<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:12606</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T17:21:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">11420602 \ CV EXPL  24-3174</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zaanstad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12606">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:12606</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-11-13T17:19:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-11-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:12606 Rechtbank Noord-Holland , 22-05-2025 / 11420602 \ CV EXPL  24-3174</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:12606:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Partijen hadden een relatie met elkaar en woonden met twee kinderen samen in een gezamenlijke huurwoning. Beide partijen willen in de woning blijven en vorderen dat de ander de huur van de woning niet langer voortzet. Naar aanleiding van een door de vrouw gestarte kortgedingprocedure heeft het hof in hoger beroep in het voordeel van de vrouw geoordeeld en beslist dat de man de woning moet verlaten totdat in een bodemprocedure is beslist wie van partijen de huur van de woning niet langer voortzet. De kantonrechter oordeelt in deze bodemprocedure ook in het voordeel van de vrouw en bepaalt dat de man de huur van de woning niet langer zal voortzetten. De vordering van de vrouw wordt daarom toegewezen en die van de man wordt afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:12606:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <emphasis role="bold caps">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold">NOORD-HOLLAND</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht</para>
      <para>Kantonrechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Zaanstad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 11420602 \ CV EXPL  24-3174</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 22 mei 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>eisende partij in conventie,</para>
      <para>verwerende partij in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: [eiseres] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.G. Pittaluga,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij in conventie,</para>
      <para>eisende partij in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. B.E.C. de Jong.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De zaak in het kort</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen hadden een relatie met elkaar en woonden met twee kinderen samen in een gezamenlijke huurwoning. Beide partijen willen in de woning blijven en vorderen dat de ander de huur van de woning niet langer voortzet. Naar aanleiding van een door de vrouw gestarte kortgedingprocedure heeft het hof in hoger beroep in het voordeel van de vrouw geoordeeld en beslist dat de man de woning moet verlaten totdat in een bodemprocedure is beslist wie van partijen de huur van de woning niet langer voortzet. De kantonrechter oordeelt in deze bodemprocedure ook in het voordeel van de vrouw en bepaalt dat de man de huur van de woning niet langer zal voortzetten. De vordering van de vrouw wordt daarom toegewezen en die van de man wordt afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <para>- de dagvaarding van 12 november 2024</para>
      <para>- het mondelinge antwoord van 28 november 2024</para>
      <para>- de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van 9 januari 2025</para>
      <para>- het tussenvonnis van 6 februari 2025</para>
      <para>- de aanvullende producties van [gedaagde] van 18 april 2025</para>
      <para>- de aanvullende producties van [eiseres] van 19 april 2025</para>
      <para>- de mondelinge behandeling van 30 april 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van de tweejarige [minderjarige 1] , geboren [geboortedatum] 2022. [gedaagde] heeft [minderjarige 1] erkend. [eiseres] heeft het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . Uit een eerdere relatie van [eiseres] is de minderjarige [minderjarige 2] geboren. ( [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen hierna de kinderen genoemd worden.)</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Sinds oktober 2023 zijn partijen gezamenlijk huurder van de woning aan de [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning). Partijen huren de woning van Parteon. De maandelijkse huur bedraagt op dit moment € 901,31. Voordat zij de huurwoning betrokken woonden partijen samen met de kinderen bij de moeder van [eiseres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Gelet op de spanningen tussen partijen heeft [eiseres] de woning met de kinderen begin oktober 2024 verlaten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Naar aanleiding van een door [eiseres] op 27 november 2024 gestarte kortgedingprocedure heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 17 december 2024 bepaald dat het uitsluitend gebruik van de woning, voorlopig, namelijk totdat in een bodemprocedure over het huurrecht van de woning is beslist, wordt toegewezen aan [gedaagde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>
        [eiseres] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van de voorzieningenrechter. Het hof heeft bij vonnis van 15 april 2025 bepaald dat het uitsluitend gebruik van de woning, voorlopig, namelijk totdat in een bodemprocedure over het huurrecht van de woning is beslist, wordt toegewezen aan [eiseres] .</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">In conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat [gedaagde] vanaf de datum van het vonnis of een andere datum niet langer de huur van de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres 1] zal voortzetten en dat zijzelf huurder zal zijn van die woning en te bevelen dat [gedaagde] de woning binnen vijf dagen na het vonnis moet verlaten, op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] vordert – samengevat – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat [eiseres] vanaf de datum van het vonnis of een andere datum niet langer de huur van de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [woonplaats] aan de [adres 1] zal voortzetten en dat zijzelf huurder zal zijn van die woning en te bevelen dat [eiseres] de woning binnen veertien dagen na het vonnis moet verlaten, met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie en in reconventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Partijen zijn gezamenlijk contractueel huurder van de woning en zijn het met elkaar eens dat zij niet langer met elkaar onder één dak kunnen leven. Duidelijk is daarmee dat sprake is van een situatie waarin bepaald moet worden dat één van hen de huur niet langer zal voortzetten, omdat dit naar billijkheid geboden is<footnote-ref linkend="_56538adb-bdfb-4370-982b-f497456dda2d" />. Beide partijen willen in de woning blijven wonen met de kinderen. Bij de beantwoording van de vraag wie van partijen de huur en de bewoning van voormelde woning mag voortzetten, met uitsluiting van de ander, gaat het om een belangenafweging waarbij alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Die belangenafweging valt uit in het voordeel van [eiseres] . Hierna wordt uitgelegd waarom.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Doorslaggevend is hierbij het belang van de kinderen. [eiseres] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij en de kinderen op dit moment in een onwenselijke situatie verkeren. [eiseres] en de kinderen hebben op dit moment hun hoofdverblijf in [adres 2] in Amstelveen (in een studentenkamer van 15 m2) en dit is alles behalve een stabiele woonsituatie voor hen. Dat [minderjarige 2] op dit moment tijdelijk bij haar vader woont, neemt niet weg dat [minderjarige 2] weer naar haar moeder gaat als er weer een stabiele woonsituatie is. Die situatie is ook ontstaan doordat [eiseres] met de kinderen in [adres 2] in Amstelveen woont. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken, waaronder foto’s, kan niet iets anders worden afgeleid. De kantonrechter acht het verblijf van [eiseres] met de kinderen in een studentenkamer onwenselijk en niet in het belang van de kinderen. Dat geldt te meer omdat de school en opvang van de kinderen in [woonplaats] is en de vrouw om die reden doordeweeks dagelijks tussen Amstelveen en [woonplaats] moet reizen. [eiseres] heeft bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat de woning van haar moeder ook niet geschikt is om een stabiele woonsituatie voor de kinderen te creëren. De verstandhouding met haar moeder is niet goed en de broer van [eiseres] woont ook in de woning van haar moeder. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij met de kinderen niet weer bij haar moeder kan verblijven en dat, anders dan [gedaagde] stelt, van een stabiele woonsituatie geen sprake is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft op de zitting naar voren gebracht dat hij een groter belang heeft bij behoud van de woning dan [eiseres] vanwege zijn omgangsregeling met [minderjarige 1] en het feit dat de omgangsregeling van hem met [minderjarige 1] onder druk komt te staan als hij de woning niet toegewezen krijgt. De kantonrechter is echter van oordeel dat dat belang niet zo zwaar weegt dat daarom de stabiele woonsituatie van [eiseres] met twee kinderen daaronder moet lijden. De kantonrechter neemt in dit verband ook in aanmerking dat [eiseres] tot dusver het eenhoofdig gezag heeft over de kinderen. [gedaagde] heeft weliswaar een procedure gestart om mede het gezag te krijgen over [minderjarige 1] , maar voor de beoordeling van dit geschil moet de kantonrechter uitgaan van de huidige situatie dat [gedaagde] (nog) geen gezag heeft over [minderjarige 1] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Ook weegt de kantonrechter mee dat de huidige woning van partijen in 2023 is toegewezen omdat [eiseres] situatiepunten had, en niet [gedaagde] . Ook toen was de woonsituatie van [eiseres] kennelijk al urgent, en had zij geen geschikte alternatieven. Uit de stukken blijkt verder dat [eiseres] niet nogmaals opnieuw een woning toegewezen kan krijgen op basis van situatiepunten. Dat [gedaagde] ook belang heeft bij behoud van de woning, omdat hij (op korte termijn) geen alternatieve woonruimte tot zijn beschikking heeft, is aannemelijk gelet op de huidige woningmarkt, maar dit geldt ook voor [eiseres] . De kantonrechter acht het aannemelijk dat [gedaagde] eerder een alternatieve woonruimte zal vinden, zonder kinderen, dan [eiseres] met kinderen. Daarbij komt dat [gedaagde] op de zitting heeft bevestigd dat hij overal werkt en ook overal kan werken. In dat kader is [gedaagde] niet gebonden aan een vaste woonplaats. De stelling dat hij een veelheid aan werkspullen heeft die hij niet ergens anders kan opslaan, volgt de kantonrechter niet en is bovendien ook niet gebleken. Zijn werkspullen kan hij ook elders opslaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Verder neemt de kantonrechter de financiële situatie van partijen in aanmerking. In de processtukken en tijdens de zitting is gesproken over de vraag in hoeverre partijen op dit moment in staat zijn om de woning alleen te kunnen betalen. Vast is komen te staan dat zowel [eiseres] als [gedaagde] de woning kunnen betalen. Zij hebben beiden laten zien dat zij over voldoende inkomen beschikken. Vast staat ook dat de huur van de woning onder de liberalisatiegrens ligt en dat [eiseres] een bedrag van € 512,00 aan huurtoeslag zal ontvangen zodat [eiseres] de huur in ieder geval kan betalen. De stelling van [gedaagde] dat [eiseres] kampt met schulden omdat [gedaagde] op zijn adres regelmatig brieven van deurwaarders en incassobureaus ontvangt gericht aan [eiseres] , heeft hij onvoldoende onderbouwd en wordt bovendien betwist door [eiseres] . Gelet op de processtukken die zijn overgelegd en wat op de zitting is besproken worden beide partijen geacht de huur te kunnen betalen. Het voorgaande leidt ertoe dat de financiële situatie van partijen in het kader van de belangenafweging geen gewicht in de schaal legt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Met voormeld oordeel wordt bestendigd de situatie die is ontstaan door het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 april 2025. In dat arrest is [gedaagde] veroordeeld de woning te ontruimen en te verlaten binnen zeven dagen na betekening van het arrest. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die maken dat de kantonrechter tot een ander oordeel zou moeten komen. Dit betekent dat de kantonrechter zal bepalen dat [gedaagde] met ingang van heden de huur niet voortzet en dat [eiseres] vanaf de datum van het vonnis de huurder zal zijn van de woning met uitsluiting van [gedaagde] .</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>
        [eiseres] verzoekt om de termijn dat [gedaagde] de woning moet verlaten te bepalen op vijf dagen na dit vonnis. Op de zitting is besproken dat naar aanleiding van het arrest van het hof de ontruiming aan [gedaagde] op 25 april 2025 is aangezegd om de woning binnen zeven dagen na betekening van het vonnis te verlaten. De kantonrechter gaat er vanuit dat [gedaagde] aan deze aanzegging gehoor heeft gegeven en de woning op dit moment heeft verlaten gelet op de dwangsommen die [gedaagde] verbeurt als hij de woning niet tijdig verlaat, zodat [eiseres] geen belang meer heeft bij toewijzing van een termijn. Dit geldt ook voor de in deze procedure door [eiseres] gevorderde dwangsom. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>bepaalt dat [gedaagde] de huur van de woning, gelegen aan de [adres 1] ( [postcode] ) in [woonplaats] , met ingang van 22 mei 2025 niet langer zal voortzetten,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>wijst de vorderingen van [gedaagde] af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>TB</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_56538adb-bdfb-4370-982b-f497456dda2d" label="1">
    <para> Artikel 7:267 lid 7 BW.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>