<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:6820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-03T09:57:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15.03249925</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:6820">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:6820</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-03T09:56:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:6820 Rechtbank Noord-Holland , 13-05-2025 / 15.03249925</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:6820:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Gevangenisstraf van 10 maanden voor het medeplegen van de invoer van 1260 gram cocaïne. (Gedeeltelijk) bekennende drugskoerier. Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het medeplegen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:6820:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Straf, zittingsplaats Haarlem</para>
      <para>Meervoudige strafkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 15.032499.25 (P)</para>
      <para>Uitspraakdatum: 13 mei 2025</para>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 april 2025 in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam verdachte] </emphasis>
        <emphasis role="bold smallcaps">,</emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats 2] ,</para>
      <para>thans gedetineerd in P.I. Alphen, locatie Eikenlaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie <?linebreak?>mr. S.E. Bauduin en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. A. Vogelaar, advocaat te Krommenie, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Tenlastelegging </title>
    <para>Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>hij op of omstreeks 30 januari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Voorvragen</title>
    <para>De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de zaak, de officier van justitie is ontvankelijk en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>Beoordeling van het bewijs</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit, met uitzondering van het medeplegen, wettig en overtuigend kan worden bewezen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, mede op grond van de (gedeeltelijk) bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Gelet daarop zal worden volstaan met de hieronder vermelde opgave van de bewijsmiddelen op grond waarvan de rechtbank tot een bewezenverklaring is gekomen:</para>
        <para>- (…)</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De hiervoor vermelde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Nu de verdachte ontkent dat sprake is van medeplegen maar de rechtbank dat wel bewezen acht, zal de rechtbank volstaan met een nadere bewijsoverweging.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Nadere bewijsoverweging</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) op 30 januari 2025 samen van Curaçao naar Nederland zijn gereisd. In de koffers van zowel de verdachte als [medeverdachte 1] is cocaïne aangetroffen. Een groot aantal kledingstukken in beide koffers was geïmpregneerd met cocaïne.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of er een nauwe en bewuste samenwerking is geweest tussen de verdachte en [medeverdachte 1] bij de invoer van de cocaïne. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij degene is geweest die de met cocaïne geïmpregneerde kledingstukken in de koffers, waaronder begrepen de koffer van [medeverdachte 1] , heeft gedaan. De verdachte ontkent dat [medeverdachte 1] enige wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in haar koffer. De rechtbank volgt deze verklaring van de verdachte niet en overweegt als volgt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt voorop dat als uitgangspunt geldt, dat een passagier die per vliegtuig bagage met zich meevoert, met de inhoud daarvan bekend is en voor die inhoud dan ook verantwoordelijk is. Van dat uitgangspunt wordt alleen afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat die wetenschap niet heeft bestaan. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Ondanks hun penibele financiële situatie hebben de verdachte en [medeverdachte 1] samen besloten een reis(je) naar Nederland te maken. [medeverdachte 1] heeft de vliegtickets hiervoor aangeschaft. [medeverdachte 1] heeft de koffer met (geïmpregneerde) kledingstukken met zich meegevoerd. Deze omstandigheden, in samenhang bezien, maken dat naar het oordeel van de rechtbank het niet anders kan dan dat [medeverdachte 1] moet hebben geweten dat er cocaïne in haar koffer zat. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank vindt gelet op het voorgaande dat de verdachte en [medeverdachte 1] nauw en bewust hebben samengewerkt bij het opzettelijk binnen Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne. De rechtbank acht dus bewezen dat de verdachte de cocaïne tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft ingevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Bewezenverklaring</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>hij op 30 januari 2025 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Kwalificatie en strafbaarheid van het feit</title>
    <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A, van de</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opiumwet gegeven verbod.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is dus strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Strafbaarheid van de verdachte</title>
    <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>Motivering van de sanctie</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de officier van justitie</emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien maanden met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Standpunt van de verdediging</emphasis>
        </para>
        <para>De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de uitzichtloze situatie waarin de verdachte verkeerde door het verlies van zijn ouders. Gelet hierop heeft de raadsvrouw verzocht om de door de officier van justitie gevorderde straf te matigen en een groot deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
        </para>
        <para>Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander is gebleken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ernst van het feit</emphasis>
        </para>
        <para>De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van in totaal 1260 gram cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was dermate hoog, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van (zware) criminaliteit, waaronder ernstige gewelds- en levensdelicten. Daarnaast plegen gebruikers van cocaïne geregeld strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Ook om die reden worden forse straffen opgelegd voor de invoer van harddrugs.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Persoon van de verdachte </emphasis>
        </para>
        <para>Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte (Uittreksel Justitiële Documentatie) van 7 april 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte in Nederland niet eerder is veroordeeld. Het strafblad weegt daarom noch in het voordeel noch in het nadeel van de verdachte mee.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De op te leggen straf</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank gaat bij de strafoplegging uit van de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze dienen immers ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Volgens deze oriëntatiepunten is het uitgangspunt bij de invoer van een hoeveelheid harddrugs met een gewicht tussen 1000 en 1500 gram een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht tot twaalf maanden. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden geen aanleiding om af te wijken van bovengenoemde oriëntatiepunten. Alles afwegende is de rechtbank, evenals de officier van justitie, van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van tien maanden passend en geboden is, met aftrek van het voorarrest.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tenuitvoerlegging</emphasis>
        </para>
        <para>Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para>De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>47 van het Wetboek van Strafrecht;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>2 en 10 van de Opiumwet.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>8</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van <emphasis role="bold">10 (tien) maanden</emphasis>;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum</emphasis>
      </para>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr. L. Boonstra, voorzitter,</para>
      <para>mr. V.J.A. de Weerd en mr. H.P.H.I. Cleerdin, rechters,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Maerman, </para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>