<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2026:1748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-03-03T12:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-02-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 26 _ 872</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1748">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1748</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-26T10:59:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-03-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2026:1748 Rechtbank Noord-Holland , 23-02-2026 / AWB - 26 _ 872</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2026:1748:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Weigering VOG P. Voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat de staatssecretaris vóór indiensttreding van betrokkene (op 1 april 2026) moet beslissen op zijn bezwaar.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2026:1748:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 26/872</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2026 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. P.J. van der Woude).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker om een VOG (P) af te geven. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe, in die zin dat de staatssecretaris opgedragen wordt vóór 1 april 2026 een beslissing op het bezwaar te nemen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Verzoeker heeft op 11 december 2025 een aanvraag ingediend voor een Verklaring omtrent het gedrag met politiegegevens (VOG P). De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 22 januari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen op 29 januari 2026 bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoeker is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Besluit van de staatssecretaris</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De staatssecretaris heeft de weigering om een VOG P af te geven gebaseerd op (heel kort samengevat) het volgende. Volgens het Justitieel documentatiesysteem (JDS) is verzoeker binnen de terugkijktermijn van 10 jaar in aanraking gekomen met justitie wegens verkeersovertredingen en een vermogensfeit. De staatssecretaris heeft de volgende strafbare feiten gevonden: 	<?linebreak?>- op 10 januari 2023 is een zaak jegens verzoeker wegens het overschrijden van de maximumsnelheid op 27 februari 2021 geseponeerd op grond van ‘gewijzigde omstandigheden’;	<?linebreak?>- op 17 juli 2025 is verzoeker veroordeeld tot een geldboete van € 500,- wegens het rijden zonder rijbewijs op 21 januari 2023;	<?linebreak?>- op 19 juli 2022 is verzoeker veroordeeld tot een geldboete van € 660,- wegens het op 31 januari 2021 overschrijden van de maximumsnelheid;	<?linebreak?>- wegens het rijden onder invloed op 12 augustus 2021 is verzoeker op 28 september 2021 een strafbeschikking van € 850,- opgelegd;	<?linebreak?>- op 14 maart 2016 is jegens verzoeker een zaak wegens verduistering geseponeerd op grond van ‘gering feit’.</para>
    <para>Deze feiten zijn volgens de staatssecretaris te kort geleden en te zwaar om verzoeker een VOG P af te geven. De staatssecretaris heeft toegelicht dat ook feiten die zijn afgedaan met een (beleids)sepot meegenomen kunnen worden in de beoordeling. De omstandigheid dat eiser eerder wel een VOG heeft gekregen betekent niet dat ook voor deze functie een VOG P afgegeven zou moeten worden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunt verzoeker </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verzoeker stelt dat zijn spoedeisend belang is gelegen in de omstandigheid dat hij per 1 april 2026 in dienst treedt bij de gemeente Amsterdam als BOA en daarna nog 8 weken de tijd heeft een VOG te overleggen, dus uiterlijk 27 mei 2026. De staatssecretaris heeft echter aangegeven uiterlijk 28 mei 2026 de beslissing op het bezwaar af te geven. </para>
    <para>Verzoeker voert verder – kort samengevat – aan dat de staatssecretaris het besluit niet heeft kunnen nemen, omdat de feiten niet goed zijn gewogen. Verzoeker stelt onder meer dat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat het rijden zonder geldig rijbewijs door de rechter als licht feit is afgedaan. Daarnaast stelt hij dat met sepots slechts beperkt rekening mag worden gehouden. Verder stelt hij dat de eerdere afgifte van een VOG ten onrechte terzijde is geschoven. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel voorzieningenrechter </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Ter zitting is duidelijk geworden dat het verzoeker er om gaat dat de staatssecretaris een beslissing op zijn bezwaar zal nemen voordat hij in dienst treedt en in opleiding gaat bij zijn nieuwe werkgever. Hij heeft daarbij als datum uiterlijk 15 maart 2026 genoemd, maar in ieder geval binnen een redelijke termijn zodat hij in beroep kan gaan tegen de beslissing op het bezwaar, mocht zijn bezwaar ongegrond verklaard worden. </para>
    <para />
    <para>6. De staatssecretaris heeft ter zitting toegelicht dat de verwachte behandelingsduur van het bezwaar te maken heeft met de personele bezetting in verhouding tot de hoeveelheid VOG-aanvragen. Het spoedeisend belang van verzoeker heeft de staatssecretaris ter zitting onderkend. </para>
    <para />
    <para>7. Desgevraagd kon niet worden aangegeven of er door de staatssecretaris nog inhoudelijk onderzoek verricht moet worden naar de feiten. Daarin kan derhalve geen verlenging van de beslistermijn zijn gelegen. Er zal nog een hoorzitting moeten plaatsvinden, maar uit niets blijkt dat dit niet op korte termijn kan plaatsvinden. De door de staatssecretaris genoemde omstandigheden op grond waarvan de behandeling van het bezwaar niet eerder dan de door de staatssecretaris genoemde datum zou kunnen worden afgerond wegen naar het oordeel van de voorzieningenrechter minder zwaar dan het belang dat verzoeker heeft bij een spoedige afhandeling. </para>
    <para />
    <para>8. De voorzieningenrechter heeft hierbij betrokken dat verzoeker zijn bezwaarschrift snel na het besluit heeft ingediend en de staatssecretaris er dus meteen mee aan de slag zou kunnen gaan. Gezien de start van het dienstverband van verzoeker per 1 april 2026 acht de voorzieningenrechter het niet onredelijk van de staatssecretaris te verwachten om voor die datum op het bezwaar te beslissen. Feitelijk heeft de staatssecretaris dan bijna negen weken om op het bezwaar te beslissen, hetgeen – gelet op voornoemde omstandigheden –  voldoende zou moeten zijn een hoorzitting te beleggen en de heroverweging naar aanleiding van het bezwaar te verrichten. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in die zin dat de staatssecretaris verplicht wordt vóór 1 april 2026 te beslissen op het bezwaar van verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe in die zin dat de staatssecretaris wordt opgedragen uiterlijk 31 maart 2026 de beslissing op het bezwaar te nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>