<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:13249</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T10:39:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-10-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25/285</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:13249">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:13249</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-01-29T10:39:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2026-01-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:13249 Rechtbank Noord-Holland , 28-10-2025 / 25/285</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:13249:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser in verband met het niet melden van de aankoop van een auto. Eiser is het hier niet mee eens. Hij stelt dat de auto niet tot zijn vermogen behoort en geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:13249:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 25/285 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit Hoofddorp, eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.C. Mens),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer</emphasis>, het college </para>
      <para>(gemachtigde: drs. L.J.A. Edelaar). </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para>1.	Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser in verband met het niet melden van de aankoop van een auto. Eiser is het hier niet mee eens. Hij stelt dat de auto niet tot zijn vermogen behoort en geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk. </para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 20 februari 2024 (het primaire besluit I) heeft het college de uitkering van eiser met ingang van 3 april 2023 ingetrokken. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 18 maart 2024 (het primaire besluit II) heeft het college, over de periode van 3 april 2023 tot en met 31 december 2023, een bedrag van € 12.836,84 (bruto) teruggevorderd. Over de periode van 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 heeft het college een bedrag van € 1.219,64 (netto) teruggevorderd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 10 december 2024 heeft het college het bezwaar, dat was gericht tegen de intrekking, ongegrond verklaard. Het bezwaar dat was gericht tegen de terugvorderingen is door het college gegrond verklaard. Hierbij is het teruggevorderde bedrag verlaagd naar een bedrag van € 8.694,30. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser ontving een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van een op 28 augustus 2023 ontvangen IB-signaal is het college een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering. Het onderzoek heeft onder meer bestaan uit het raadplegen van Suwinet, de ANWB koerslijst, de RDW kentekenregistratie en de app Autotelex. Verder is informatie opgevraagd bij eiser en is informatie verkregen van het [autobedrijf] . De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in rapporten van 20 februari 2024 en 18 maart 2024. Hierin is geconcludeerd dat eiser sinds 18 juli 2023 in het bezit was van een Volkswagen Golf 1.5 TSI R-line uit 2014, met het kenteken [kenteken] . Uit de opgevraagde facturen van het [autobedrijf] volgt dat eiser de auto heeft gekocht voor een bedrag van € 13.500,00. Ook is geconcludeerd dat de door eiser aangeleverde factuur niet overeenkomt met de facturen van [autobedrijf] . Het college heeft de besluitvorming gebaseerd op genoemde rapporten en de daarin beschreven conclusies. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Aan de intrekking per 3 april 2023 en de terugvordering van de bijstand over de periode van 3 april 2023 tot en met 31 december 2023 en van 1 januari 2024 tot en met 31 januari 2024 heeft het college ten grondslag gelegd dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de aankoop van de auto. Met deze aankoop overschrijdt eiser de vrij te laten vermogensgrens, waardoor eiser geen recht meer heeft op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.   </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4.	Eiser stelt dat geen sprake is van een vermogen boven de vermogensgrens. De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) heeft financieel geholpen met de aanschaf van de auto en is hierdoor economisch eigenaar van de auto. Eiser is in feite geen eigenaar van de auto, maar maakt enkel gebruik van de auto. De auto is op naam van eiser gezet zodat [naam 1] niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de veroorzaakte ongelukken en bekeuringen. Wanneer eiser de auto niet meer gebruikt, gaat deze weer terug naar [naam 1] . </para>
      <para>Daarnaast stelt eiser dat geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht. Kort na de aankoop van de auto heeft hij deze aanschaf telefonisch gemeld aan zijn casemanager Sociale Dienst, de heer [naam 2] . Eiser verwijst hiervoor naar de e-mailberichten van 3 en 15 oktober 2024. </para>
      <para>Tot slot stelt eiser dat sprake is van dringende redenen om af te zien van intrekking en/of terugvordering. De terugvordering heeft onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen, omdat eiser naast de terugvordering ook maandelijks geld moet betalen aan het CJIB. Hierdoor komt zijn inkomen onder de grens van de beslagvrije voet. Daarnaast stelt eiser dat door zijn financiële problemen zijn psychische klachten zijn toegenomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Economisch eigendom </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat de auto bij de aanschaf op eisers naam stond en hij juridisch eigenaar van de auto was. Eiser stelt dat hij geen economisch eigenaar van de auto was, waardoor de auto niet tot zijn vermogen behoorde. Daartoe het volgende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Uit de door het [autobedrijf] overgelegde factuur (door eiser ondertekend), de schuldverklaring (door eiser ondertekend) en het e-mailbericht van 1 februari 2024 van het [autobedrijf] volgt dat de auto door eiser  is gekocht voor een bedrag van € 13.500,00. Op de dag van aankoop heeft eiser een bedrag van € 10.000,00 contant betaald. Voor het restantbedrag is een leenovereenkomst opgesteld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat bij de vraag of een bezitting tot het vermogen van betrokkene kan worden gerekend moet worden gekeken of betrokkene hierover kon beschikken.<footnote-ref linkend="_be6b92ba-c53d-4ba1-b2e5-23b2c8a150ae" />De term beschikken moet daarbij zo worden uitgelegd dat deze ziet op de mogelijkheid voor een betrokkene om de bezitting feitelijk te gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Het feit dat iemand anders dan de betrokkene het economisch eigendom heeft over de bezitting doet daarbij niet af aan de beschikkingsmacht. Daarbij komt dat uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat economisch eigendom geen eigendom is.<footnote-ref linkend="_182017bc-d314-4af7-9457-76b0259baf4c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De conclusie is dat de auto tot het vermogen van eiser behoorde. De enkele verwijzing van eiser naar de verklaring van [naam 1] , waarin staat dat eiser de € 10.000,00 van hem heeft gekregen maakt dit niet anders. De stelling van eiser dat hij de auto in bruikleen had en geen economisch eigenaar was maakt dit, gelet op de bovengenoemde rechtspraak, niet anders. Eiser had immers de beschikkingsmacht over de auto. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Inlichtingenplicht</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Eiser stelt dat geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht, omdat hij de aankoop van de auto telefonisch heeft gemeld bij de heer [naam 2] . De rechtbank volgt eiser hierin niet en overweegt hiertoe als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Uit de rechtspraak van de CRvB volgt dat een betrokkene aan zijn inlichtingenverplichting voldoet als hij die feiten en omstandigheden tijdig meldt bij een met de uitvoering van de Participatiewet belaste werkconsulent.<footnote-ref linkend="_885ec2fb-6820-42e8-8ac0-133b56735c7d" /> Doorslaggevend is of de betrokken teams, onderafdelingen of functionarissen behoren tot de afdeling van de gemeente die de Participatiewet uitvoert. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Ter zitting is door de gemachtigde van het college desgevraagd toegelicht dat de heer [naam 2] destijds werkzaam was binnen het team Wmo en hij niet betrokken was bij de uitvoering van de Participatiewet. Nog daargelaten of voor eiser onmiskenbaar duidelijk was dat de heer [naam 2] niet behoorde tot de afdeling van de gemeente die belast was met de uitvoering van de Participatiewet, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet uit de door eiser overgelegde e-mailberichten dat telefonisch melding is gemaakt van de aankoop van de auto. Duidelijk is dat dit aspect slecht terloops is opgemerkt in het kader van de huur van een elektrische fiets. Dat eiser in het betreffende e-mailbericht verwijst naar een eerder telefonisch contact over een vraag naar aanleiding van de aanschaf van een auto, maakt dit niet anders. Door eiser is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn aankoop wel zou hebben gemeld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft het college terecht geconcludeerd dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Ook is terecht geconcludeerd dat eiser in de te beoordelen periode feitelijk beschikte over een hoger vermogen dan de voor hem toepasselijke vermogensgrens en hij dus geen recht had op bijstand. Het college was gelet op artikel 54, derde lid, van de Participatiewet dan ook gehouden de bijstandsuitkering van eiser in te trekken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Terugvordering </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7.	Ten aanzien van het door eiser gedane beroep op de dringende redenen, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het college geen dringende redenen heeft hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Hiertoe overweegt zij dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de terugvordering zal leiden tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen. Ter zitting is komen vast te staan dat de invordering per 20 juni 2025 is geschorst en het te veel ingevorderde bedrag is terugbetaald. Verder heeft eiser niet met stukken onderbouwd dat sprake is van psychische klachten die voortkomen uit zijn financiële situatie. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen<?linebreak?></title>
    <para>8.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft gehandhaafd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Zorge, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_be6b92ba-c53d-4ba1-b2e5-23b2c8a150ae" label="1">
    <para> Uitspraak van de CRvB van 4 juli 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1368. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_182017bc-d314-4af7-9457-76b0259baf4c" label="2">
    <para> Arrest van de Hoge Raad (HR) van 5 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AN9687. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_885ec2fb-6820-42e8-8ac0-133b56735c7d" label="3">
    <para> Uitspraak van de CRvB van 10 oktober 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1967. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>