<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2026:1574</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:51:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2026-01-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15/265559-25</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1574">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1574</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-02-18T16:50:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-02-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2026:1574 Rechtbank Noord-Holland , 13-01-2026 / 15/265559-25</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2026:1574:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Oplegging ISD-maatregel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2026:1574:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Team Straf, zittingsplaats Alkmaar</para>
    <para>Meervoudige strafkamer</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummers: 15/265559-25 en 15/002316-25 (vord tul) (P)</para>
      <para>Uitspraakdatum: 13 januari 2026</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak (art. 279 Sv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 16 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 30 december 2025 (sluiting onderzoek) in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>
        <emphasis role="bold smallcaps">,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats],</para>
      <para>ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: </para>
      <para>
        [adres], </para>
      <para>thans gedetineerd in P.I. Ter Apel. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, </para>
      <para>mr. A.M.H.G. Peters, en van wat de gemachtigd raadsvrouw, mr. Y.R. Nielsen, advocaat te Hoorn, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Tenlastelegging </title>
    <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij, op of omstreeks 7 oktober 2025 te Hoorn een of meerdere flessen (alcoholische)drank, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de [slachtoffer], in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Voorvragen</title>
    <para>De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bewijs en de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, die zijn vervat in de hierna te noemen bewijsmiddelen, tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Gelet daarop zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen, te weten: </para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>een proces-verbaal van aangifte van 7 oktober 2025 (p. 6 en 7, met bijlage p. 8); </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>een proces-verbaal van bevindingen van 8 oktober 2025 (p. 11 t/m 13, met bijlage</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>p. 14 t/m 18); </para>
      <para>- een proces-verbaal van verhoor verdachte van 7 oktober 2025 (p. 31 t/m p. 37). </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>hij op 7 oktober 2025 te Hoorn flessen alcoholische drank die aan de [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Kwalificatie en strafbaarheid van het feit</title>
    <para>Het bewezenverklaarde levert op: diefstal. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid van de verdachte</title>
    <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>Motivering van de sanctie</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft primair verzocht geen ISD-maatregel op te leggen, omdat niet wordt voldaan aan de ‘zachte criteria’ voor het opleggen van een dergelijke maatregel. Zij heeft betoogd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Daarbij heeft zij aangevoerd dat aansluiting dient te worden gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en dat het door de rechter-commissaris geconstateerde vormverzuim dient te leiden tot strafvermindering. Op grond van het voorgaande heeft de raadsvrouw verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie weken op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de ISD-maatregel geheel voorwaardelijk op te leggen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ernst van het feit</emphasis>
        </para>
        <para>De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Diefstal is een hinderlijk feit dat (financiële) schade en overlast veroorzaakt voor de maatschappij in het algemeen en voor de slachtoffers in het bijzonder. Dit geldt des te meer wanneer personen, zoals de verdachte, zich stelselmatig schuldig maken aan diefstal. De verdachte heeft met zijn handelen laten zien geen respect te hebben voor andermans eigendommen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Persoon van de verdachte</emphasis>
        </para>
        <para>Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank onder meer gelet op het strafblad van de verdachte van 4 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen voor soortgelijke feiten. De rechtbank weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de beslissing over de toe te passen sanctie. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Verder heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 9 oktober 2025 van GGZ Reclassering Fivoor. Uit dit advies blijkt dat de verdachte zowel aan de harde als aan de zachte criteria voor oplegging van de ISD-maatregel voldoet. Volgens de reclassering is de vreemdelingen-ISD de meest passende invulling van de ISD-maatregel voor de verdachte.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Op te leggen maatregel </emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank sluit zich aan bij het advies van de reclassering en is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren moet worden opgelegd. Het door de verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De verdachte is in de afgelopen vijf jaren minstens driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen en het onderhavige feit is begaan na tenuitvoerlegging hiervan. Er moet ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat ook aan de zachte criteria voor oplegging van de ISD-maatregel wordt voldaan. Eerder opgelegde straffen hebben niet geleid tot het terugdringen van recidive. Het belang van de samenleving, dat de verdachte geen overlast of schade meer zal veroorzaken, staat nu voorop. Daarbij komt dat buiten de ISD-maatregel, vanwege de verblijfstatus van de verdachte, feitelijk geen mogelijkheid bestaat om interventies te doen gericht op het beperken van recidive, zoals bijvoorbeeld hulpverlening voor zijn mogelijke psychische en verslavingsproblematiek. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft op 13 mei 2025 het verblijfsrecht van de verdachte ingetrokken. Tegen deze beslissing heeft de verdachte geen bezwaar ingesteld en de bezwaartermijn is inmiddels verstreken. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw namens de verdachte verklaard dat de verdachte niet naar Polen wenst terug te keren. Het is aannemelijk dat de verdachte na zijn detentie in Nederland zal blijven, zonder dat recidivebeperkende interventies kunnen worden uitgevoerd. Oplegging van een kortdurende gevangenisstraf, zoals door de raadsvrouw is verzocht, is daarom niet passend. Daarnaast is niet gebleken dat de verdachte, zodra hij vrijkomt, in vreemdelingendetentie zal worden geplaatst. De rechtbank ziet gelet hierop ook geen reden om de ISD-maatregel in voorwaardelijke zin op te leggen. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Gelet op het voorgaande zal de rechtbank, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren opleggen. Aangezien de insteek van de ISD-maatregel is om de verdachte terug te laten keren naar Polen, zal de rechtbank bepalen dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de duur van de ISD-maatregel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank merkt op dat de ISD-maatregel bij een eventuele repatriëring kan worden opgeheven door de minister van Justitie en Veiligheid. De snelheid waarmee een dergelijke repatriëring kan plaatsvinden, hangt mede af van de mate waarin de verdachte daaraan medewerking verleent. Daarmee heeft de verdachte invloed op de duur van de ISD- maatregel.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is, net als de rechter-commissaris, van oordeel dat de inverzekeringstelling onrechtmatig is, omdat een vertaald bevel van de inverzekeringstelling had moeten worden uitgereikt en dit niet is gebeurd. De rechtbank volstaat met de enkele constatering van het vormverzuim, omdat geen sprake is van een zodanig ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat de verdachte voordat hij in verzekering werd gesteld is verhoord door de politie en dat hem tijdens dat verhoor in een voor hem begrijpelijke taal is medegedeeld ten aanzien van welk strafbare feit de verdenking was gerezen, waarop de verdachte reageerde met dat hij dit begreep. Daarnaast gaf de verdachte tijdens dit verhoor aan dat hij vaker is aangehouden voor soortgelijke feiten. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tot slot verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw dat bij de straftoemeting rekening zou moeten worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is gelet op zijn verslaving. Er zijn geen aanwijzingen dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens. Ten aanzien van zijn verslavingsproblematiek is onvoldoende komen vast te staan of en in hoeverre deze problematiek zijn gedragskeuzes heeft beïnvloed. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Vordering tot tenuitvoerlegging</title>
    <para>Bij vonnis van 1 april 2025 in de zaak met parketnummer 15/002316-25 heeft de politierechter van de rechtbank Noord-Holland de verdachte ter zake van diefstal en lokaalvredebreuk veroordeeld tot, onder meer, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a Sv is op 4 april 2025 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 15 april 2025 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De officier van justitie vordert dat de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging zal afwijzen gelet op de gevorderde ISD-maatregel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de vordering moet worden afgewezen, omdat tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, gelet op de aan de verdachte op te leggen onvoorwaardelijke ISD-maatregel, niet opportuun is.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <parablock>
      <para>De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:</para>
      <para>38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>9</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Legt op de maatregel tot plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van <emphasis role="bold">2 [twee] jaren</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter van de rechtbank Noord-Holland in de zaak met parketnummer 15/002316-25 opgelegde voorwaardelijke straf.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum</emphasis>
      </para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr. L. Boonstra, voorzitter,</para>
      <para>mr. N.M.L. Rogmans en mr. A. Stronkhorst, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van de griffier mr. D. Koppe, </para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 januari 2026.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>