<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:14029</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-23T08:28:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/370626 / HA RK 25-156</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14029">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:14029</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-23T08:27:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:14029 Rechtbank Noord-Holland , 02-12-2025 / C/15/370626 / HA RK 25-156</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:14029:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzet ex artikel 29 Wgbz</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:14029:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Noord-Holland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer / rekestnummer: C/15/370626 / HA RK 25-156</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beschikking van 2 december 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] B.V.</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te [plaats], </para>
      <para>hierna verzoekster,</para>
      <para>advocaat: mr. M.N. Mense,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">DE GRIFFIER VAN DE RECHTBANK NOORD-HOLLAND,</emphasis>
      </para>
      <para>te Haarlem,</para>
      <para>verwerende partij,</para>
      <para>hierna te noemen: de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op de griffie van deze rechtbank is op 26 september 2025 een verzoekschrift binnengekomen op grond van artikel 29 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Van een mondelinge behandeling is afgezien gelet op het bepaalde in artikel 1.6.2 van het toepasselijke Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures, nu verzoekster bij e-mail van 13 oktober 2025 te kennen heeft gegeven geen mondelinge behandeling te wensen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoekster heeft in de procedure met zaak / rekestnummer C/15/354478 / HA RK 24-93 een procedure aanhangig gemaakt tot verkoop van aandelen waar zij executoriaal beslag op heeft gelegd. Bij beschikking van 15 oktober 2024 heeft deze rechtbank onder meer bepaald dat tot verkoop kan worden overgegaan binnen één jaar en dat de termijn van een jaar, indien nodig, op verzoek door de rechtbank kan worden verlengd en dat een verzoek hiertoe de rechtbank uiterlijk op 1 oktober 2025 moet bereiken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij verzoekschrift gedateerd op 4 september 2025 heeft mr. Mense namens verzoekster een verzoek ingediend voor een termijnverlenging van nog een jaar te rekenen vanaf 15 oktober 2025 (hierna: het verlengingsverzoek). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De griffie van deze rechtbank heeft vervolgens een griffierecht geheven van € 714,00.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verzoekers hebben het verzoek binnen een maand na betaling van het griffierecht op 23 september 2025 ingediend en zijn daarmee tijdig in verzet gekomen (artikel 29 lid 1 Wgbz).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Verzoekster maakt bezwaar tegen de heffing van voormeld griffierecht en verzoekt creditering hiervan. Zij voert ter onderbouwing van haar verzoek aan dat het verlengingsverzoek voortbouwt op de mogelijkheid om verlenging te verzoeken, zoals overwogen in de beschikking van 15 oktober 2024. Het verzoek tot verlenging is om die reden aan te merken als een beslissing die een rechtstreeks uitvloeisel is van een beschikking in de zin van artikel 20 lid 2 Wgbz. Voor een dergelijk verzoek kan geen griffierecht geheven worden, aldus verzoekster.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>De rechtbank volgt verzoekster niet in haar stellingen. Zij legt artikel 20 lid 2 Wgbz aan haar verzoek ten grondslag, welk artikel bepaalt dat geen griffierecht in rekening wordt gebracht voor beslissingen, akten en processen-verbaal, die een rechtstreeks uitvloeisel zijn van vonnissen, arresten of beschikkingen. Deze bepaling ziet dus op het niet heffen van griffierecht in het kader van het door de gerechtelijke instantie afgeven van beslissingen, akten en processen-verbaal en is in het onderhavige geval (het heffen van griffierecht voor een verzoek tot verlenging) dus niet van toepassing. Ook op andere gronden kan het verzet niet slagen. Uitgangspunt is dat ingevolge artikel 3 lid 2 Wgbz voor iedere indiening van een verzoekschrift griffierecht geheven wordt. Uitzonderingen voor het heffen van griffierecht zijn opgenomen in artikel 4 Wgbz en in de Regeling griffierechten burgerlijke zaken. Indiening van een verlengingsverzoek als het onderhavige wordt in deze bepalingen niet genoemd en van een situatie als bedoeld in artikel 4 lid 2 onder f Wgbz (geen griffierecht in geval een verzoekschrift in de loop van een aanhangig geding wordt ingediend en op dat geding betrekking heeft) is in het onderhavige geval geen sprake, omdat het verzoek tot verlenging niet is ingediend <emphasis role="italic">in de loop van een aanhangig geding</emphasis>. De procedure tot verkoop van in beslag genomen aandelen en de procedure tot verlenging van de termijn waarbinnen de verkoop dient plaats te vinden zijn twee aparte procedures, waarvoor afzonderlijk een verzoekschrift moet worden ingediend, waarop afzonderlijke beschikkingen worden gegeven en waarin dus afzonderlijk griffierecht dient te worden geheven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat de griffier het bedrag van € 714,00 terecht heeft geheven en niet hoeft te crediteren en dat het verzet ongegrond wordt verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>verklaart het verzet ongegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beschikking is gegeven door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2025.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>