<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:6927</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-09T19:01:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HAA 24/5832</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/1875</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:6927">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:6927</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-26T15:00:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:6927 Rechtbank Noord-Holland , 22-05-2025 / HAA 24/5832</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:6927:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Toeslagen. Eiseres beschikte op de peildatum over een vermogen boven de vermogensgrens voor de toeslagen. Er is ook geen sprake van bijzondere omstandigheden die reden geven tot matiging van de terugvordering. Verweerder heeft daarom het verzoek om herziening van de berekening van de toeslagen terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:6927:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank noord-holland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 24/5832</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Dienst Toeslagen, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft verweerder verzocht om herziening van de berekening van de toeslagen voor het jaar 2023. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen de afwijzende beslissing op haar herzieningsverzoek bezwaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2025 te Haarlem. Eiseres heeft de rechtbank voorafgaand per brief geïnformeerd dat zij niet bij de zitting aanwezig zou zijn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiseres en haar ex-partner zijn uit elkaar gegaan. Eiseres heeft haar onverdeelde aandeel van de gezamenlijke woning aan haar ex-partner verkocht. De opbrengst van de verkoop stond op 1 januari 2023 op de bankrekening van eiseres.</para>
    <para />
    <para>2. Vanaf augustus 2022 tot en met 30 juni 2023 heeft eiseres samen met haar twee destijds minderjarige kinderen in een huurwoning gewoond. </para>
    <para />
    <para>3. Op 11 juli 2023 heeft eiseres een appartement gekocht, waarvoor ze de opbrengst uit de verkoop van haar aandeel van de voormalige woning heeft gebruikt. Op 2 augustus 2023 heeft de overdracht van de woning plaatsgevonden. Op 3 augustus 2023 zijn eiseres en haar kinderen verhuisd naar het aangekochte appartement. </para>
    <bridgehead role="italic">Voorschotbeschikkingen</bridgehead>
    <para>4. Met dagtekening 28 december 2022 zijn aan eiseres voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag voor het jaar 2023 toegekend van respectievelijk € 1.858, € 5.970 en € 4.254. Bij het vaststellen van deze voorschotten is verweerder uitgegaan van een geschat inkomen van € 11.199.</para>
    <para />
    <para>5. Op 11 april 2023 heeft verweerder een melding ontvangen vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) dat eiseres heeft doorgegeven dat zij in 2023 een geschat vermogen heeft van € 276.500.</para>
    <para />
    <para>6. Bij beschikkingen met dagtekening 24 mei 2023 zijn de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag allemaal herzien tot nihil. Bij het vaststellen van de herziene voorschotten is verweerder uitgegaan van een geschat inkomen van € 11.199 en een geschat vermogen van € 276.500.</para>
    <para />
    <para>7. Per brieven van 20 mei 2023 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat zij € 773 aan zorgtoeslag, € 2.569 aan kindgebonden budget en € 1.770 aan huurtoeslag moest terugbetalen. Eiseres heeft deze bedragen aan verweerder terugbetaald.</para>
    <para />
    <para>8. Eiseres heeft op 16 april 2024 een schriftelijk verzoek ingediend om herziening van de berekening van de toeslagen voor het jaar 2023. Op 23 mei 2024 heeft verweerder met eiseres gebeld. Verweerder heeft het verzoek bij beslissing van 30 mei 2024 afgewezen.</para>
    <para />
    <para>9. Eiseres heeft bij brief van 1 juli 2024 bezwaar ingesteld tegen de afwijzing van het herzieningsverzoek. Op 24 juli 2024 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Definitieve beschikkingen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. De zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag voor het jaar 2023 zijn ten tijde van de zitting bij de rechtbank nog niet definitief berekend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. In geschil is of verweerder het herzieningsverzoek van eiseres terecht heeft afgewezen. Meer in het bijzonder is in geschil of verweerder de bij beschikking van 24 mei 2023 vastgestelde bedragen aan zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag voor het jaar 2023 terecht niet heeft herzien en, zo ja, of verweerder de terugvorderingsbeschikkingen van 20 mei 2023 terecht niet heeft gematigd.</para>
    <para />
    <para>12. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar herzieningsverzoek ten onrechte is afgewezen. De administratieve berekening van de toeslagen over het hele kalenderjaar 2023 met 1 januari 2023 als peildatum voor het vermogen, doet volgens eiseres geen recht aan haar situatie. Vanwege haar lage inkomen had eiseres het gehele jaar 2023 behoefte aan de toeslagen en die behoefte is niet gewijzigd doordat zij op 1 januari 2023 beschikte over vermogen boven de vermogensgrens. </para>
    <para />
    <para>13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het herzieningsverzoek terecht is afgewezen. Eiseres heeft volgens verweerder geen recht heeft op toeslagen in het jaar 2023, omdat haar vastgestelde vermogen de vermogensgrens voor de toeslagen overschrijdt. Verder zijn de door eiseres genoemde omstandigheden op zichzelf of in samenhang bezien niet aan te merken als bijzondere omstandigheden die reden geven tot matiging van de terugvordering.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Berekening van de toeslagen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>14. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte slechts heeft gekeken naar de hoogte van haar vermogen op de peildatum van 1 januari 2023 en geen rekening heeft gehouden met de behoefte van eiseres aan de toeslagen en de bijzondere situatie die zich in 2023 voordeed. Eiseres voert aan dat er een duidelijk aanwijsbare reden is voor de incidentele piek in haar vermogen, namelijk de verkoop van haar aandeel van de voormalige woning aan de ex-partner. Zij had slechts tijdelijk (vanaf eind 2022 tot en met 28 juli 2023) een hoog geldbedrag op haar bankrekening staan en zij kon dat geld ook niet uitgeven omdat zij het nodig had voor het aanschaffen van een nieuwe woning, die zij uiteindelijk ook op 28 juli 2023 heeft gekocht. De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres zo dat zij stelt dat zij het gehele kalenderjaar 2023 recht heeft op de toeslagen, maar in ieder geval vanaf augustus 2023, omdat zij toen feitelijk niet meer over het vermogen beschikte. </para>
    <para />
    <para>15. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat gekeken moet worden naar het vermogen op de peildatum, en niet – zoals eiseres wenst – naar het feitelijke vermogen gedurende het gehele kalenderjaar 2023. </para>
    <para />
    <para>16. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet in haar standpunt kan worden gevolgd en overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>17. Het recht op en de hoogte van de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen. Dit staat in de Wet op de zorgtoeslag, de Wet op het kindgebonden budget, de Wet op de huurtoeslag en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir).</para>
    <para />
    <para>18. Die wetten schrijven een vermogenstoets voor. De vermogenstoets houdt in dat er geen aanspraak bestaat op zorgtoeslag, kindgebonden budget of huurtoeslag als het vermogen van de burger op de peildatum boven een bepaalde grens ligt. Het idee daarachter is dat een burger met vermogen boven een bepaalde grens over genoeg geld beschikt om de huur, premie zorgverzekering en uitgaven voor kinderen zelf te betalen en daarbij geen hulp nodig heeft van de overheid. De wetgever heeft er daarbij voor gekozen om de peildatum vast te stellen op 1 januari van het jaar waarin aanspraak gemaakt wordt op de toeslagen.</para>
    <para />
    <para>19. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op de peildatum (1 januari 2023) beschikte over een vermogen boven de vermogensgrens voor de genoemde toeslagen. </para>
    <para />
    <para>20. Voor sommige (groepen) gevallen, waarin toepassing van de Awir leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zijn in de Uitvoeringsregeling Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Uitvoeringsregeling) afwijkende maatregelen getroffen. In de Uitvoeringsregeling zijn gevallen opgesomd, waarin vermogen op verzoek buiten toepassing moet worden gelaten, maar van zo’n situatie is in het geval van eiseres geen sprake.</para>
    <para />
    <para>21. De wetten laten verder geen ruimte aan verweerder – of de rechtbank – om de persoonlijke omstandigheden van eiseres in aanmerking te nemen of om haar belangen mee te wegen bij het bepalen van het recht op en de hoogte van de toeslagen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres niet het gevoel heeft dat de berekening van het recht op toeslagen aansluit bij haar feitelijke behoefte aan toeslagen, betekent dit niet dat zij daarom toch recht heeft op de toeslagen. De tekst van de regelingen en de bedoeling van de wetgever zijn duidelijk. Voor zover eiseres bedoelt te stellen dat de regelingen oneerlijk zijn, merkt de rechtbank op dat de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen volgens de wet moet rechtspreken en dat de rechter de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag beoordelen. De rechtbank kan dus niets met de bezwaren van eiseres tegen de wettelijke regelingen. </para>
    <para />
    <para>22. Op basis van de regelingen heeft verweerder terecht het vermogen op de peildatum 1 januari 2023 meegenomen in de berekening van de toeslagen waardoor de toeslagen terecht op nihil zijn vastgesteld en het herzieningsverzoek terecht is afgewezen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Terugvordering</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>23. Eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege haar lage inkomen het gehele jaar 2023 behoefte had aan toeslagen. Om aan te geven dat de behoefte aan toeslagen is blijven bestaan, wijst eiseres erop dat zij in het jaar 2024 wel weer toeslagen ontvangt. De rechtbank begrijpt dit betoog van eiseres zo, dat zij hiermee mede bedoelt dat de terugvordering van de toeslagen over het jaar 2023 gematigd had moeten worden. </para>
    <para />
    <para>24. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er in de situatie van eiseres geen ruimte bestaat om de terugvordering te matigen. Verweerder verwijst daarbij naar het beleid met betrekking tot het matigen van terugvorderingen van toeslagen, zoals opgenomen in het Verzamelbesluit Toeslagen (hierna: Verzamelbesluit).</para>
    <para />
    <para>25. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt is dat verweerder het volledige bedrag aan te veel ontvangen toeslagen terugvordert, omdat eiseres in eerste instantie te hoge bedragen aan gemeenschapsgelden (in de vorm van voorschotten voor de toeslagen) heeft ontvangen. Dit is alleen anders als de nadelige gevolgen van terugvordering voor eiseres onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de terugvordering. Alleen in dat geval kan verweerder het bedrag van de terugvordering matigen. Dit staat in artikel 26 van de Awir.</para>
    <para />
    <para>26. In het Verzamelbesluit zijn er verschillende omstandigheden genoemd die kunnen maken dat een terugvordering in een specifiek geval onevenredig of juist niet onevenredig is. Volgens het Verzamelbesluit is van een onevenredige terugvordering in beginsel geen sprake als de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van een vermogensgrens.</para>
    <para />
    <para>27. De door eiseres genoemde bijzondere omstandigheden, namelijk dat zij slechts enkele maanden feitelijk over het vermogen heeft beschikt en dat zij het geld niet kon gebruiken om van te leven, maar heeft bewaard voor het kopen van een woning, geven de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de terugvorderingen daarom gematigd hadden moeten worden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat het wettelijke systeem met een peildatum op 1 januari voor eiseres nadelig heeft uitgepakt, zijn die nadelige gevolgen volgens de rechtbank niet onevenredig in verhouding tot de terugvordering van het te veel ontvangen gemeenschapsgeld.</para>
    <para />
    <para>28. Ten slotte overweegt de rechtbank dat, voor zover eiseres heeft bedoeld te stellen dat haar financiële situatie dusdanig slecht is dat de terugvorderingen om die reden gematigd hadden moeten worden, eiseres dit onvoldoende heeft onderbouwd.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie en gevolgen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>29. Gelet op het bovenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>30. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat het beroep ongegrond is. </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. I. Kroesemeijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is per post aan partijen verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>