<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:2845</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-31T10:23:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-03-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/360553 / JU RK 24/1971</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:2845">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:2845</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-31T10:23:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:2845 Rechtbank Noord-Holland , 04-03-2025 / C/15/360553 / JU RK 24/1971</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:2845:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen. De rechtbank komt niet toe aan de toetsing van een perspectiefbesluit, nu daarvan in de onderhavige procedure geen sprake is.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:2845:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Familie- en Jeugdrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/15/360553 / JU RK 24/1971</para>
      <para>Datum uitspraak: 4 maart 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de gecertificeerde instelling <emphasis role="bold">William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &amp; Jeugdreclassering</emphasis>, </para>
      <para>gevestigd in Amsterdam,</para>
      <para>hierna te noemen: de GI, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>over</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de minderjarige 1]
        </emphasis>, </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [de minderjarige 1] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de minderjarige 2]
        </emphasis>, </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [de minderjarige 2] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de minderjarige 3]
        </emphasis>, </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [de minderjarige 3] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de minderjarige 4]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [de minderjarige 4] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de moeder]
        </emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de moeder,</para>
      <para>wonende in [plaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de vader]
        </emphasis>,</para>
      <para>hierna te noemen: de vader,</para>
      <para>wonende in [plaats] ,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,</para>
      <para>advocaat ouders: mr. F.G.T. Meershoek, kantoorhoudende in Den Haag,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de pleegouder 1] en [de pleegouder 2]</emphasis>,</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 1] ,</para>
      <para>wonende op een bij de rechtbank bekend adres,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de pleegouder 3] en [de pleegouder 4]</emphasis>,</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 2] ,</para>
      <para>wonende op een bij de rechtbank bekend adres,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de pleegouder 5] en [de pleegouder 6]</emphasis>,</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 3] ,</para>
      <para>wonende op een bij de rechtbank bekend adres,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [de pleegouder 7] en [de pleegouder 8]</emphasis>, </para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen: de pleegouders van [de minderjarige 4] ,</para>
      <para>wonende op een bij de rechtbank bekend adres.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: </para>
      <para>- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 31 december 2024;</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het bericht met bijlage van de GI, zijnde een rapport psychologisch onderzoek van de moeder van MEE &amp; de Wering, ontvangen op 2 januari 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het bericht met bijlage van de GI, zijnde het perspectiefbesluit van 24 januari 2024, ontvangen op 7 januari 2025;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) van het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing na twee jaar te verlengen, ontvangen op 3 maart 2025.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de ouders, bijgestaan door hun advocaat;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleegouders van [de minderjarige 1] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleegouders van [de minderjarige 2] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleegmoeder van [de minderjarige 3] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de pleegouders van [de minderjarige 4] ;</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , als vertegenwoordigers van de GI.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De voorzitter van de meervoudige kamer heeft aan een stagiaire van de GI bijzondere toegang tot de zitting verleend. Zij was als toehoorder in de zittingszaal aanwezig. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De kinderen verblijven in verschillende perspectief biedende pleeggezinnen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 december 2022 de kinderen met ingang van 29 december 2022 voorlopig onder toezicht gesteld. Bij beschikking van 16 maart 2023 zijn de kinderen definitief onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is daarna verlengd en duurt nu nog tot 16 maart 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 december 2022 ook een spoedmachtiging verleend om de kinderen met ingang van 29 december 2022 dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. De machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is daarna steeds verlengd en duurt nu nog tot 16 maart 2025. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De ouders hebben tegen de beschikking van de kinderrechter van 17 oktober 2023 inzake de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 12 maart 2024 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Door de ouders is tevens hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 15 maart 2024 inzake de verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2024. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij beschikking van 24 september 2024 de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het verzoek van de GI</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>De GI heeft de rechtbank verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar en de door de rechtbank te nemen beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Als onderbouwing van het verzoek heeft de GI in het verzoekschrift en ter zitting het volgende naar voren gebracht. De gronden die ten grondslag hebben gelegen aan de ondertoezichtstelling zijn nog steeds aanwezig, waardoor een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is in het belang van hun verzorging en opvoeding en/of tot onderzoek van hun geestelijke of lichamelijke gesteldheid noodzakelijk. In de beschikking van de meervoudige kamer van 15 maart 2024 werd al vastgesteld dat bij de ouders sprake is van (heftige) persoonlijke problematiek die heeft geleid tot een (fysiek en emotioneel) onveilige opvoedomgeving en vervuiling van de woning. Daarnaast was de hulpverlening, gericht op de kinderen en de opvoedvaardigheden van de ouders, nog niet opgestart. Om die redenen vormde een terugplaatsing van de kinderen een te groot risico, die niet in het belang van de kinderen kon worden geacht. Het was de opdracht aan de GI om binnen de looptijd van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing de nodige hulpverlening voor de ouders op te starten, zicht te krijgen op wat de kinderen individueel nodig hebben en de omgang met de kinderen uit te breiden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De William Schrikker Gezinsvormen (hierna te noemen: de WSGV) heeft in de afgelopen periode gepoogd onderzoek te doen naar het perspectief van de kinderen. Omdat de ouders onvoldoende hun medewerking hebben verleend aan het perspectiefonderzoek en onvoldoende beschikbaar waren, heeft de WSGV het perspectiefonderzoek niet kunnen uitvoeren en hiervan verslag gedaan aan de GI. Daarnaast hebben de ouders aan de GI kenbaar gemaakt niet langer tijdens de omgangsmomenten met de kinderen te zullen verschijnen. Weliswaar is het positief dat de ouders in januari 2025 terug lijken te zijn gekomen op hun beslissing om de omgang met de kinderen te staken, maar vooralsnog is sprake van een stroeve samenwerkingsrelatie tussen de GI en de ouders. Daarbij ziet de GI zich voor de vraag gesteld in hoeverre het hervatten van de omgang in het belang van de kinderen moet worden geacht, nu bij de kinderen sprake is van voldoende rust en stabiliteit om toe te komen aan de voor hen noodzakelijke diagnostiek en (trauma)behandeling en om zich goed te ontwikkelen. Dit geldt voor alle kinderen, maar in het bijzonder voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] , die onlangs zijn gestart met traumatherapie, en voor [de minderjarige 1] , die op korte termijn ook zal starten met de traumabehandeling. Daarom zal voor elk kind individueel gekeken moeten worden of, en zo ja, op welke wijze de omgang met de ouders hervat en opgebouwd kan worden, aldus de GI.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Vaststaat dat de kinderen in de thuissituatie bij de ouders veel hebben meegemaakt. Inmiddels verblijven de kinderen in verschillende perspectief biedende pleeggezinnen. De kinderen zijn gebaat bij de structuur, duidelijkheid en voorspelbaarheid die hen in de pleeggezinnen geboden wordt, waardoor een groei in hun ontwikkeling wordt waargenomen. Wel heeft de GI de indruk dat de situatie veel met de kinderen doet: [de minderjarige 1] geeft aan spanningen in haar buik te hebben en zich schuldig te voelen over uitingen die zij heeft gedaan, [de minderjarige 2] heeft behoefte aan duidelijkheid over zijn perspectief en heeft moeite met nieuwe gebeurtenissen en [de minderjarige 3] laat nauwelijks emoties zien en praat weinig over zijn ouders. [de minderjarige 4] heeft in de afgelopen periode zijn moeder één keer gezien en is daar erg door van slag geraakt. Daarnaast hebben de ouders de adressen waar de kinderen verblijven weten te achterhalen en hebben zij kaartjes naar de kinderen gestuurd, wat in ieder geval bij [de minderjarige 1] onrust en schrik teweeg heeft gebracht. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit dit alles volgt naar de mening van de GI dat het perspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt en een terugplaatsing niet in het belang van de kinderen is. Daarom verzoekt de GI de rechtbank het op 24 januari 2024 genomen perspectiefbesluit, in het licht van de nieuwe, actuele omstandigheden, aan haar toetsing te onderwerpen. Gelet op de omstandigheid dat de ouders onvoldoende medewerking verlenen aan hetgeen de kinderen nodig hebben, de samenwerking met de ouders onvoldoende van de grond komt en zij in het verleden meerdere keren hun toestemming hebben onthouden voor zaken die in het belang waren van de kinderen, zal de GI de aankomende periode de Raad verzoeken onderzoek te doen naar de noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel.</para>
        <para>4. <emphasis role="bold">De toetsing door de Raad voor de Kinderbescherming</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Raad heeft schriftelijk laten weten in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen na twee jaar te verlengen. De Raad is er gerust op dat de verlenging van de maatregelen het meest bijdragen aan het welzijn van de kinderen en om te zorgen dat het goed blijft gaan met de kinderen. De pleegouders zijn goed in staat om de kinderen te geven wat zij nodig hebben, zij komen in voldoende mate toe aan de speciale zorgbehoeften en angsten van de kinderen. In de pleeggezinnen wordt hen rust, voorspelbaarheid en structuur geboden, waardoor de kinderen zich goed ontwikkelen. De terugplaatsing van de kinderen bij de ouders acht de Raad niet in het belang van de kinderen. Daartoe is redengevend dat het perspectiefonderzoek door toedoen van de ouders, met name de vader, niet kon worden uitgevoerd, de ouders de omgangsmomenten met de kinderen hebben stilgelegd en op belangrijke momenten niet instemden met voor de kinderen noodzakelijke beslissingen. Daarmee is gebleken dat de ouders de afgelopen periode niet in staat zijn geweest in het belang van de kinderen te denken en vervolgens te handelen. Daar komt bij dat vooral [de minderjarige 1] kampt met onzekerheid over haar perspectief, maar dat ook voor de andere kinderen de aanvaardbare termijn inmiddels is verstreken. De Raad acht het van belang dat de GI de komende periode de Raad zal verzoeken om een onderzoek met betrekking tot het gezag van de ouders.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De standpunten van de belanghebbenden</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De ouders</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De ouders hebben ter zitting verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . Namens de ouders is gevraagd het verzoek voor kortere duur, dat wil zeggen zes maanden, toe te wijzen en het verzoek voor het overige deel af te wijzen dan wel aan te houden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De ouders verzetten zich niet tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Door en namens de ouders is verder het volgende aangevoerd. </para>
        <para>De ouders herkennen zich niet in de door de GI gestelde zorgen, in die zin dat die zorgen in de weg staan aan een terugplaatsing van de kinderen. Duidelijk is geworden dat het perspectiefonderzoek door de WSGV niet plaats heeft gevonden. Anders dan door de GI naar voren is gebracht, hebben de ouders wel hun medewerking willen verlenen aan het perspectiefonderzoek, maar is het onderzoek door de werkverplichtingen van de vader onvoldoende van de grond gekomen. Dat daaruit de conclusie wordt getrokken dat de ouders onvoldoende meewerken, betreuren de ouders. Zij hadden in het belang van de kinderen graag het perspectiefonderzoek laten uitvoeren. Ook de conclusie die wordt verbonden aan het stopzetten van de omgang met de kinderen, is onjuist. De ouders hebben de omgang met de kinderen stilgelegd om de kinderen de ruimte te geven voor hun aanstaande behandeling(en) en om te bezien of de door de kinderen vertoonde signalen daadwerkelijk – zoals werd gesteld door de GI – samenhingen met het contact met de ouders. Dit is zonder meer een moeilijke keuze voor de ouders geweest, maar een keuze die zij in het belang van hun kinderen hebben gemaakt. Nu de rust is wedergekeerd en de traumatherapie voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 3] is gestart, zien de ouders het liefst dat de omgang op zeer korte termijn wordt hervat en opgebouwd. Door de ouders wordt erkend dat het ten tijde van de uithuisplaatsing van de kinderen niet goed ging, maar sindsdien hebben zij goede stappen gemaakt. De ouders staan open voor alle hulpverlening en behandeling die noodzakelijk is. Dat maakt dat de kinderen volgens hen gefaseerd naar huis kunnen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Ten aanzien van het perspectiefbesluit van 24 januari 2024 is het volgende gesteld. Het perspectiefbesluit van 24 januari 2024 is eerder door de rechtbank beoordeeld en onvoldoende bevonden, als gevolg waarvan door de rechtbank nader onderzoek is gelast. Door te stellen dat het perspectief van de kinderen niet langer bij de ouders ligt, neemt de GI een beslissing met een ingrijpend karakter, waarvan mag worden verwacht dat die beslissing met voldoende redenen wordt omkleed. In dat kader is een verwijzing naar een eerder genomen besluit, de daaruit voortvloeiende onderbouwing en de conclusie dat een perspectiefonderzoek niet plaats heeft gevonden, onvoldoende. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De pleegouders van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Ter zitting hebben de pleegouders van de kinderen elk afzonderlijk naar voren gebracht dat de kinderen goede stappen zetten en een goede ontwikkeling doormaken. Verder hebben de pleegouders toegezegd dat de kinderen langdurig bij hen mogen en kunnen blijven wonen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>6</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank is op basis van de stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de verlenging van de ondertoezichtstelling, genoemd in artikel 1:255 in samenhang met artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW). Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. Daarmee is voldaan aan de wettelijke vereisten voor (de verlenging van) de machtiging tot uithuisplaatsing, genoemd in artikel 1:265b, eerste lid, BW in samenhang met artikel 1:265c, tweede lid, BW. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Bij beslissing van de kinderrechter van 29 december 2022 zijn de kinderen voorlopig onder toezicht zijn gesteld en met spoed uit huis geplaatst. Naar het oordeel van de kinderrechter werden de kinderen ernstig in hun ontwikkeling bedreigd, doordat zij in een onveilige en gespannen opvoedsituatie bij de ouders werden blootgesteld aan emotionele en fysieke verwaarlozing. Uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is geweest, blijkt dat [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] ook op dit moment nog zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De concrete ontwikkelingsbedreigingen van de kinderen zijn nog altijd gelegen in de mate waarin zij zijn blootgesteld aan een onveilige thuissituatie en de complexe individuele problematiek van de ouders en het effect hiervan op de kinderen. De ouders lijken niet te kunnen aansluiten bij de specifieke opvoedbehoefte van de kinderen. Ook nu de kinderen met een daartoe strekkende machtiging elders verblijven, worden de kinderen blijvend blootgesteld aan de onvoorspelbaarheid van de ouders. Gelet op de aanhoudende ontwikkelingsbedreiging van de kinderen, vindt de rechtbank het zeer bevorderlijk voor het belang van de kinderen dat pleegouders de kinderen een veilige, stabiele en duurzame opvoedomgeving kunnen bieden, waardoor zij zich positief kunnen ontwikkelen. [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] ontwikkelen zich goed op (voor)school, hebben sociale contacten en zitten goed in hun vel. De kinderen kunnen bij de pleegouders volledig kind zijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Ondanks de goede ontwikkelingen van de kinderen in de pleeggezinnen zijn er nog altijd zorgen. De afgelopen maanden is duidelijk geworden dat de ouders vanwege hun persoonlijke problematiek niet in staat zijn in het belang van de kinderen te handelen. Het leven van de ouders is op meerdere gebieden instabiel en biedt onvoldoende veiligheid, structuur en voorspelbaarheid voor de kinderen. Om meer inzicht te krijgen in de belastbaarheid en draagkracht van de ouders en daarmee het perspectief van de kinderen, heeft de WSGV ingezet op een perspectiefonderzoek. Ondanks de grote wens van de ouders voor de terugplaatsing van de kinderen, is het hen niet gelukt medewerking te verlenen aan het perspectiefonderzoek, waardoor het onderzoek geen resultaat heeft opgeleverd. Daar komt bij dat de ouders in oktober 2024 de omgang met de kinderen hebben gestaakt en uit contact zijn gegaan met de GI. De ouders lijken zich op geen moment rekenschap te hebben gegeven van de (nadelige) gevolgen van hun beslissing om de omgang te staken op (de ontwikkeling van) de kinderen. Dit terwijl de beslissing van de ouders tot veel onrust en onduidelijkheid bij de kinderen heeft geleid. Zo heeft [de minderjarige 2] bij zijn pleegouders aangegeven niet te begrijpen waarom zijn ouders geen tijd kunnen maken om op de bezoeken te verschijnen. Ook de omstandigheid dat de ouders achter de geheime adressen van de kinderen zijn gekomen en een kaartje hebben gestuurd, heeft veel impact gehad. Uit hetgeen ter zitting door de pleegouders van [de minderjarige 1] naar voren is gebracht, begrijpt de rechtbank dat zij als gevolg van de brief van haar ouders angst- en paniekgevoelens heeft ontwikkeld: [de minderjarige 1] heeft het gevoel dat zij door mensen wordt achtervolgd, kan tijdens het buitenspelen in paniek raken en is angstig voor vreemde mensen. De rechtbank neemt ook in overweging dat de ouders eerder niet hebben ingestemd met voor de kinderen belangrijke beslissingen, waarvoor de rechtbank uiteindelijk vervangende toestemming heeft verleend. Zeer zorgelijk acht de rechtbank het gebrek aan een coöperatieve samenwerking tussen de ouders en de GI, dat vooral lijkt te zijn ingegeven door de houding, de opstelling en het grensoverschrijdende gedrag van de ouders en/of de vader. Hoewel het voor de rechtbank vaststaat dat de ouders veel van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] houden, lukt het de ouders niet, in het belang van hun geliefde kinderen, hun persoonlijke trauma’s uit het verleden en eigen visie los te laten en mee te werken aan wat voor de kinderen noodzakelijk is. Anders dan door de ouders naar voren is gebracht, is het de rechtbank dan ook gebleken dat de ouders de zorg die noodzakelijk is om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen niet of onvoldoende accepteren. Dat de ouders ter zitting hebben gesteld ‘hulp en steun te willen’ en ‘de beste deskundigheid te willen die de kinderen kunnen krijgen’, maakt het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Vooral ook omdat de ouders hier de afgelopen periode op geen enkele wijze uiting aan hebben gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Uit het verzoekschrift en hetgeen de GI ter zitting naar voren heeft gebracht, leidt de rechtbank af dat de GI voornemens is een verzoek tot gezagsbeëindiging van de ouders bij de Raad in te dienen. Of de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders voldoende opvoedvaardigheden hebben en aldus in staat zullen zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen binnen een termijn die, gelet op hun persoon en ontwikkeling aanvaardbaar te achten is, is onduidelijk. Vooralsnog wordt hiervan uitgegaan. De Raad heeft in ieder geval in het rapport van 26 februari 2025 de noodzaak voor een onderzoek met betrekking tot het gezag van de ouders benadrukt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>De rechtbank is zodoende van oordeel dat de verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen voor de duur van één jaar noodzakelijk is om verder te kunnen werken aan het wegnemen van hun ontwikkelingsbedreiging. De rechtbank acht ook de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen voor de duur van één jaar noodzakelijk om hun plaatsing in de perspectief biedende pleeggezinnen te borgen. Reeds gelet op het verloop van het afgelopen jaar is de door de advocaat voorgestelde periode van zes maanden onvoldoende. De komende periode acht de rechtbank het van belang dat de kinderen rust en ruimte ervaren voor de noodzakelijke diagnostiek en (trauma)behandeling. Daarbij is het eveneens van belang dat duidelijk wordt, of, en zo ja, in welke vorm en frequentie de omgang tussen de ouders en de kinderen kan worden hervat, daarbij voornamelijk rekening houdend met het belang, welzijn en de (te beginnen) therapie en/of behandeling van de kinderen. Ondanks het verloop van de afgelopen periode, acht de rechtbank het tot slot in het belang van de kinderen dat de GI zich blijvend inzet voor een samenwerking met de ouders. Uiteraard verwacht de rechtbank eenzelfde inzet van de ouders. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>Zoals verzocht door de GI zal de rechtbank de beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing, ook als iemand in hoger beroep gaat, direct geldt. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Ten aanzien van het standpunt van de GI over het perspectief van de kinderen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <para>De GI heeft op 24 januari 2024 aan de ouders het besluit kenbaar gemaakt omtrent waar het opgroeiperspectief van [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] moet komen te liggen: het perspectiefbesluit. De GI heeft in dit besluit aangegeven dat de kinderen niet bij de ouders kunnen opgroeien en er niet meer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. Volgens de GI ligt het perspectief van de kinderen elders. De GI heeft de rechtbank verzocht dit besluit, in het licht bezien van het gestrande perspectiefonderzoek, (opnieuw) te toetsen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8.</nr>
      <para>De advocaat van de ouders heeft de rechtbank, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 5.4., verzocht geen acht te slaan op het genomen, en eerder beoordeelde, perspectiefbesluit.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.9.</nr>
      <para>De meervoudige kamer in deze rechtbank heeft zich in de procedure ter zake de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van de kinderen in haar beschikking van 15 maart 2024 uitgelaten over het perspectiefbesluit van 24 januari 2024. In haar beschikking overwoog de rechtbank (voor zover in dit kader relevant) als volgt: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Gebleken is dat de hulpverlening voor de ouders en de kinderen om meerdere redenen niet goed van de grond is gekomen, zodat er nog onvoldoende zicht is op de problematiek van de ouders en de kinderen. De conclusie dat het perspectief van de kinderen niet bij de ouders ligt, is daarom naar het oordeel van de rechtbank prematuur, ook gezien de relatief korte duur van de machtiging uithuisplaatsing tot op heden. De rechtbank acht het perspectiefbesluit daarmee niet zorgvuldig voorbereid en onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.10.</nr>
      <para>Gelet op de rechtsbescherming van ouders en kinderen dient een perspectiefbesluit te voldoen aan een aantal rechtswaarborgen, die dan door de rechtbank kunnen worden getoetst. Zo dienen ouders, voordat het perspectiefbesluit wordt genomen, te worden geïnformeerd over het te nemen besluit en de gevolgen daarvan en in de gelegenheid te worden gesteld hun mening kenbaar te maken. Voorts dient een perspectiefbesluit in alle gevallen op schrift te worden gesteld en te worden voorzien van een motivering waaruit de (belangen)afweging die heeft geleid tot het besluit, duidelijk blijkt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.11.</nr>
      <para>In de onderhavige procedure heeft de GI geen actueel schriftelijk, als zodanig aangeduid, perspectiefbesluit aan de rechtbank ter toetsing voorgelegd, maar (slechts) volstaan met de verwijzing naar het eerder door de rechtbank beoordeelde perspectiefbesluit en naar de recente informatie van de WSGV, inhoudend dat zij het perspectiefonderzoek niet heeft kunnen uitvoeren. Blijkens het raadsrapport van 26 februari 2025 en hetgeen de GI ter zitting naar voren hebben gebracht, heeft de GI hiermee opnieuw het opvoedbesluit genomen dat het perspectief van de kinderen niet langer bij de ouders ligt. Verzuimd is echter, (mede) op grond van de nieuwe feiten en omstandigheden, op schrift te stellen welke (belangen)afweging tot het door de GI ingenomen standpunt over het opgroeiperspectief van de kinderen heeft geleid. Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een perspectiefbesluit, zodat de toetsing van een dergelijk perspectiefbesluit niet aan de orde is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.12.</nr>
      <para>Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>verlengt de ondertoezichtstelling van <emphasis role="bold">[de minderjarige 1]</emphasis>, <emphasis role="bold">[de minderjarige 2]</emphasis>, <emphasis role="bold">[de minderjarige 3]</emphasis> en <emphasis role="bold">[de minderjarige 4]</emphasis>, met ingang van 16 maart 2025 tot 16 maart 2026;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van <emphasis role="bold">[de minderjarige 1]</emphasis>, <emphasis role="bold">[de minderjarige 2]</emphasis>, <emphasis role="bold">[de minderjarige 3]</emphasis> en <emphasis role="bold">[de minderjarige 4]</emphasis> in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 16 maart 2025 tot 16 maart 2026;<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.<?linebreak?></para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="3">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <tbody>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para>Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2025 door mr. M.C.A Onderwater (voorzitter), mr. C.E. Voskens en mr. M.M. Cuypers, allen kinderrechters, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beslissing is vastgelegd en ondertekend op 17 maart 2025.</para>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry namest="colA" nameend="colC">
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
      <parablock>
        <para>Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.</para>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>