<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2026:2387</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-20T12:06:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-03-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/7368</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursprocesrecht">Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2387">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:2387</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-17T11:00:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2026:2387 Rechtbank Noord-Holland , 13-03-2026 / 24/7368</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2026:2387:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>In het beroep in alle zaken is de in het bestreden besluit geconcludeerde niet-ontvankelijkheid betwist, en voor zover die terecht zou zijn is de rechtbank verzocht de geleden schade te vergoeden met toepassing van het bepaalde in artikel 8:88 van de Awb. </para>
        <para>Daarbij is in de eerste plaats met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2730) betoogd dat verweerder in deze zaken, ondanks dat deze zaken een aanvang hebben genomen met een schadevergoedingsverzoek, ten onrechte heeft nagelaten te toetsen aan het buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betoog slaagt niet. Daarbij is van belang dat onweersproken is dat aan alle eisers in de onderhavige zaken zogeheten afsluitende FSV-brieven zijn verzonden waarin die  beoordeling is gemaakt. Eisers in de zaken 24/7364 en 24/7353 hebben daarover ook een procedure gevoerd . Niet in geschil is dat die mogelijkheid ook voor de andere eisers bestond of bestaat. Gelet hierop is er geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat verweerder in de nu voorliggende procedures ook, dan wel nogmaals, aan dit tegemoetkomingsbeleid had moeten toetsen.</para>
        <para>In de tweede plaats is in alle zaken betoogd dat het niet openstellen van de bestuursrechtelijke weg voor aanspraken op grond van de AVG, waarbij verweerder is betrokken, en met name hetgeen hierover is opgenomen in de Wns, in strijd is met het Unierecht. Daarbij is gesteld dat de Afdeling, gelet op hetgeen in de uitspraak van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:901 r.o. 19 en 26) is geoordeeld en bevestigd, in haar uitspraak van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891) ten onrechte heeft geoordeeld dat titel 8:4 en artikel 8:88 van de Awb niet van toepassing zijn. De civielrechtelijke weg is, bijvoorbeeld gelet op het risico op een proceskostenveroordeling, aanzienlijk ongunstiger en minder laagdrempelig voor burgers en biedt daarmee geen gelijkwaardige rechtsbescherming.</para>
        <para>Daarnaast is sprake van strijd met het doeltreffendheidsbeginsel nu het inhoudelijke oordeel over de handelwijze van verweerder en het verzoek om schadevergoeding niet bij een en dezelfde rechterlijke instantie zijn ondergebracht. Dit betoog slaagt evenmin. Voor zover is betoogd dat de Afdeling zich over deze grond nog niet heeft uitgelaten stelt de rechtbank voorop dat de Afdeling in de uitspraak van 17 juli 2024 de bevoegdheidskwestie ambtshalve heeft beoordeeld, en gelet daarop moet worden aangenomen dat daarbij ook (zij het impliciet) aan het Unierecht is getoetst. Daarnaast heeft de Afdeling zich in de uitspraak van 18 september 2024, anders dan betoogd, wel degelijk over de gevolgen van het ontbreken van Unierechtelijke procedurele voorschriften uitgelaten en daarbij geoordeeld dat het op grond van de AVG toelaatbaar is om de bestuursrechter niet bevoegd te achten te oordelen over een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van feitelijk handelen door verweerder. De rechtbank ziet, deze uitspraak mede in aanmerking genomen, in hetgeen in de onderhavige zaken is aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het nationale procesrecht niet voldoet aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel.</para>
        <para>Daarbij kan worden opgemerkt dat het inhoudelijke oordeel over de handelwijze van verweerder (de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens die een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb betreft) de burgerlijke rechter toekomt, net als het oordeel over een verzoek om schadevergoeding dat daarop ziet.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2026:2387:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 24/7368 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser, </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Hoefs),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Financiën, verweerder,  </bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. drs. M.A.N. van de Kerkhof en L. Woudenberg).</para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Deze uitspraak gaat over een afwijzing van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 82 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) van eiser voor de schade die hij heeft geleden door de registratie van zijn gegevens in de Fraude Signalering Voorziening (FSV). Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is voorts niet bevoegd te beslissen op zo’n verzoek om vergoeding van schade. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Eiser heeft op 7 augustus 2023 verzocht om schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG voor de schade die hij heeft geleden door de registratie van zijn gegevens in de FSV. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Bij brief van 29 juli 2024 heeft verweerder met verwijzing naar de voorlopige conclusie van 29 mei 2024 het verzoek afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Bij brief van 4 september 2024 heeft eiser bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>Bij besluit van 1 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard gelet op artikel 7:1 juncto 8:4, eerste lid, sub f van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>Eiser heeft op 8 november 2024 beroep ingesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>Verweerder heeft gereageerd bij brieven van 10 december 2024 en 25 augustus 2025. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>Eiser heeft bij brief van 23 december 2025 de gronden van het beroep aangevuld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <para>De rechtbank heeft de beroepen in de zaken met nummers 24/7353, 24/7364, 24/7368 en 25/278 op 6 januari 2026, met instemming van partijen, gelijktijdig op zitting behandeld. Daartoe is redengevend geweest dat zowel de bestreden besluiten als ook de beroepsgronden (nagenoeg) gelijkluidend zijn. De gemachtigde van eisers in alle genoemde zaken is ter zitting verschenen. Eiseres in de zaak 25/278 is ook verschenen, bijgestaan door haar partner. Verweerder is verschenen bij gemachtigden voornoemd. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline italic">Het toetsingskader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Het toetsingskader in deze zaken wordt gevormd door twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891) en van 18 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3746).</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>In de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891) heeft de Afdeling zich, omdat de bevoegdheid van de bestuursrechter een kwestie van openbare orde betreft, ambtshalve de vraag gesteld of de bestuursrechter bevoegd is te oordelen over een verzoek om schadevergoeding met als gestelde schadeoorzaak de onrechtmatige verwerking van gegevens in de FSV. De Afdeling heeft overwogen dat op 1 juli 2013 de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking is getreden. In artikel V, tweede lid, van de Wns staat dat titel 8.4 van de Wns niet van toepassing is op schade veroorzaakt door besluiten of handelingen van de Dienst Toeslagen of van andere bestuursorganen voor zover genomen of verricht in het kader van aan de Belastingdienst opgedragen taken. Dit betekent dat op verzoeken om vergoeding van schade geleden doordat de Belastingdienst gegevens onrechtmatig heeft geregistreerd in de FSV titel 8.4 van de Awb, en daarmee artikel 8:88 van de Awb, niet van toepassing is, maar het recht zoals dat voor 1 juli 2013 gold (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1375, r.o. 4.1). Op grond van het aldus toepasselijke oude recht is de bestuursrechter bevoegd een oordeel te geven over een verzoek om schadevergoeding indien dat verzoek gedurende een bij hem aanhangige beroepsprocedure is gedaan (artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud)), of indien een dergelijk verzoek bij het bestuursorgaan is gedaan en dat bestuursorgaan daarop een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb heeft genomen. Artikel 8:73, eerste lid, van de Awb (oud) luidt: Indien de rechtbank het beroep gegrond verklaart, kan zij, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij de door haar aangewezen rechtspersoon veroordelen tot vergoeding van de schade die die partij lijdt. In dit geval biedt de weg van het wel toepasselijke artikel 8:73 Awb (oud) de bestuursrechter niet de mogelijkheid de bestuursorganen van de Belastingdienst tot schadevergoeding te veroordelen. De weg van het zuiver schadebesluit is in deze gevallen evenmin begaanbaar. De bestuursrechter is slechts bevoegd tot kennisneming van beroepen tegen een zuiver schadebesluit, indien die rechter ook bevoegd is te oordelen over beroepen tegen de gestelde schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid zelf. Dit is het zogenoemde vereiste van processuele connexiteit (zie onder meer de uitspraak van 6 mei 1997, ECLI:NL:RVS:1997:AA6762, AB 1997, 229). De gestelde schadeoorzaak is bepalend bij de beantwoording van de vraag of tegen de schadeveroorzakende uitoefening van de publiekrechtelijke bevoegdheid beroep open staat bij de bestuursrechter. De verwerking van persoonsgegevens is een feitelijke handeling. Deze verwerking is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De bestuursrechter kan dan ook geen oordeel geven over de rechtmatigheid van beslissingen over vergoeding van schade veroorzaakt door feitelijk handelen. Het voorgaande betekent dat niet de bestuursrechtelijke weg open staat voor beroepen tegen het niet nemen van een beslissing op een verzoek van vergoeding van schade als gevolg van feitelijk handelen. Uitsluitend de burgerlijke rechter is bevoegd ter zake van de gestelde schadeoorzaak vorderingen als deze te beoordelen, aldus de Afdeling.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De uitspraak van de Afdeling van 18 september 2024</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>In de uitspraak van 18 september 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3746) heeft de Afdeling geoordeeld dat de AVG, meer in het bijzonder artikel 82 van de AVG, geen zelfstandige grondslag voor schadevergoeding bevat. De wetgever heeft bij de invoering van de Uitvoeringswet AVG verwezen naar titel 8.4 van de Awb of de civiele rechter als de wegen waarlangs schadevergoeding voor een (beweerdelijke) inbreuk op de AVG kan worden verkregen. In dit geval is titel 8.4 - en in het bijzonder artikel 8:88 van de Awb - dus niet van toepassing en resteert de weg naar de burgerlijke rechter. Daarbij heeft de Afdeling overwogen geen aanleiding te zien om prejudiciële vragen te stellen over de vraag of het op grond van de AVG toelaatbaar is om de bestuursrechter niet bevoegd te achten te oordelen over een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van feitelijk handelen door de Belastingdienst. Er kan namelijk redelijkerwijs geen twijfel bestaan over de beantwoording van de vraag (zie het arrest van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13, 14 en 16). Daarbij is overwogen dat de AVG niet voorschrijft welke gerechten binnen een lidstaat bevoegd zijn over het recht op schadevergoeding te oordelen. Bij gebreke aan Unierechtelijke procedurele voorschriften is het volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) aan de lidstaten om de bevoegde rechterlijke instanties aan te wijzen en om hun nationale procesrecht toe te passen in zaken waarin het Unierecht geldend wordt gemaakt. Dergelijke nationale regels moeten wel aan de voorwaarden van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid voldoen (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 16 december 1976, C-33/76, Rewe, ECLI:EU:C:1976:188, en het arrest van 13 juli 2006, C-295/04 - 298/04, Manfredi, ECLI:EU:C:2006:461, punt 62). Verder volgt de Afdeling niet dat het vereiste van processuele connexiteit in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel. Dit vereiste maakt het niet onmogelijk of uiterst moeilijk om de door de AVG verleende rechten te effectueren. In dit geval kan bij de burgerlijke rechter schadevergoeding gevorderd worden, aldus de Afdeling.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Latere bevestiging                                                                                                                                    </emphasis>3.4   In een tweetal uitspraken van 10 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:5890 &amp; 5891) heeft de Afdeling een en ander, met verwijzing naar voornoemde uitspraak van 17 juli 2024, nogmaals bevestigd.</para>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">De beoordeling van de gronden van beroep</emphasis>
        </para>
        <para>4.   In het beroep in alle zaken is de in het bestreden besluit geconcludeerde niet-ontvankelijkheid betwist, en voor zover die terecht zou zijn is de rechtbank verzocht de geleden schade te vergoeden met toepassing van het bepaalde in artikel 8:88 van de Awb. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan het buitenwettelijk begunstigend beleid?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Daarbij is in de eerste plaats met verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2730) betoogd dat verweerder in deze zaken, ondanks dat deze zaken een aanvang hebben genomen met een schadevergoedingsverzoek, ten onrechte heeft nagelaten te toetsen aan het buitenwettelijk begunstigend beleid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Dit betoog slaagt niet. Daarbij is van belang dat onweersproken is dat aan alle eisers in de onderhavige zaken zogeheten afsluitende FSV-brieven zijn verzonden waarin die  beoordeling is gemaakt. Eisers in de zaken 24/7364 en 24/7353 hebben daarover ook een procedure gevoerd<footnote-ref linkend="_7f69b67a-a4b9-4898-9ddc-12954e52bdac" />. Niet in geschil is dat die mogelijkheid ook voor de andere eisers bestond of bestaat. Gelet hierop is er geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat verweerder in de nu voorliggende procedures ook, dan wel nogmaals, aan dit tegemoetkomingsbeleid had moeten toetsen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Is het niet openstellen van de bestuursrechtelijke weg voor aanspraken op grond van de AVG in strijd is met het Unierecht?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>In de tweede plaats is in alle zaken betoogd dat het niet openstellen van de bestuursrechtelijke weg voor aanspraken op grond van de AVG, waarbij verweerder is betrokken, en met name hetgeen hierover is opgenomen in de Wns, in strijd is met het Unierecht. Daarbij is gesteld dat de Afdeling, gelet op hetgeen in de uitspraak van 1 april 2020 (ECLI:NL:RVS:901 r.o. 19 en 26) is geoordeeld en bevestigd, in haar uitspraak van 17 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2891) ten onrechte heeft geoordeeld dat titel 8:4 en artikel 8:88 van de Awb niet van toepassing zijn. De civielrechtelijke weg is, bijvoorbeeld gelet op het risico op een proceskostenveroordeling, aanzienlijk ongunstiger en minder laagdrempelig voor burgers en biedt daarmee geen gelijkwaardige rechtsbescherming.</para>
        <para>Daarnaast is sprake van strijd met het doeltreffendheidsbeginsel nu het inhoudelijke oordeel over de handelwijze van verweerder en het verzoek om schadevergoeding niet bij een en dezelfde rechterlijke instantie zijn ondergebracht. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>Dit betoog slaagt evenmin. Voor zover is betoogd dat de Afdeling zich over deze grond nog niet heeft uitgelaten stelt de rechtbank voorop dat de Afdeling in de uitspraak van 17 juli 2024 de bevoegdheidskwestie ambtshalve heeft beoordeeld, en gelet daarop moet worden aangenomen dat daarbij ook (zij het impliciet) aan het Unierecht is getoetst. Daarnaast heeft de Afdeling zich in de uitspraak van 18 september 2024, anders dan betoogd, wel degelijk over de gevolgen van het ontbreken van Unierechtelijke procedurele voorschriften uitgelaten en daarbij geoordeeld dat het op grond van de AVG toelaatbaar is om de bestuursrechter niet bevoegd te achten te oordelen over een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van feitelijk handelen door verweerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank ziet, deze uitspraak mede in aanmerking genomen, in hetgeen in de onderhavige zaken is aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het nationale procesrecht niet voldoet aan het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel.</para>
        <para>Daarbij kan worden opgemerkt dat het inhoudelijke oordeel over de handelwijze van verweerder (de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens die een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb betreft) de burgerlijke rechter toekomt, net als het oordeel over een verzoek om schadevergoeding dat daarop ziet.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline italic">Bespreking van de overige gronden</emphasis>
        </para>
        <para>7.   Voor zover is gesteld dat de onrechtmatige verwerking zowel de periode voor als na 1 juli 2013 beslaat, is dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet relevant. Ook het betoog dat de geldigheidsduur van de beperking in artikel V van de Wns is verstreken kan niet worden gevolgd omdat die termijn van vijf jaar nadien is verlengd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.   Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit, waarin is geoordeeld dat het zelfstandig schadebesluit, dat schade betreft ten gevolge van onrechtmatig bestuurshandelen, is uitgesloten van bezwaar en beroep, in stand blijft. Daarnaast is de conclusie dat de bestuursrechter niet bevoegd is op het schadeverzoek te beslissen. Voor terugbetaling van het griffierecht en een vergoeding van proceskosten is gelet op het vorenstaande geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank;</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond; </para>
    <para>- verklaart zich onbevoegd ten aanzien van het schadeverzoek.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_7f69b67a-a4b9-4898-9ddc-12954e52bdac" label="1">
    <para> Ter zitting is gelet hierop deze grond ten aanzien van deze twee genoemde zaken niet langer gehandhaafd.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>