder 3) vervolgens (onder 4 en volgende) uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">De eerdere procedure over het verzoek om vergoeding van schade van 25 juni 2021 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Eiser heeft de Belastingdienst bij brief van 25 juni 2021 verzocht om vergoeding van de schade die hij vanaf 2012 tot heden heeft geleden door de registratie van zijn gegevens in de FSV.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De staatssecretaris van Financiën heeft bij brief van 28 september 2021 het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Op 2 december 2021 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op dat bezwaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Bij besluit van 7 januari 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar van eiser tegen de brief van 28 september 2021 niet-ontvankelijk verklaard. In het besluit is vermeld dat de bestuursrechter alleen bevoegd is om te beslissen op verzoeken om schadevergoeding tot en met € 25.000,-- en dat bij hogere bedragen enkel de civiele rechter bevoegd is. Omdat het verzoek van eiser ziet op een hoger bedrag, is de bestuursrechter niet bevoegd en kan de staatssecretaris niet anders dan het (bestuursrechtelijke) bezwaar niet-ontvankelijk verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>De rechtbank heeft bij uitspraak van 6 juli 2023 (HAA 21/6615) het beroep tegen het niet tijdig nemen van de beslissing op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar nog niet was verstreken toen eiser op 2 december 2021 zijn beroepschrift indiende. De rechtbank heeft het verzoek van eiser (dat op de zitting is beperkt tot € 25.000,-.) aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 82 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en het verzoek afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>De Afdeling heeft met de uitspraak van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891) het hoger beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat titel 8.4 van de Awb en daarmee artikel 8:88 van de Awb niet van toepassing is en het verzoek van eiser ten onrechte is getoetst aan artikel 8:88 van de Awb. De Afdeling heeft voorts overwogen dat de rechtbank ook op grond van het oude recht niet bevoegd was te oordelen over het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling heeft zelf in de zaak voorzien en heeft de rechtbank onbevoegd verklaard om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De huidige procedure (over hetzelfde verzoek om vergoeding van schade van 25 juni 2021)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Bij brief van 10 oktober 2024 heeft verweerder met verwijzing naar de voorlopige conclusie van 9 september 2024 het verzoek om schadevergoeding van 25 juni 2021 nogmaals afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Bij brief van 19 november 2024 heeft eiser daartegen bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Bij besluit van 10 januari 2025 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Eiser heeft op 20 februari 2025 beroep ingesteld. Verweerder heeft gereageerd bij brieven van 15 mei 2025 en 25 augustus 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Eiser heeft bij brief van 23 december 2025 nadere stukken ingediend en de rechtbank verzocht getuigen op te roepen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden voornoemd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Gelet op het vorenstaande staat vast dat over het verzoek om schadevergoeding van 25 juni 2021 reeds een volledige procedure is doorlopen die is geëindigd met de reeds aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024. De Afdeling heeft daarbij zelf in de zaak voorzien door de rechtbank onbevoegd te verklaren om van het verzoek tot schadevergoeding kennis te nemen. Daarmee is met die uitspraak een einde gekomen aan de procedure die is aangevangen met het verzoek om schadevergoeding van eiser van 25 juni 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Voor verweerder was er gelet hierop geen enkele aanleiding nogmaals op hetzelfde verzoek te beslissen. Nieuwe (rechts)gevolgen zijn hierdoor ook niet in het leven geroepen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat haar ook nergens uit is gebleken dat in dit geval sprake is geweest van een nieuw of herhaald verzoek om schadevergoeding, noch van een verzoek om heroverweging van een eerdere beslissing daarover. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Verweerder heeft het vorenstaande bij het verzenden van de brief van 10 oktober 2024 en de beslissing op bezwaar van 10 januari 2025 ten onrechte niet onderkend. Uit de verweerschriften blijkt dat verweerder bekend is met de uitspraak van de Afdeling met ECLI:NL:RVS:2024:2891, maar benoemt deze ten onrechte als een “soortgelijke zaak” en niet als de reeds doorlopen procedure over exact hetzelfde verzoek tot vergoeding van schade van eiser. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat eiser ook bekend is met de uitspraak in zijn eerdere procedure. Maar ook hij is kennelijk door de veelheid aan door hem gevoerde procedures het spoor bijster. Een tweede procedure over hetzelfde verzoek had partijen en de rechtbank evenwel kunnen worden bespaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Het beroep is daarom gegrond. De beslissing op bezwaar zal worden vernietigd. Voor een beoordeling van de beslissing op bezwaar van 10 januari 2025 en de daartegen gerichte gronden is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen grond. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien. Dat betekent dat verweerder in deze procedure geen nieuw besluit op het bezwaar hoeft te nemen. Ook voor de door eiser gedane verzoeken om getuigen te horen en de zaak aan te houden is gelet op het vorenstaande geen aanleiding. De verzoeken worden dus afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat er geen aanleiding is te wachten op de uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep van eiser tegen de uitspraak van deze rechtbank met nummer HAA 21/6573 (waarin op 24 augustus 2023 een voorlopige voorziening is getroffen, ECLI:NL:RVS:2023:3246) omdat die betrekking heeft op verzoeken van eiser op grond van de AVG. De uitkomst van die procedure zal geen verandering brengen in hetgeen is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024, inhoudende dat in dit geval niet de bestuursrechtelijke weg openstaat, maar uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is het verzoek tot schadevergoeding van eiser te beoordelen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Eiser krijgt het griffierecht terug. Voor een vergoeding van kosten van deze procedure of proceskosten is geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank;</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de beslissing op bezwaar van 10 januari 2025;</para>
    <para>- herroept de brief van 10 oktober 2024;</para>
    <para>- bepaalt dat deze uitspaak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;</para>
    <para>- wijst de verzoeken van eiser af;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- terugbetaalt. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>