<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:12920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T16:00:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 23 _ 4859</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_ambtenarenrecht">Bestuursrecht; Ambtenarenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12920">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12920</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T10:16:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:12920 Rechtbank Noord-Holland , 08-08-2025 / AWB - 23 _ 4859</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:12920:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Smartengeld politieambtenaar. Tijdstip beoordeling mate van invaliditeit. Niet wachten op WIA-beoordeling is onder de gegeven omstandigheden onzorgvuldig. Beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:12920:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 23/4859 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 augustus 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Freriks en mr. A.E.P. van Zandbergen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de korpschef van politie </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. I.G.J. van den Broek).</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de toekenning van smartengeld. Eiser is het niet eens met de hoogte van het door de korpschef vastgestelde smartengeld. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de korpschef de hoogte van het smartengeld juist heeft bepaald.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de korpschef de hoogte van het smartengeld niet op voldoende zorgvuldige wijze heeft bepaald. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het bestreden besluit van 14 juni 2023 op het bezwaar van eiser is de korpschef gebleven bij de toekenning van smartengeld aan eiser ter hoogte van € 17.265,50.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 16 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben gemachtigden van partijen deelgenomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wat vooraf ging</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser is op 1 september 2002 in dienst getreden bij de politie. In 2003 heeft hij een schokkend incident meegemaakt. In 2009 is bij eiser de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld. In 2011 zijn de klachten opnieuw naar boven gekomen en in 2012 is opnieuw de diagnose PTSS gesteld. </para>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft op 14 oktober 2015 verzocht de bij hem vastgestelde PTSS als beroepsziekte te erkennen. Bij besluit van 1 februari 2016 heeft de korpschef de PTSS van eiser erkend als beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, eerste lid, sub y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp). </para>
    <para />
    <para>5. Op 7 juni 2021 heeft de korpschef eiser bij Sedgwick MAZ aangemeld voor het vaststellen van de mate van blijvende invaliditeit. Eiser is op 13 oktober 2021 in het kader van een psychiatrische expertise gezien door [naam psychiater] (psychiater). [naam psychiater] rapporteert op 16 december 2021. De conclusies van [naam psychiater] zijn dat bij eiser nog steeds sprake is van PTSS en dat de kans op substantiële wijzigingen minder waarschijnlijk wordt geacht. [naam psychiater] heeft de mate van blijvende invaliditeit van eiser vastgesteld op 10%. </para>
    <para />
    <para>6. Op basis van de conclusies van [naam psychiater] heeft de korpschef eiser smartengeld toegekend van 10% van het maximale bedrag van € 172.665, dus € 17.265,50.</para>
    <para />
    <para>7. Naar aanleiding van het bezwaar heeft Sedgwick (verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] ) op verzoek van de korpschef bezien of de door eiser in bezwaar ingebrachte (medische) informatie door [naam psychiater] moet worden beoordeeld, of het onderzoek door [naam psychiater] zorgvuldig is uitgevoerd en de conclusies inzichtelijk en concludent zijn en of het percentage op basis van die informatie moet worden bijgesteld. Op 26 januari 2023 heeft [naam verzekeringsarts] zijn advies uitgebracht. Samengevat is volgens hem alles overziend uit te gaan van een kwalitatief goed uitgevoerd psychiatrisch expertiseonderzoek, waarin de gestelde conclusies en de berekening van de blijvend invaliditeit inzichtelijk zijn en kunnen worden gevolgd. </para>
    <para />
    <para>8. Met het bestreden besluit van 14 juni 2023 heeft de korpschef het bezwaar ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>9. Het Uwv heeft eiser met het besluit van 7 november 2023 met ingang van 21 november 2023 een loongerelateerde WIA-uitkering toegekend. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt, dat door het Uwv gegrond verklaard is. Het Uwv heeft met de beslissing op het bezwaar van 20 november 2024 eiser met ingang van 21 november 2023 een IVA-uitkering toegekend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunten eiser </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Primair stelt eiser dat de korpschef nog geen beslissing had mogen en moeten nemen, maar had moeten wachten op het einde wachttijd-besluit van het Uwv. Volgens eiser waren er al ten tijde van de aanmelding van eiser bij Sedgwick (7 juni 2021) aanwijzingen dat er niet alleen sprake was van invaliditeit maar ook van op handen zijnde arbeidsongeschiktheid. Al vanaf maart 2021 ging het opnieuw niet goed met eiser vanwege zijn PTSS. Nog voor zijn ziekmelding in november 2021 ontving hij daarom dagelijks vrije uren of bijzonder verlof. Eiser heeft ter onderbouwing hiervan verklaringen van zijn leidinggevenden gevoegd. Ondanks het feit dat eiser al een tijd ziek thuis zat met een zware terugval en sinds november 2021 volledig is ziek gemeld volgt uiteindelijk toch de beslissing omtrent het smartengeld. Eiser verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (ECLI:NL:RBMNE:2024:2200) waarin een soortgelijke situatie aan de orde was. </para>
    <para />
    <para>11. Subsidiair voert eiser aan dat het percentage blijvende invaliditeit te laag is en geen recht doet aan zijn gezondheidssituatie. Hij verwijst ter onderbouwing naar het medisch advies van [naam psycholoog 1] (Gz-psycholoog). De medisch adviseur acht het aannemelijk dat de mate van blijvende invaliditeit hoger ligt dan 10%. De GAF-score zou 41-50 moeten zijn, zoals ook door de behandelaar van eiser, [naam psycholoog 2] (Gz-psycholoog), is aangegeven. Verder wordt dit indirect ondersteund door de beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv die geen benutbare mogelijkheden voor eiser meer zien en hem daarom volledig en duurzaam arbeidsongeschikt achten. Dit is een geheel andere en veel ernstiger inschatting van de blijvende beperkingen dan op basis van de blijvende invaliditeit van 10% mag worden verwacht, terwijl er geen andere factoren zijn die bij eiser spelen dan zijn PTSS-klachten. De discrepantie tussen de scores van [naam psychiater] en [naam psycholoog 2] ligt volgens de medisch adviseur in het feit dat eiser ten tijde van het onderzoek door [naam psychiater] zijn klachten massief ontkende en maskeerde door al dan niet pathologische copingmechanismen zoals het overmatig gebruik van alcohol, ontkenning, sociale isolatie en bagatellisering. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standpunten korpschef</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Ter zitting heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat eiser de primaire beroepsgrond in bezwaar uitdrukkelijk prijsgegeven heeft. De opmerking van gemachtigde van eiser bij de hoorzitting dat het ‘fijn zou zijn als de politie het wel wil meenemen’ kan niet anders geduid worden dan als een soort coulance-verzoek en in ieder geval niet als een bezwaargrond. Indien deze beroepsgrond wel kan worden behandeld heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat Regeling vergoeding beroepsziekten politie (de Regeling) een termijn van 5 jaar kent waarbinnen het smartengeld uiterlijk moet worden vastgesteld. Het einde van deze termijn lag in het geval van eiser op 14 oktober 2020. Dit betekent dat er alleen smartengeld op basis van het arbeidsongeschiktheidspercentage cq het tweede percentage kan worden toegekend indien aan eiser vóór 14 oktober 2020 een arbeidsongeschiktheidspercentage in de zin van de Wet WIA was toegekend. De wachttijd moest dus vóór 14 oktober 2020 zijn doorlopen en dat is bij eiser niet het geval. Sterker nog, de eerste ziektedag – 23 november 2021 – lag zelfs ver buiten deze termijn. De regelgeving biedt volgens de korpschef geen ruimte om smartengeld toe te kennen op basis van het arbeidsongeschiktheidspercentage als de eerste WIA-dag is gelegen na ommekomst van de 5-jaarstermijn. De korpschef stelt verder dat de situatie van eiser niet te vergelijken is met de situatie die in de door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland aan de orde was. Zo is in het geval van eiser geen sprake van een zeer grote overschrijding van de 5-jaarstermijn. </para>
    <para />
    <para>13. De korpschef heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de rapportage van de GZ-psycholoog [naam psycholoog 1] geen ander licht werpt op de zaak. Daarbij heeft de korpschef benadrukt dat de mate van invaliditeit moet worden vastgesteld door een onafhankelijk deskundige. Dat is gebeurd, door [naam psychiater] en [naam verzekeringsarts] . Om die reden handhaaft de korpschef zijn standpunt dat hij zich bij zijn besluit mocht baseren op de rapportage van [naam psychiater] . Gelet op de omstandigheid dat eiser al in behandeling bij [naam psycholoog 2] was ten tijde van het onderzoek door [naam psychiater] en het onderzoek met haar heeft voor- en nabesproken is het volgens de korpschef zeer onaannemelijk dat [naam psychiater] een totaal verkeerd beeld van de beperkingen van eiser heeft gekregen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wettelijk kader </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. Op grond van artikel 54a, eerste lid, van het Barp wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan een ambtenaar smartengeld vergoed tot een, jaarlijks te indexeren, maximum bedrag. Over de wijze van toekenning van de uitkering van het smartengeld zijn nadere regels uitgewerkt in de (hierna: de Regeling).</para>
    <para />
    <para>15. Uitgangspunt van de Regeling is dat naar aanleiding van een aanvraag om smartengeld door een deskundige een percentage van blijvende invaliditeit wordt vastgesteld. Is er ook sprake van arbeidsongeschiktheid, en is het door het Uwv vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage, voor zover te relateren aan de beroepsziekte, hoger dan het genoemde invaliditeitspercentage, dan wordt van dat arbeidsongeschiktheidspercentage uitgegaan. De vaststelling vindt plaats zodra voorzienbaar is dat de mate van invaliditeit of, indien van toepassing, arbeidsongeschiktheid, ten gevolge van de beroepsziekte niet meer zal toenemen of afnemen. Uiterlijk drie jaar na melding van de beroepsziekte bij het bevoegd gezag wordt langs objectief medische weg getoetst of sprake is van een eindsituatie of dat die eindsituatie binnen redelijke termijn kan worden bereikt. Als dat laatste het geval is, wordt de termijn van drie jaar met ten hoogste twee jaar tot vijf jaar verlengd. Als er na drie jaar geen zicht is op het binnen redelijke termijn bereiken van een eindsituatie of als de eindsituatie na vijf jaar nog niet is bereikt, wordt de mate van invaliditeit of arbeidsongeschiktheid naar de stand van zaken van dat moment vastgesteld. Het smartengeld is gelijk aan het vastgestelde percentage, vermenigvuldigd met het in artikel 54a, eerste lid, van het Barp genoemde bedrag. Het smartengeld zal per aanvraag nooit meer kunnen bedragen dan het daar genoemde maximumbedrag.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Oordeel rechtbank </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. Voor zover de korpschef zich op het standpunt stelt dat eiser in bezwaar een beroep op het arbeidsongeschiktheidspercentage als vastgesteld door het Uwv heeft prijsgegeven, in die zin dat daar in de beroepsprocedure geen beroep op kan worden gedaan, wordt dit niet gevolgd. </para>
    <para />
    <para>17. Allereerst heeft te gelden dat nog geen sprake was van een WIA-besluit, zoals de korpschef ook zelf heeft aangevoerd, zodat het weinig aannemelijk is dat eiser een beroep daarop op voorhand ondubbelzinnig wil prijsgeven. Daarnaast heeft de toenmalige gemachtigde (van de politiebond) blijkens de tekst van de hoorzitting juist aangeven dat gehoopt wordt dat dit wordt meegenomen door de Bezwaarcommissie. Daarmee is geen sprake van het prijsgeven van een beroepsgrond.</para>
    <para />
    <para>18. Voor zover het standpunt van de korpschef is dat het de bedoeling van de Regeling is om alle zaken uiterlijk 5 jaar na het indienen van de aanvraag af te handelen, kan de korpschef niet worden gevolgd. Het doel van de Regeling is het toekennen van smartengeld. Daarbij is een peilmoment, zoals de korpschef het zelf ter zitting verwoordde, bepaald. Maar, dat dit peilmoment tevens een ‘vervaltermijn’ zou omvatten in die zin, dat daarvan niet kan worden afgeweken, is niet aannemelijk geworden. Aldus is de Regeling ook niet geformuleerd. Zo is in artikel 4 van de Regeling juist voorzien in een moment dat er een tweede arbeidsongeschiktheidspercentage wordt vastgesteld indien op grond van artikel 3 een percentage blijvende invaliditeit is vastgesteld. Een tweede percentage wijst er op dat dit na de eerdere vaststelling van het invaliditeitspercentage kan geschieden. </para>
    <para />
    <para>19. Anders dan bij een lichamelijke invaliditeit in voorkomende gevallen meer evident zal zijn, is het moment van eindsituatie bij PTSS niet eenvoudig te duiden. De korpschef noemde dit ter zitting schommelingen. Er zijn ook verschillende behandelingen voor PTSS, die niet gelijktijdig kunnen plaatsvinden. Het is logisch en begrijpelijk dat een politieagent die behandelingen ondergaat in een poging van zijn klachten af te komen, poogt aan het werk te blijven en zich niet meteen ziekmeldt. De ziekmelding heeft in dit geval vóór de besluitvorming plaatsgevonden met de nodige aanwijzingen dat er een WIA-beoordeling aan zat te komen. </para>
    <para />
    <para>20. Daarbij is de vraag of het onderzoek door de deskundige (psychiater [naam psychiater] ) voldoende zorgvuldig is verricht en gemotiveerd. De korpschef heeft dit laten toetsen door verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] (ook van Sedgwick). </para>
    <para />
    <para>21. De rechtbank deelt het standpunt van eiser in die zin dat er voldoende twijfel bestaat over de zorgvuldigheid van het onderzoek en de motivering van de beoordeling door de deskundige. Het heeft er alle schijn van dat, los van het eigen onderzoek zoals weergegeven onder Beschouwing, de focus is geweest op de beantwoording van de vragenlijsten en de uitkomst daarvan. In bezwaar is, ondersteund door de behandelaar van eiser, [naam psycholoog 2] , uiteengezet dat die beantwoording is beïnvloed door de houding van eiser, namelijk het ophouden van façade dat het niet zo slecht met hem ging. Nu de aanwijzingen daartoe zijn opgenomen onder de Beschouwing, kon worden verwacht dat de deskundige dit in de beoordeling zou betrekken.</para>
    <para />
    <para>22. Eiser heeft er verder op gewezen dat in het rapport van [naam psychiater] (op de pagina’s 10, 11, 13 en 15) melding wordt gemaakt van problematiek bij eiser die wijst op arbeidsongeschiktheid. Eiser heeft verder gewezen op de omstandigheid dat hij al sinds maart 2021 – in overleg met zijn teamchef – minder uren en voornamelijk thuis werkte. </para>
    <para />
    <para>23. Daarnaast was de korpschef ermee bekend dat eiser door zijn teamchef volledig ziek was gemeld in november 2021. Weliswaar is dit na het onderzoek door de deskundige, maar voordat de korpschef het primaire besluit had genomen en voordat de deskundige haar rapport had ingediend. Omdat het hier gaat om het bepalen van een ‘eindsituatie’, zoals ook door de korpschef zelf gesteld, had de korpschef in de ziekmelding aanleiding moeten zien om dit eerst nog aan de deskundige voor te leggen zodat deze de informatie had kunnen meenemen in haar rapport, dan wel een andere deskundige in te schakelen. De rechtbank acht het niet zorgvuldig dat dit niet is gebeurd en zelfs geen aanvulling is opgevraagd alvorens tot de besluitvorming over te gaan. Het voorleggen van vragen aan [naam verzekeringsarts] ondervangt dit gebrek niet, omdat in de vraagstelling – en dus ook in de beantwoording – dit aspect niet aan de orde is gesteld.  </para>
    <para />
    <para>24. Het onverkort vasthouden aan de beslistermijn is niet waartoe de Regeling is bedoeld. Zeker niet in het geval, zoals in de onderhavige situatie, waarin het de korpschef is geweest die de termijn heeft opgerekt door niet tijdig onderzoek te laten verrichten. Dit geschiedde eerst na die 5-jaarstermijn. Op dat moment was eiser feitelijk al ziek, omdat hij niet in staat was zijn eigen werk in volle omvang te verrichten. Dit volgt ook uit de verklaringen van de leidinggevenden. Vervolgens is hij per 23 november 2021 eindelijk formeel ziek gemeld. Ten tijde van het nemen van de beslissing op het bezwaar was eiser nog steeds niet aan het re-integreren. Het was op dat moment dan ook duidelijk dat de kans zeer groot was dat een beoordeling in het kader van de Wet WIA zou volgen. Onder deze omstandigheden is het niet wachten op die beoordeling als onzorgvuldig te kenschetsen.  </para>
    <para />
    <para>25. Het moge zo zijn dat de korpschef een belang heeft bij een afwikkelingsmoment van smartengeldzaken, daar staat tegenover dat eiser een belang heeft bij een juiste beoordeling van het invaliditeitspercentage. Er is geen reden om aan te nemen dat ten faveure van een politieagent, in casu eiser, in de gegeven omstandigheden niet van die termijn zou kunnen worden afgeweken. De korpschef had in dit geval zo nodig ook om uitstel van de beslistermijn kunnen vragen. Zoals hiervoor is overwogen is geen sprake van een juridische vervaltermijn en het zou de zorgvuldigheid van de beoordeling van het invaliditeitspercentage van eiser ten goede zijn gekomen. Het is ook niet duidelijk geworden welk belang de korpschef zou hebben, anders dan het afronden van een verzoek. Dit zou slechts anders zijn indien er sprake is geweest van een ingebrekestelling. Het belang van eiser moet in dit geval zwaarder wegen. Te meer, nu er al voldoende aanwijzingen waren ten tijde van de besluitvorming dat de invaliditeit groter was dan uit het onderzoekrapport volgde en dat het verschil tussen het vastgestelde percentage en het WIA-percentage meer dan aanzienlijk is. </para>
    <para />
    <para>26.  Het voorgaande betekent dat de korpschef alsnog een tweede percentage dient vast te stellen, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Regeling. De korpschef zal daarom, in overeenstemming met artikel 4, tweede lid, van de Regeling een onafhankelijk deskundige moet aanwijzen om een tweede percentage vast te stellen, uitgaand van de door het Uwv bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid.  </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>27. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Dit betekent dat eiser in het gelijk gesteld wordt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Dit omdat de korpschef een deskundige zal moeten inschakelen om een tweede percentage vast te stellen op basis van de door het Uwv bepaalde mate van arbeidsongeschiktheid. Ook draagt de rechtbank niet aan de korpschef op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>27.1.</nr>
      <para>De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de korpschef een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de korpschef hiervoor twee maanden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>27.2.</nr>
      <para>In het feit dat een nieuw besluit genomen moet worden ziet de rechtbank aanleiding om thans geen oordeel te geven over het verzoek van eiser om schadevergoeding (in de vorm van wettelijke rente) zodat eiser dit in een nadere procedure nog kan vorderen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>27.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Omdat het beroep gegrond is moet de korpschef het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.</para>
        <para>De korpschef moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-. <?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het besluit van 14 juni 2023;</para>
    <para>- draagt de korpschef op binnen twee maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para>- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>