<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:15787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-20T11:12:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 25 _ 1337</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2026041304</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2026-0671</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15787">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:15787</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-10T15:17:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:15787 Rechtbank Noord-Holland , 23-12-2025 / AWB - 25 _ 1337</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:15787:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Aanslag Vpb 2020. Afwaardering vordering op beheerstichting kan ten laste van resultaat worden gebracht.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:15787:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank noord-holland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 25/1337</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr.drs. C.F.N.M. de Boer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2020 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbare winst van € 98.954. Daarbij is € 98.954 verlies van voorafgaande jaren verrekend, zodat een belastbaar bedrag van nihil resulteert.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2025 te Haarlem. Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 1] , [naam 2] en mr. [naam 3] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van [bedrijf 1] B.V. met zaaknummer HAA 25/1105.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hebben na de zitting op verzoek van de rechtbank nadere stukken overgelegd, welke stukken aan het dossier zijn toegevoegd. Verweerder heeft in zijn nadere stukken inhoudelijke opmerkingen gemaakt. De rechtbank heeft vervolgens op 4 december 2025 het onderzoek heropend om eiseres in de gelegenheid te stellen binnen één week aan te geven of zij daarop wenst te reageren. Eiseres heeft niet op deze brief gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft bij de heropeningsbrief van 4 december 2025 aan partijen bericht dat geen nadere zitting zal worden gehouden, tenzij een van de partijen binnen twee weken na dagtekening aangeeft prijs te stellen op een nadere zitting. Geen van partijen heeft aangegeven prijs te stellen op een nadere zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 18 december 2025 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat het onderzoek is gesloten en dat binnen 6 weken uitspraak zal worden gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Feiten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. In 2015 heeft [bedrijf 2] Ltda ( [bedrijf 2] ), in samenwerking met de heer [naam 4] ( [naam 4] ), een investeringsstructuur opgezet om in Nederland geld aan te trekken voor investeringen in onroerend goedprojecten in Latijns-Amerika, met name Brazilië. [bedrijf 2] staat voor [bedrijf 2] . Het geld dat [bedrijf 2] van beleggers ontvangt tegen uitgifte van obligaties wordt, totdat het kan worden geïnvesteerd in Latijns-Amerika, beheerd door [bedrijf 3] ( [bedrijf 3] ) (geldstroom 1 in het onderstaande structuurschema).</para>
    <para />
    <para>2. Het van de obligatiehouders ontvangen geld wordt op een aparte escrow rekening van [bedrijf 3] geboekt, waarvan alleen gelden kunnen worden overgemaakt naar [bedrijf 2] als aan de voorwaarden van de voor dit doel gesloten escrow overeenkomst is voldaan (geldstroom 2 in het structuurschema). Deze overeenkomst bepaalt ook dat [bedrijf 3] het depotbedrag plus eventuele rente aan de obligatiehouders zal uitkeren indien na verloop van twee jaar nog geen opdracht of zekerheden zijn verstrekt aan [bedrijf 3] .</para>
    <para />
    <para>3. In het Informatiememorandum dat aan potentiële investeerders wordt verstrekt, is hierover het volgende opgenomen (zie 2.9 van de civielrechtelijke procedure inzake het onrechtmatig handelen van de bestuurder van [bedrijf 3] bij Hof Den Haag 8 maart 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:399):</para>
    <parablock>
      <para>“ [bedrijf 3]</para>
      <para>Op de bankrekening van de Nederlandse stichting, [bedrijf 3] , komen de gelden binnen die door de obligatiehouders worden gestort ter verkrijging van obligaties van [bedrijf 2] . [bedrijf 3] zorgt ervoor dat de middels de Obligaties aangetrokken gelden worden beheerd ten behoeve van de obligatiehouders. [bedrijf 3] fungeert feitelijk als een bankrekening van [bedrijf 2] . (...) [bedrijf 3] beheert de ingelegde geldstroom en zal dit volgens de escrow overeenkomst overmaken naar [bedrijf 2] in Brazilië. (...). Enig bestuurder van [bedrijf 3] is de heer [naam 4] (...). Onder zijn deskundige leiding zal [bedrijf 3] de onafhankelijke controlefunctie uitoefenen.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiseres is op 22 maart 2017 opgericht om als investeringsvehikel te fungeren voor vergelijkbare onroerend goedprojecten als die van [bedrijf 2] in Latijns-Amerika. [naam 4] is ook bij deze structuur betrokken. Eiseres trekt gelden aan door de uitgifte van aandelen. De aandelen worden uitgegeven aan [bedrijf 4] ( [bedrijf 4] ), die de aandelen verkrijgt ten titel van administratie. [bedrijf 4] geeft op haar beurt certificaten van aandelen uit aan de investeerders, die daarmee een vorderingsrecht verkrijgen op de opbrengsten van de aandelen. </para>
    <para />
    <para>5. Bij de oprichting van eiseres wordt één aandeel met een nominale waarde van € 25.000 uitgegeven aan [bedrijf 4] . Het aandelenkapitaal wordt op dat moment niet opgevraagd en gestort. [bedrijf 4] geeft één certificaat van aandeel uit aan [bedrijf 5] B.V. ( [bedrijf 5] BV). Deze laatste vennootschap heeft drie aandeelhouders: (i) [aandeelhouder] ( A BV ), de holding van [naam 5] , (ii) [aandeelhouder 2] B.V. ( B BV ), de holding van [naam 6] en (iii) [bedrijf 6] B.V., de holding van [naam 7] . [naam 5] en [naam 6] zijn de kinderen van [naam 4] . [naam 7] is niet gelieerd aan de familie [naam 4] . </para>
    <para />
    <para>6. [naam 4] is enig bestuurder van [bedrijf 5] BV en [bedrijf 5] BV is enig bestuurder van eiseres. [naam 5] en [naam 6] zijn samen met [naam 7] bestuurders van [bedrijf 4] . [naam 4] bezit verschillende andere deelnemingen die zich met andere activiteiten bezighouden. [naam 6] heeft een minderheidsbelang in een aantal van deze deelnemingen.</para>
    <para />
    <para>7. Investeerders die willen investeren in het project en certificaathouder willen worden, moeten hun belangstelling kenbaar maken door het invullen van een formulier (het Inschrijfformulier) met als titel “Inschrijving [eiseres] B.V.”. In dit Inschrijfformulier is bepaald dat het inschrijvingsbedrag voor de verkrijging van de certificaten van aandelen van eiseres binnen 10 werkdagen moet worden overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 3] (geldstroom 3 in het structuurschema). Het geld moet worden overgeboekt naar [bedrijf 3] en niet naar eiseres omdat eiseres op dat moment nog geen bankrekening heeft. Bovendien is [bedrijf 3] speciaal opgericht om te fungeren als een stichting die gelden van derden beheert. [bedrijf 3] heeft op dat moment slechts één bestuurder: [naam 4] . Als extra waarborg wordt afgesproken dat [naam 6] , op dat moment via [bedrijf 5] BV indirect belanghebbende in eiseres, gemachtigde wordt van de bankrekening van [bedrijf 3] zodat zij een oogje in het zeil kan houden. </para>
    <para />
    <para>8. Eiseres geeft niet direct op het moment dat een investeerder geld overmaakt naar [bedrijf 3] aandelen uit aan [bedrijf 4] en [bedrijf 4] geeft dan ook niet direct certificaten van aandelen uit aan de investeerders. Als reden hiervoor wordt aangevoerd dat voor de uitgifte van aandelen een notariële akte is vereist en dat het uit oogpunt van kostenbeheersing raadzaam wordt geacht te wachten tot zich een aantal certificaathouders heeft aangemeld zodat dan in één notariële akte een groot aantal aandelen kan worden uitgegeven. De investeerders maken in 2017 een bedrag van € 1.825.000 over naar [bedrijf 3] en in 2018 nog een additioneel bedrag van € 325.000. De investeerders hebben medio 2018 in totaal € 2.150.000 gestort op de bankrekening van [bedrijf 3] . Nadien wordt door de investeerders nog een additioneel bedrag van € 325.000 gestort, deels direct op de bankrekening van eiseres en deels via een gelieerde vennootschap [bedrijf 7] B.V.</para>
    <para />
    <para>9. In 2017 en 2018 heeft [bedrijf 3] op instructie van eiseres een deel van de gelden afkomstig van de investeerders overgeboekt naar [bedrijf 4] Ltda ( [bedrijf 4] Ltda), de Braziliaanse dochtervennootschap van eiseres (geldstromen 4 en 5 in het structuurschema). In totaal betreft het in 2017 en 2018 een bedrag van € 1.175.000.</para>
    <para />
    <para>10. Op 19 december 2019 wordt de notariële akte van uitgifte aandelen/certificaten (de Akte) gepasseerd. In de Akte is bepaald dat het ene, nog niet volgestorte aandeel dat [bedrijf 4] houdt, wordt ingetrokken, met goedkeuring van de enige certificaathouder [bedrijf 5] BV. Gelijktijdig worden nieuwe aandelen van eiseres ten titel van administratie uitgegeven aan [bedrijf 4] onder de verplichting tot volstorting van het aandelenkapitaal. </para>
    <para />
    <para>11. De Akte bepaalt, voor zover relevant, het volgende:</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">“Besluit tot uitgifte; aanvaarding</emphasis>
      </para>
      <para>(….)</para>
      <para>Het administratiekantoor besluit bij deze als enige aandeelhouder in het kapitaal van de vennootschap tot uitgifte van negenennegentig (99) aandelen in het kapitaal van de vennootschap, elk aandeel nominaal groot vijfentwintigduizend euro (€ 25.000,00), genummerd 1 tot en met 99, hierna te noemen: 'de aandelen', aan het administratiekantoor, onder uitsluiting van het voorkeursrecht en tegen de koers van honderd procent (100%), onder de verplichting de stortingsverplichting ad twee miljoen vierhonderd vijfenzeventig duizend euro (€ 2.475.000,00) te voldoen op de wijze als hierna vermeld.</para>
      <para>(….)</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wijze van Storting</emphasis>
      </para>
      <para>(….)</para>
      <para>Het administratiekantoor kent bij deze akte voor ieder krachtens het vorenstaande verkregen aandeel een certificaat toe. De betreffende certificaathouder zal dit certificaat volstorten door voldoening aan het administratiekantoor van een bedrag groot vijfentwintigduizend euro (€ 25.000,00) per certificaat. Het administratiekantoor verbindt zich bij deze de aldus te ontvangen bedragen gebruiken om de aandelen vol te storten.</para>
      <para>(….)</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Volstorting</emphasis>
      </para>
      <para>Ieder van de certificaathouders heeft aan het administratiekantoor een geldlening verstrekt voor een bedrag gelijk aan vijfentwintigduizend euro (€ 25.000,00) per door die certificaathouder te verkrijgen certificaat. Krachtens het vorenstaande heeft iedere certificaathouder de verplichting-tot volstorting van de door hem te verkrijgen certificaten ad vijfentwintigduizend euro (€ 25.000,00) per certificaat. De certificaathouders voldoen die verplichting tot volstorting door verrekening met hun vordering uit hoofde van gemelde geldlening. Hierdoor is de vordering van de betreffende certificaathouder op het administratiekantoor uit hoofde van bedoelde geldlening tenietgegaan.</para>
      <para>De stortingsverplichting van de certificaathouders is door deze verrekening eveneens geheel-tenietgegaan.”</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. In de jaarrekeningen 2017 en 2018 van eiseres zijn aan de passiva zijde van de balans de door de investeerders aan [bedrijf 3] betaalde bedragen geboekt als een kortlopende schuld onder de noemer “vooruitontvangen aandelenkapitaal”. Bij de aandelenuitgifte in 2019 wordt deze kortlopende schuld omgezet in eigen vermogen onder de noemer “gestort en opgevraagd aandelenkapitaal”. Aan de activa zijde van de balans van eiseres zijn de door de investeerders aan [bedrijf 3] betaalde bedragen geboekt als een (renteloze) rekening courant vordering op [bedrijf 3] . De bedragen die [bedrijf 3] in 2017 en 2018 naar [bedrijf 4] Ltda in Brazilië heeft overgeboekt zijn in de jaarrekening van eiseres in mindering gebracht op de rekening courant vordering en opgenomen onder de post “Vorderingen op groepsmaatschappijen”. De rekening courant vordering op Stichting [bedrijf 2] bedraagt eind 2019 € 715.823.</para>
    <para />
    <para>13. Ondanks de waarborgen die zijn ingebouwd bij [bedrijf 3] , wordt het van de investeerders/obligatiehouders en van de investeerders/certificaathouders afkomstige geld aangewend voor doelen die niet in overeenstemming zijn met de statuten van de [bedrijf 3] en die in strijd zijn met de escrow overeenkomst. [bedrijf 3] verstrekt grote bedragen in de vorm van leningen aan diverse partijen, met name deelnemingen van [naam 4] , waar [naam 6] ook een belang in heeft (geldstroom 6 in structuurschema). De bank bij wie de rekening van [bedrijf 3] wordt aangehouden constateert in 2018 dat de gelden op de bankrekening van [bedrijf 3] niet overeenkomstig de escrow overeenkomst worden aangewend en de bank blokkeert op 10 april 2018 de rekening van [bedrijf 3] . </para>
    <para />
    <para>14. [naam 4] en [naam 6] en [naam 5] worden vervolgens uit hun verschillende bestuursfuncties ontheven. [bedrijf 3] start een juridische procedure om de uitgeleende bedragen terug te krijgen. Hof Den Haag concludeert in het hiervoor genoemde arrest uit 2022 dat er sprake is van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW) van [naam 4] en in 2023 dat er sprake is van groepsaansprakelijkheid (artikel 6:166 BW) van [naam 6] (Hof Den Haag 5 september 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1829). Dit heeft geleid tot onrechtmatige onttrekkingen uit [bedrijf 3] . Het Hof oordeelt dat [naam 4] en [naam 6] de door [bedrijf 3] geleden schade dienen te vergoeden. [naam 4] is echter failliet verklaard en ook het merendeel van zijn deelnemingen is inmiddels failliet. Dit betekent dat [bedrijf 3] (vooralsnog) de door haar geleden schade niet vergoed krijgt. Zij is daarom ook niet in staat om het gehele bedrag dat door de investeerders/certificaathouders is gestort aan eiseres over te maken. </para>
    <para />
    <para>15. Het voorgaande overzicht van de feiten laat zich in het volgende structuurschema vertalen:</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">HIER STAAT EEN AFBEELDING</emphasis>.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>16. In geschil is of eiseres een vordering heeft op [bedrijf 3] en zo ja, of eiseres die vordering ten laste van haar resultaat mag afwaarderen voor een bedrag van € 633.091.</para>
    <para />
    <para>17. Eiseres stelt dat zij een vordering heeft op [bedrijf 3] , dat geen sprake is van een onzakelijke lening en dat zij die vordering in 2020 mag afwaarderen. Tevens stelt eiseres dat de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd omdat de gemandateerde die direct betrokken was bij de aanslagoplegging ook direct betrokken was bij de beslissing op het bezwaarschrift. Eiseres verzoekt de rechtbank daarom verweerder te veroordelen tot een integrale proceskostenvergoeding. </para>
    <para>Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbare winst en een belastbaar bedrag van nihil met vaststelling van het verlies van het jaar op een bedrag van € 534.137. </para>
    <para />
    <para>18. Verweerder stelt dat niet eiseres maar [bedrijf 4] een vordering heeft op [bedrijf 3] , zodat eiseres niets af kan waarderen. Tevens stelt verweerder dat sprake is van onzakelijk handelen tussen gelieerde partijen waardoor een onzakelijk debiteurenrisico is gelopen en de afwaardering van de vordering niet ten laste van de winst kan worden gebracht. Tot slot stelt verweerder dat de door eiseres genoemde gemandateerde geen doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de aanslagoplegging of de beslissing op bezwaar.</para>
    <para>Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>19. Indien eiseres een vordering heeft op [bedrijf 3] kan deze, nu naar tussen partijen niet in geschil is dat deze vordering onvolwaardig is geworden, ten laste gebracht worden van de winst van eiseres, tenzij sprake zou zijn van een onzakelijke lening. De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>20. [bedrijf 3] heeft in 2017 en 2018 gelden ontvangen van de investeerders. [bedrijf 3] is een stichting die zonder winstoogmerk gelden van derden beheert. Ze houdt deze gelden niet voor eigen rekening onder zich, maar voor en ten behoeve van deze derden. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of eiseres een vordering heeft op [bedrijf 3] en [bedrijf 3] de gelden ten behoeve van eiseres onder zich houdt. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de bewijslast dat eiseres een vordering heeft op [bedrijf 3] bij eiseres ligt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft eiseres een vordering op [bedrijf 3] ?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>21. Uitgangspunt bij de beantwoording van deze vraag is de juridische documentatie. De juridische documenten die in dit kader relevant zijn, zijn het Inschrijfformulier en de Akte. Bij de uitleg van deze documenten moet niet alleen naar de letterlijke bewoordingen worden gekeken, maar ook naar de bedoeling van partijen en naar hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het Haviltex-criterium, vgl. Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Nu de juridische documentatie beperkt is tot het Inschrijfformulier en de Akte, zal de rechtbank de bedoeling van partijen ook dienen af te leiden uit de feitelijke gang van zaken. De boekhoudkundige verwerking is hierbij ook van belang.</para>
    <para />
    <para>22. De rechtbank constateert dat eiseres en [bedrijf 4] de investeerders door middel van het Inschrijfformulier hebben geïnstrueerd het geld over te maken naar de bankrekening van [bedrijf 3] met het doel dat dit geld zal worden aangewend als kapitaalstorting op de aandelen van eiseres. Het Inschrijfformulier is de enige schriftelijke overeenkomst tussen de investeerders, [bedrijf 4] en eiseres. Er is geen separate overeenkomst tussen de investeerders en [bedrijf 3] op grond waarvan de investeerders hun geld zouden kunnen terugvorderen als bijvoorbeeld de uitgifte van de aandelen en de daaraan gekoppelde uitgifte van de certificaten niet of niet voor een bepaalde datum plaatsvindt. De escrow overeenkomst die van toepassing is in de relatie tussen de investeerders/obligatiehouders en [bedrijf 3] , is niet van toepassing in de relatie tussen de investeerders/certificaathouders en [bedrijf 3] . </para>
    <para />
    <para>23. In de Akte is bepaald dat de aandelen worden uitgegeven onder de verplichting tot volstorting. Nu de aandelen daadwerkelijk zijn uitgegeven, kan ervan worden uitgegaan dat [bedrijf 4] aan haar stortingsverplichting heeft voldaan. In de akte is echter geen bepaling opgenomen waaruit blijkt hoe [bedrijf 4] aan deze verplichting heeft voldaan. In de Akte is wel opgenomen hoe de investeerders aan hun verplichting tot volstorting van de certificaten van aandelen hebben voldaan. Blijkens de Akte hebben de investeerders door het overmaken van het geld aan [bedrijf 3] een vordering gekregen op [bedrijf 4] . Bij de uitgifte van de certificaten van aandelen voldoen de investeerders aan hun stortingsplicht door verrekening van deze vordering, waardoor zowel deze vordering als de stortingsverplichting teniet gaan. </para>
    <para />
    <para>24. Nu [bedrijf 4] bij de uitgifte van de aandelen geacht wordt het aandelenkapitaal te hebben volgestort en er geen sprake is van een daadwerkelijke storting door een bancaire overmaking van geld, zal [bedrijf 4] op een vergelijkbare wijze als de investeerders moeten hebben voldaan aan haar stortingsverplichting. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [bedrijf 4] het van de investeerders ontvangen geld direct heeft doorgeleend aan eiseres. [bedrijf 4] zal dan tegenover de schuld aan de investeerders een even grote vordering op eiseres hebben. Op het moment van de aandelenuitgifte voldoet [bedrijf 4] aan haar volstortingsverplichting door verrekening van haar vordering op eiseres met de verplichting tot volstorting op de aandelen. Bij [bedrijf 4] gaan dan zowel de schuld aan de investeerders, de vordering op eiseres als haar volstortingsverplichting op de aandelen teniet.</para>
    <para />
    <para>25. Deze uitleg strookt met de functie van [bedrijf 4] als [bedrijf 3] . Een [bedrijf 3] wordt houder van de aandelen ten titel van administratie en is, tenzij anders wordt overeengekomen, gerechtigd het stemrecht op de aandelen uit te oefenen. De certificaathouders zijn economisch eigenaar van de aandelen. Dit betekent dat [bedrijf 4] voor wat betreft uitkeringen op de aandelen of verkoopopbrengsten van de aandelen fungeert als een doorgeefluik tussen eiseres en de certificaathouders. Uit deze functie van [bedrijf 4] volgt dat zij het van de investeerders in 2017 en 2018 ontvangen geld niet zelf onder zich zal willen houden. Zij zal het geld zo snel mogelijk ter beschikking hebben willen stellen aan eiseres, zodat zij geen risico loopt en bovendien het geld terecht komt op de daartoe bestemde plek.</para>
    <para />
    <para>26. Ook de boekhoudkundige verwerking van de transactie en verantwoording in de jaarrekening van eiseres sluit hier volledig bij aan. Op de balans van eiseres wordt immers in 2017 en 2018 het gehele bedrag dat door de investeerders is betaald, geboekt als een kortlopende schuld (vooruitontvangen aandelenkapitaal). In 2019 bij de aandelenuitgifte wordt de schuld vervolgens omgezet in gestort en opgevraagd aandelenkapitaal.</para>
    <para />
    <para>27.  De rechtbank stelt vast dat eiseres de van de investeerders ontvangen gelden heeft verkregen als vooruitontvangen aandelenkapitaal en dat eiseres, omdat zij nog niet over een bankrekening beschikte, de investeerders via het Inschrijfformulier heeft geïnstrueerd het geld over te maken aan [bedrijf 3] . Dit wordt ook bevestigd door de feitelijke gang van zaken waarbij eiseres over de betreffende gelden heeft beschikt als ware het haar eigen geld. Voorafgaand aan de aandelenuitgifte in 2019, heeft [bedrijf 3] al in 2017 en 2018 op uitdrukkelijke instructie van eiseres een groot deel van de van de investeerders ontvangen gelden naar Brazilië overgemaakt ten behoeve van onroerend goed projecten. Voor deze verstrekte gelden zijn leningovereenkomsten opgemaakt tussen eiseres en [bedrijf 4] Ltda in Brazilië. Uit het feit dat eiseres heeft beschikt over de gelden die [bedrijf 3] onder zich had, leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van partijen was dat [bedrijf 3] het geld dat door de investeerders op de rekening van [bedrijf 3] is gestort, heeft gehouden voor en ten behoeve van eiseres. </para>
    <para />
    <para>28. De boekhoudkundige verwerking bevestigt dit. De door de investeerders in 2017 en 2018 betaalde bedragen worden door eiseres geboekt als rekening courant vordering op [bedrijf 3] . Op het moment dat [bedrijf 3] geld overmaakt naar Brazilië, komt dit ten laste van de rekening courant vordering en wordt dit geboekt als een vordering op [bedrijf 4] Ltda.</para>
    <para />
    <para>29. Naar het oordeel van de rechtbank ontstond derhalve reeds op het moment dat de investeerders geld overboekten naar [bedrijf 3] een vordering van eiseres op [bedrijf 3] . Anders dan verweerder meent staat hieraan niet in de weg dat een akte van cessie ontbreekt waarbij de vordering door [bedrijf 4] is overgedragen aan eiseres. Het gelijk is in zoverre aan eiseres. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Onzakelijke lening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>30. Verweerder stelt dat voor het geval de rechtbank zou oordelen dat eiseres een vordering heeft op [bedrijf 3] , dat deze vordering dan niet kan worden afgewaardeerd omdat er sprake is van onzakelijk handelen. Er is een debiteurenrisico gelopen dat tussen onafhankelijke derden nooit zou zijn gelopen. Nu [bedrijf 4] , eiseres en [bedrijf 3] met elkaar zijn gelieerd en er onvoldoende maatregelen zijn genomen om te waarborgen dat het geld goed terecht zou komen is er onzakelijk gehandeld door het geld zonder zekerheden te laten storten bij [bedrijf 3] . Dit heeft volgens verweerder tot gevolg dat de afwaardering niet ten laste van de fiscale winst kan worden gebracht. De rechtbank begrijpt deze stellingen aldus dat verweerder stelt dat afwaardering niet mogelijk is op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad over onzakelijke leningen en overweegt als volgt.</para>
    <para />
    <para>31. Indien een geldverstrekking aan een gelieerde vennootschap plaatsvindt onder zodanige voorwaarden en omstandigheden dat daarbij door de schuldeiser een debiteurenrisico wordt gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen, ook niet tegen een hogere niet winstdelende rente, moet – behoudens bijzondere omstandigheden – ervan worden uitgegaan dat de schuldeiser dat debiteurenrisico heeft aanvaard om aandeelhoudersmotieven. Dit brengt mee dat een eventueel verlies op de geldlening niet in mindering kan worden gebracht ten laste van het inkomen uit werk en woning (vgl. Hoge Raad 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV8199). </para>
    <para />
    <para>32. De omstandigheden dat geen formele zekerheden zijn gesteld, dat geen aflossingsschema is overeengekomen en dat de rente wordt bijgeschreven, brengt niet zonder meer mee dat sprake is van een onzakelijke lening. Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur alsnog een onzakelijke lening kan worden (vgl. Hoge Raad 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442 en Hoge Raad 1 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735). De bewijslast dat sprake is van een onzakelijke lening rust op verweerder. </para>
    <para />
    <para>33. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in zijn bewijslast is geslaagd. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van verbondenheid tussen eiseres en [bedrijf 3] . De aandeelhouders van eiseres hebben immers direct noch indirect een belang in [bedrijf 3] en het overboeken van de inleg op de certificaten door de investeerders is gedaan op verzoek van eiseres. Er is daarom geen sprake van geldverstrekking door eiseres aan [bedrijf 3] met het doel de belangen van haar aandeelhouders te dienen. De rechtbank overweegt dat het gebruik van een beheerstichting niet ongebruikelijk is bij dit soort investeringsprojecten. Op het moment dat besloten werd om [bedrijf 3] te gebruiken als beheerstichting voor de gelden van de investeerders/certificaathouders functioneerde [bedrijf 3] al een aantal jaar naar tevredenheid als beheerstichting voor de gelden van de investeerders/obligatiehouders. Er was op dat moment geen sprake van onregelmatigheden of twijfel aan de economische positie van [bedrijf 3] . Bovendien had [bedrijf 3] in [naam 4] een bekende en op dat moment betrouwbaar geachte bestuurder. [bedrijf 3] had geen eigen risicodragende activiteiten en mocht in beginsel niets anders met het geld doen dan het investeren in het aandelenkapitaal van eiseres of het geld op instructie van eiseres overboeken naar Brazilië. Om hier toezicht op te houden werd [naam 6] nog benoemd als gemachtigde tot de bankrekening van [bedrijf 3] . Van een onzakelijke lening is daarom geen sprake en eiseres kan een afwaardering op de vordering op [bedrijf 3] ten laste van haar resultaat brengen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Slotsom</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>34. Door de onrechtmatige onttrekkingen van het geld door de bestuurder van [bedrijf 3] heeft [bedrijf 3] schade geleden en was zij op enig moment niet meer in staat de vordering die eiseres op haar had te voldoen. Eiseres kan haar vordering op [bedrijf 3] afwaarderen aangezien er een reëel risico bestond dat de vordering niet of niet volledig zou worden afgelost. Niet in geschil is dat dit risico aan het onderhavige jaar kan worden toegerekend, zodat het op grond van goedkoopmansgebruik is toegestaan de afwaardering ten laste van de winst van het onderhavige jaar te brengen. Gelet op het voorgaande strekt de afwaardering in mindering op de winst van eiseres. Het staat eiseres in beginsel vrij om de afwaardering in 2020 ten laste van haar resultaat te brengen aangezien in 2020 voldoende duidelijk is dat de vordering niet of niet geheel zal worden afgelost. Nu verweerder geen zelfstandige grieven heeft aangevoerd tegen de hoogte van de afwaardering, volgt de rechtbank het door eiseres ingenomen standpunt dat de vordering op [bedrijf 3] in 2020 voor een bedrag van € 633.019 mag worden afgewaardeerd. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Overige grieven eiseres: schending van artikel 10:3 Awb</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>35. Nu de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren en geheel tegemoet gekomen wordt aan eiseres, behoeft het beroep van eiseres op schending van artikel 10:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen behandeling meer.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten en griffierecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>36. Nu het beroep gegrond zal worden verklaard, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ter zitting heeft eiseres verzocht om een integrale kostenvergoeding ingeval de rechtbank zou oordelen dat sprake is van schending van artikel 10:3, derde lid, van de Awb. De rechtbank wijst dit verzoek af. Het geschil in kwestie betreft de vraag of eiseres een vordering heeft op [bedrijf 3] die kan worden afgewaardeerd. Voor wat betreft dit geschilpunt is er geen sprake van het innemen door verweerder van een standpunt tegen beter weten in. Ook is er, nog daargelaten of er sprake is van schending van artikel 10:3, derde lid, van de Awb, geen sprake van het in verregaande mate onzorgvuldig handelen van verweerder. </para>
    <para />
    <para>37. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). </para>
    <para />
    <para>38. In de gelijktijdig met deze zaak behandelde zaak van [bedrijf 1] B.V. (zaaknummer HAA 25/1105) heeft eiseres eveneens recht op vergoeding van proceskosten op grond van het Bpb. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Bpb worden samenhangende zaken voor de vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd en wordt slechts éénmaal een proceskostenvergoeding toegekend. Samenhangende zaken zijn door een of meer belanghebbenden gemaakte bezwaren of ingestelde beroepen die door het bestuursorgaan of de bestuursrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn (vgl. Hoge Raad 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:439). In dit geval is sprake van samenhangende zaken nu in beide zaken het geschilpunt is of eiseres een vordering heeft op [bedrijf 3] en of de afwaardering van die vordering ten laste van de winst kan worden gebracht. De zaken zijn gelijktijdig behandeld tijdens de hoorzitting in bezwaar en in beroep. Gelet hierop zal de rechtbank de proceskostenvergoeding bij helfte toekennen in deze zaak, en de andere helft in de zaak met zaaknummer HAA 25/1105 ten name van [bedrijf 1] B.V.</para>
    <para />
    <para>39. De rechtbank draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht aan haar te vergoeden. </para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
    <para>- vermindert de aanslag vennootschapsbelasting 2020 tot een berekend naar een belastbaar bedrag van -/- € 534.137;</para>
    <para>- stelt het verlies van het jaar 2020 vast op € 534.137 en het bedrag van de ultimo 2020 nog te verrekenen verliezen op € 708.535; </para>
    <para>- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.554; en</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.C. Brouwer, voorzitter, en mr. A.A. Fase en <?linebreak?>mr. G.H. de Soeten, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. </para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzitter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.<?linebreak?></para>
      <para>Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:</para>
    </parablock>
    <para>1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.</para>
    <para>2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:</para>
    <para>a. 	de naam en het adres van de indiener;</para>
    <para>b. 	de datum van verzending;</para>
    <para>c. 	een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;</para>
    <para>d. 	 de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>