<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:5348</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-14T11:14:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10283199 \ CV EXPL  23-368</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:5348">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:5348</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-14T11:12:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:5348 Rechtbank Noord-Holland , 14-05-2025 / 10283199 \ CV EXPL  23-368</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:5348:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Luchtvaart. Incident tot zekerheidstelling voor de proceskosten</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:5348:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 10283199 \ CV EXPL  23-368</para>
      <para>Uitspraakdatum: 14 mei 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>, pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenworodiger van zijn minderjarige kinderen <emphasis role="bold">[minderjarige 1]</emphasis>, <emphasis role="bold">[minderjarige 2]</emphasis> en <emphasis role="bold">[minderjarige 3]		</emphasis></para>
      <para>wonende te [plaats], Verenigde Arabische Emiraten</para>
      <para>eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: de passagier</para>
      <para>gemachtigde: Aliter Melius B.V.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar buitenlands recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">British Airways</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Harmondsworth, Verenigd Koninkrijk</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident</para>
      <para>hierna te noemen: de vervoerder</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.J.O. Zandt (Ploum)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding:</para>
      <para>- de conclusie van antwoord in de hoofdzaak;</para>
      <para>- de conclusie van repliek in de hoofdzaak;</para>
      <para>- de conclusie van dupliek in de hoofdzaak;</para>
      <para>- de incidentele conclusie tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord in het incident;</para>
      <para>- de akte uitlaten van de passagier van 12 maart 2025;</para>
      <para>- het bericht van 3 april 2025 van de vervoerder van waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de akte uitlaten;</para>
      <para>- het verzoek van de passagier van 6 mei 2025 om een mondelinge behandeling;</para>
      <para>- de reactie van de vervoerder op dit verzoek.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het incident</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De vervoerder vordert om de passagier te veroordelen om zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan de passagier in de hoofdzaak zou kunnen veroordeeld.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De vervoerder legt aan de vordering ten grondslag dat hij bij afwijzing van de vordering van de passagier in de hoofdzaak het risico loopt de proceskosten niet op de passagier te kunnen verhalen omdat de passagier gedurende de procedure is verhuisd naar [plaats], de Verenigde Arabische Emiraten, en hij daar nu woont. Ter onderbouwing verwijst hij naar een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Volgens de passagier had het incident voor alle weren moeten worden opgeworpen en bestaat er overigens geen verplichting om zekerheid te stellen. Op zijn verweer zal worden ingegaan bij de beoordeling van het geschil</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling in het incident</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Degene zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland die bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, moet op vordering van de wederpartij zekerheid stellen voor de proceskosten en de schadevergoeding tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden. Het betoog van de passagier dat dit incident voor alle weren opgeworpen had moeten worden opgeworpen<footnote-ref linkend="_cc1fdcd1-4472-4ed6-988b-a1b0325560f3" />.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De passagier betwist dat hij geen woon- of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Weliswaar heeft hij zich inderdaad tijdelijk uitgeschreven uit het Nederlandse BRP, maar dit was nodig voor een verzekeringskwestie. De passagier doet dit vaker en keert altijd na een korte uitschrijving weer terug naar Nederland. Hij verwijst hiertoe naar een uittreksel uit de BRP. Hij heeft ook een Nederlandse zorgverzekering en ontvangt zorgtoeslag in Nederland. Daarnaast heeft hij een Nederlandse creditcard en een Nederlandse bankrekening. Ter onderbouwing heeft hij afschriften van deze gegevens overgelegd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Gelet op de gemotiveerde betwisting door de passagier, oordeelt de kantonrechter dat de enkele door de vervoerder aangevoerde omstandigheid dat de passagier niet staat ingeschreven in de BRP, onvoldoende is om te aan te nemen dat hij geen woon- of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Daarom zal de vordering tot zekerheidstelling van de vervoerder worden afgewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De vervoerder krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van de passagier in het incident betalen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De passagier vordert om de vervoerder te veroordelen in de werkelijke proceskosten van het incident omdat de vervoerder dit incident nodeloos heeft opgeworpen. Daarnaast heeft de vervoerder de waarheidsplicht geschonden door een gedeelte van het uittreksel uit de BRP zwart te lakken. Uit dit gedeelte bleek nu juist dat de passagier regelmatig na tijdelijke uitschrijving uit het BRP weer terugkeert naar Nederland, aldus de passagier.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De kantonrechter ziet echter onvoldoende aanleiding om de vervoerder te veroordelen in de werkelijke kosten van het incident. De kantonrechter overweegt dat een dergelijke vordering alleen toewijsbaar is in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Het door de vervoerder zwart lakken van gedeelten uit het uittreksel uit de BRP die niet dienden ter onderbouwing van zijn betoog, kan niet worden aangemerkt als misbruik van procesrecht dan wel onrechtmatig handelen. Het stond de passagier immers vrij om zelf verweer te voeren en daarbij zelf een volledig(er) uittreksel te overleggen, waarin de voor zijn verweer relevante informatie wel stond vermeld. Dit heeft hij bij antwoord in het incident ook gedaan. Daarnaast heeft de passagier onvoldoende onderbouwd dat het opwerpen van het incident op andere gronden misbruik van procesrecht inhield of onrechtmatig was. De vordering van de passagier tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten in het incident zal daarom worden afgewezen. De kantonrechter begroot deze kosten op € 82,00.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling in de hoofdzaak<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De vervoerder heeft bezwaar gemaakt tegen de akte uitlating van de passagier van 12 maart 2025. Vervolgens heeft de passagier verzocht een mondelinge behandeling te bepalen. In reactie hierop heeft de vervoerder de kantonrechter desgevraagd op 8 mei 2025 bericht: <?linebreak?>“Een mondelinge behandeling lijkt ons, in dit stadium, niet efficiënt. Om beide partijen zowel kosten als tijd te besparen, stellen wij voor om partijen nog eenmaal in de gelegenheid te stellen om zich per akte uit te laten”. <?linebreak?>De kantonrechter begrijpt dat de vervoerder zich niet langer verzet tegen de akte uitlating van de passagiers van 12 maart 2025. De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van antwoordakte aan de zijde van de vervoerder. Vervolgens krijgt de passagier de gelegenheid zich erover uit te laten of het verzoek om een mondelinge behandeling wordt gehandhaafd. <?linebreak?></para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing	<?linebreak?>in het incident<?linebreak?>De kantonrechter:<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af;<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten in het incident, die tot en met vandaag voor de passagier worden vastgesteld op een bedrag van € 82,00;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>verklaart dit vonnis – wat de proceskostenveroordeling betreft – uitvoerbaar bij voorraad.</para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="bold">in de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van <emphasis role="bold">11 juni 2025</emphasis> voor <emphasis role="bold">akte uitlating</emphasis> door de vervoerder over hetgeen is overwogen in 4.1 van dit vonnis. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_cc1fdcd1-4472-4ed6-988b-a1b0325560f3" label="1">
    <para> Artikel 224 lid 1 en lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>