<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:5427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-01T10:05:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HAA 24/2794, 24/2795 en 24/2796</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2025061703</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2025-1275</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2025/1246</rdf:li>
          <rdf:li>NDFR Nieuws 2025/1035</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2025/1396</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2025/1196 met annotatie van mr. D. Hajer</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2025/42.5 met annotatie van Redactie</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:5427">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:5427</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-16T15:02:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:5427 Rechtbank Noord-Holland , 13-05-2025 / HAA 24/2794, 24/2795 en 24/2796</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:5427:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser heeft gedurende de jaren 2018, 2019 en 2020 op schepen gewerkt die alle voeren op de internationale wateren. In geschil is of eiser recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting voor deze inkomsten die hij ontving van zijn Zwitserse werkgever. Meer in het bijzonder is in geschil of de activiteiten van de schepen waarop eiser werkzaam was in voornoemde jaren onder het toepassingsbereik van artikel 15, derde lid, van het Belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland (belastingverdrag) vallen. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:5427:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank noord-holland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: HAA 24/2794, HAA 24/2795 en HAA 24/2796</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2025 in de zaken tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: C.J. Roozen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">HAA 24/2794</emphasis>
      </para>
      <para>Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2018 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 41.542.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">HAA 24/2795</emphasis>
      </para>
      <para>Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 64.201.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">HAA 24/2796</emphasis>
      </para>
      <para>Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 80.085 en een premie-inkomen van € 8.678.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Alle zaken</emphasis>
      </para>
      <para>Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslagen 2018, 2019 en 2020.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij afzonderlijke uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 maart 2025 te Haarlem. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser en zijn gemachtigde zijn, na voorafgaande afmelding door eisers gemachtigde per brief ontvangen bij de rechtbank op 19 maart 2025, niet verschenen ter zitting. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Eiser was gedurende geheel 2018, 2019 en 2020 woonachtig in Nederland.</para>
    <para />
    <para>2. In de periode 17 juli 2017 tot en met 30 september 2020 heeft eiser in loondienst werkzaamheden verricht voor [bedrijf 1] ( [bedrijf 1] ), gevestigd in Zwitserland. De werknemers van [bedrijf 1] worden tewerkgesteld op schepen van de aan [bedrijf 1] gelieerde vennootschap [bedrijf 2] S.A. ( [bedrijf 2] ), waarvan de werkelijke leiding is gelegen in Zwitserland. </para>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft vanaf 1 januari 2018 tot en met 30 september 2020 gewerkt op schepen die behoren tot de vloot van [bedrijf 2] . In 2018 had eiser de functie van <emphasis role="italic">3rd mate </emphasis>en heeft hij gewerkt op de schepen [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] . In 2019 had eiser de functie van <emphasis role="italic">3rd </emphasis>en <emphasis role="italic">2nd mate </emphasis>en heeft hij gewerkt op de schepen [naam 2] en [naam 5] . In 2020 had hij de functie van <emphasis role="italic">2nd mate</emphasis> en heeft hij gewerkt op het schip [naam 5] . De schepen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] voeren in 2018, 2019 en 2020 op internationale wateren. De schepen [naam 2] en [naam 3] zijn pijplegschepen en [naam 4] en [naam 5] zijn offshore constructieschepen.</para>
    <para />
    <para>4. Op de website van [bedrijf 2] is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:</para>
    <parablock>
      <para>“From offshore pipelaying to installing and removing offshore structures, [bedrijf 2]</para>
      <para>excels in the design and execution of large and complex offshore projects for major</para>
      <para>oil and gas producing companies worldwide. Activities include design, engineering,</para>
      <para>procurement, fabrication and project management.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser staat in de onderhavige jaren op de loonlijst bij [bedrijf 1] , dat zich in Nederland heeft geregistreerd als inhoudingsplichtige voor de loonheffingen. In 2018 ontving eiser een fiscaal loon van € 46.548, waarbij € 7.797 loonheffing is ingehouden. In 2019 ontving eiser een fiscaal loon van € 66.377, waarbij € 15.717 is ingehouden en in 2020 ontving eiser van [bedrijf 1] een fiscaal loon van € 71.180, waarbij € 19.160 is ingehouden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geschil en standpunten van partijen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. In geschil is of eiser recht heeft op aftrek ter voorkoming van dubbele belasting (aftrek) voor zijn inkomsten van [bedrijf 1] in 2018, 2019 en/of 2020. Meer in het bijzonder is in geschil of de activiteiten van de schepen waarop eiser werkzaam was in voornoemde jaren onder het toepassingsbereik van artikel 15, derde lid, van het Belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland van 26 februari 2010 (het belastingverdrag) vallen.</para>
    <para />
    <para>7. Eiser stelt dat het heffingsrecht ten aanzien van zijn inkomsten van [bedrijf 1] in 2018, 2019 en 2020 op basis van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag aan Zwitserland toekomt. Derhalve dient Nederland aftrek te verlenen voor de totale van [bedrijf 1] ontvangen inkomsten in de jaren 2018, 2019 en 2020.</para>
    <para>Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen.</para>
    <para />
    <para>8. Verweerder stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2018, 2019 en 2020 recht bestaat op de gevraagde aftrek. Artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag is volgens verweerder niet van toepassing. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser tegen beter weten in procedeert en misbruik maakt van procesrecht, zodat er aanleiding bestaat eiser te veroordelen tot een proceskostenvergoeding.</para>
    <para>Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Vooraf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>9. Eiser heeft verzocht de behandeling aan te houden tot hof ’s-Hertogenbosch heeft beslist in een vergelijkbare zaak. De rechtbank heeft dit verzoek niet gehonoreerd. Zij ziet geen aanleiding om de zitting en de uitspraak aan te houden nu de Hoge Raad zich reeds eerder over de uitleg van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag heeft uitgelaten en eiser in de onderhavige zaken nauwelijks feiten heeft gesteld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>10. Op grond van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag mag de beloning die een inwoner van één van de verdragsluitende staten verkrijgt ter zake van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, worden belast in de verdragsluitende staat waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen. De woonstaat van de werknemer moet voor deze inkomsten voorkoming van dubbele belasting verlenen op grond van artikel 22, tweede lid, van het belastingverdrag.</para>
    <para />
    <para>11. Uit het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1845) volgt dat de toewijzingsregel van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag ziet op schepen die zich bezighouden met commercieel vervoer van personen en goederen in internationaal verkeer en daarmee samenhangende en bijkomstige activiteiten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Toepassing van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>12. Op eiser, die zich beroept op een vermindering van de volgens de nationale wet verschuldigde heffing, rust in beginsel de last om feiten en omstandigheden te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die tot het oordeel kunnen leiden dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag.</para>
    <para />
    <para>13. Eiser stelt dat het eventuele vervoer van personen en goederen de hoofdactiviteit van de schepen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] is. Verweerder heeft dit betwist en stelt dat de pijplegschepen [naam 2] en [naam 3] weliswaar pijpen vervoeren, maar dat de kernactiviteit van deze schepen het leggen van pijpleidingen op de zeebodem is. Voor wat betreft de offshore constructieschepen [naam 4] en [naam 5] stelt verweerder dat deze schepen met name constructiewerkzaamheden uitvoeren. Gelet op de betwisting door verweerder is het aan eiser om zijn stellingen aannemelijk te maken. Eiser heeft zijn stellingen over de feitelijke situatie op de schepen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] echter in het geheel niet gestaafd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser reeds daarom niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip dat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd, zoals is bedoeld in artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag. </para>
    <para />
    <para>14. Gelet op het voorgaande kan eiser niet met vrucht een beroep doen op het bepaalde in artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag. Aangezien eiser in de onderhavige jaren inwoner was van Nederland en hij niet in Zwitserland heeft gewerkt, maar op internationale wateren, heeft Nederland op grond van artikel 15, eerste lid, van het belastingverdrag het exclusieve heffingsrecht over de inkomsten die eiser heeft genoten van [bedrijf 1] in 2018, 2019 en 2020.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>15. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>16. Verweerder betoogt dat sprake is van misbruik van procesrecht en vraagt de rechtbank daarom om eiser in de proceskosten te veroordelen. Verweerder heeft hiertoe naar voren gebracht dat eiser tegen beter weten in procedeert nu de rechtsvraag in de onderhavige procedure reeds is beantwoord door de Hoge Raad, er door (gemachtigde van) eiser meerdere procedures zijn gevoerd waarin andere werknemers van [bedrijf 1] in het ongelijk zijn gesteld en eiser geen nieuwe feiten stelt. </para>
    <para />
    <para>17. Wat er ook zij van eisers handelswijze, de rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt. Het staat eiser vrij om een beroep te doen op artikel 15, derde lid, van het belastingverdrag. Ook als (de gemachtigde van) eiser dit standpunt vaker inneemt, leidt dat er niet toe dat reeds daarom sprake is van misbruik van procesrecht. Dat over de onderliggende rechtsvraag ondertussen door de Hoge Raad is geoordeeld, laat onverlet dat de feiten in de onderhavige zaak anders kunnen liggen dan de feiten zoals deze zijn vastgesteld in eerdere procedures. Andere feiten kunnen immers leiden tot een andere uitkomst bij de beoordeling van verdragstoepassing. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser te veroordelen in de proceskosten.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mrs. J. Snitker en <?linebreak?>G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. F.C. Claushuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.<?linebreak?></para>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
    <para>2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. 	de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. 	de datum van verzending;</para>
    <para>c. 	een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. 	 de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>