<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:5822</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T16:00:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 25 _ 668</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:5822">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:5822</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-03T14:03:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:5822 Rechtbank Noord-Holland , 25-02-2025 / AWB - 25 _ 668</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:5822:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Betrokkene heeft een Wlz-indicatie en ontvangt daarvoor een pgb. Onenigheid met de zorgaanbieder heeft ertoe geleid dat betrokkene dakloos is geraakt. Betrokkene heeft vervolgens de gemeente verzocht maatwerk te leveren op grond van de Wmo. Dat is afgewezen. De gemeente staat betrokkene maximaal bij om weer de juiste zorg te ontvangen maar kan op grond van de Wmo niet meer leveren. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen daarom af.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:5822:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: HAA 25/668</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 februari 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Ang),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.J. Ferwerda).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Verzoeker heeft op 22 januari 2025 verweerder verzocht om een tijdelijke maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).</para>
    <para />
    <para>2. Bij e-mail van 29 januari 2025 heeft [naam] (ketenregisseur complexe casuïstiek, BW en MO) bericht dat verzoeker een plek in de opvang wordt aangeboden. Verder heeft [naam] in dat bericht geschreven dat verzoeker financiële ruimte heeft een hotel te reserveren en er vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) spoedzorg ambulant kan worden ingezet. </para>
    <para />
    <para>3. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 6 februari 2025 afgewezen. </para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. </para>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder. Tevens was [naam] aanwezig.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <para>7. Verzoeker beschikt sinds 6 december 2021 over een indicatie op grond van de Wlz  (wonen met intensieve begeleiding en gedragsregulatie, GGZ03). Verzoeker ontvangt hiervoor een pgb, waarmee hij zorg inkocht bij zorgaanbieder Moving Up. Deze zorgaanbieder heeft de zorgovereenkomst met verzoeker beëindigd per 10 januari 2025. </para>
    <para />
    <para>8. Omdat verzoeker vanaf 24 januari 2025 geen onderdak en geen zorg meer heeft,  heeft hij zich tot verweerder gewend. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <para>9. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ontvankelijkheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de e-mail van 29 januari 2025 geen appellabel besluit betreft. </para>
    <para />
    <para>11. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder inmiddels een beslissing naar aanleiding van de aanvraag van verzoeker heeft genomen. In het kader van deze voorlopigevoorzieningenprocedure acht de voorzieningenrechter het niet opportuun een (voorlopig) oordeel te geven over de vraag of de e-mail als een besluit moet worden aangemerkt of niet. Er ligt nu immers het besluit van 6 februari 2025, waarmee inhoudelijk is beslist op de aanvraag. De voorzieningenrechter neemt voor nu aan dat het bezwaar en het verzoek gericht zijn tegen dit besluit. Een andere benadering acht de voorzieningenrechter niet wenselijk, en ook niet efficiënt. Verzoeker zou dan genoodzaakt zijn een nieuw verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, waarna de voorzieningenrechter een nieuwe zitting zou agenderen en partijen opnieuw naar zitting zouden komen. Dat alles zonder dat er een wezenlijke wijziging in de situatie zou hebben plaatsgevonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inhoudelijk </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Verzoeker voert aan dat hij sinds 24 januari 2025 dakloos is en het hem aan de noodzakelijke zorg ontbreekt. Zonder de juiste zorg kan hij zowel een gevaar voor zichzelf als mogelijk ook voor anderen zijn. Opvang in de Wilhelminastraat is voor verzoeker niet passend. Hij is nu ondergebracht in een hotel zonder dat daarvoor middelen beschikbaar zijn gesteld door verweerder. Verder lukt het ook niet om ambulante zorg te krijgen of een andere zorgplek voor verzoeker te vinden. Verzoeker stelt dat verweerder in afwachting van een meer permanente oplossing daadwerkelijk maatwerk dient te verlenen aan verzoeker. Hij verzoekt de voorzieningenrechter daarom een voorlopige voorziening te treffen inhoudend dat aan hem passende opvang en zorg verleend wordt. </para>
    <para />
    <para>13. In het besluit van 6 februari 2025 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat opvang en begeleiding vanuit de Wmo niet passend is gezien de Wlz-indicatie van verzoeker. Daarbij is vermeld dat verzoeker wel gebruik mag maken van de slaapplek in de gemeentelijke opvangvoorziening totdat er voor hem een Wlz-plek is gevonden. In het verweerschrift geeft verweerder verder aan dat hij zich heeft ingezet en nog steeds inzet om verzoeker behulpzaam te zijn bij het vinden van een nieuwe zorgaanbieder.</para>
    <para />
    <para>14. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het erover eens zijn dat Wmo-opvang niet passend is voor verzoeker. Dat staat ook voor de voorzieningenrechter niet ter discussie. Verzoeker heeft niet voor niets een Wlz-indicatie GGZ03. Vanuit de Wmo kan deze intensieve zorg eenvoudigweg niet worden geboden. </para>
    <para />
    <para>15. De voorzieningenrechter constateert verder dat verweerder intensief betrokken is bij verzoeker en alle moeite doet om hem behulpzaam te zijn, maar daarbij, evenals de andere organisaties die verzoeker proberen te helpen, aanloopt tegen het feit dat voor mensen als verzoeker onvoldoende geschikte plaatsen beschikbaar zijn. Verzoeker is in verschillende overlegstructuren besproken, en besprekingen en inspanningen vinden nog steeds plaats met als doel om uiteindelijk tot een geschikt zorgaanbod voor verzoeker te komen. </para>
    <para />
    <para>16. Als tussenoplossing heeft verweerder voorgesteld te proberen ambulante zorg in te zetten als overbrugging voor de periode dat er nog geen geschikte plek is gevonden. Deze zorg kan worden betaald uit het pgb dat verzoeker heeft. Omdat hij dat pgb heeft, zal verzoeker zelf moeten regelen dat die zorg wordt ingekocht. Indien voor verzoeker een tijdelijk verblijf in een hotel met ambulante zorg kan worden georganiseerd (in afwachting van een meer structurele oplossing) zal verzoeker de hotelkosten in eerste instantie uit eigen middelen moeten (voor)financieren. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat van de bewindvoerder mag worden verwacht dat deze binnen zijn mogelijkheden een constructieve bijdrage levert door de noodzakelijke middelen ter beschikking te stellen. De omstandigheid dat de middelen deels bestaan uit ontvangen verzekeringsgeld, dat bedoeld is om nieuwe inboedel aan te schaffen, maakt niet dat die middelen niet op een andere wijze mogen worden ingezet als dat noodzakelijk is. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding verweerder op te dragen de hotelkosten te voldoen.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>17. In beginsel bestaat geen aanspraak op Wmo-opvang als er een Wlz-indicatie is verleend, maar dat kan onder bijzondere omstandigheden anders zijn. In dit geval is weliswaar sprake van bijzondere omstandigheden, maar verleent verweerder – hoewel niet in formele zin – verzoeker wel toegang tot de Wmo-opvang. Daarnaast biedt verweerder verzoeker maximaal ondersteuning in het vinden van een nieuwe zorgaanbieder. Voor de periode waarin nog geen nieuwe zorgaanbieder is gevonden, kan verzoeker zelf met zijn pgb ambulante zorg inkopen. Daarnaast moet hij in staat worden geacht de hotelkosten uit eigen middelen te kunnen voldoen. </para>
    <para />
    <para>18. Het voorgaande leidt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat geen aanleiding bestaat voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</bridgehead>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>