<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2025:11850</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-21T09:25:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB-24_7523</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:11850">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2025:11850</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-21T09:23:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2025:11850 Rechtbank Noord-Holland , 26-06-2025 / AWB-24_7523</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2025:11850:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beeindiging WIA-uitkering. Beperkingen juist en volledig vastgesteld. Beroep ongegrond. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2025:11850:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 24/7523 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , uit [plaats] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)</emphasis>, verweerder </para>
      <para>(gemachtigde: L. Ritsma).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Samenvatting</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van een uitkering op de grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiser heeft een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Deze aanvraag is toegewezen, waarbij de arbeidsongeschiktheid van eiser op 80 tot 100% is vastgesteld. Zowel eiser als [werkgever 1] (de werkgever) hebben bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar heeft het Uwv eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt geacht en de WIA-uitkering beëindigd. Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd. Het Uwv heeft zorgvuldig onderzoek gedaan naar de medische situatie van eiser en heeft overtuigend gemotiveerd waarom geen urenbeperking wordt aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding een deskundige te benoemen<emphasis role="italic">. </emphasis>Hoewel het Uwv de motivering van het besluit ter zitting heeft aangevuld, leidt die gewijzigde motivering niet tot een ander rechtsgevolg, zodat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt wel een vergoeding omdat de redelijke termijn is overschreden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Met het bestreden besluit van 10 oktober 2024 op het bezwaar van eiser en de werkgever, heeft het Uwv het bezwaar van de werkgever gegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Met de brief van 13 mei 2025 heeft de gemachtigde van eiser de beroepsgronden geconcretiseerd, een rapportage van [deskundige] van 15 april 2025 overgelegd en een door eiser opgestelde beschrijving van de gang van zaken overgelegd. Daarop heeft verweerder gereageerd met de brief van 28 mei 2025, bij de rechtbank binnengekomen op 3 juni 2025, met daarbij een aanvullende rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 mei 2025. Met de e-mail van 2 juni 2025 heeft eiser een toelichting op de WIA-aanvraag overgelegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het Uwv. Het Uwv heeft ter zitting een aanvullende rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 juni 2025 overgelegd. Eiser heeft ter zitting een verklaring van [naam] van 3 juni 2025 overgelegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het bestreden besluit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiser is tot en met 14 mei 2018 in dienst geweest als orderpicker gedurende 40 uur per week. Op 9 mei 2018 is eiser na een val van een trap ziekgemeld. Het Uwv heeft eiser een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij de eerstejaars ziektewetbeoordeling van 26 maart 2019 is eiser geschikt geacht voor zijn arbeid en is zijn ZW-uitkering beëindigd per 9 juni 2019. Eiser heeft aansluitend een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontvangen tot 8 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Eiser is op 7 juni 2021 in dienst getreden van de werkgever. Eiser ging werkzaamheden verrichten als logistiek medewerker. Op 14 juni 2021 is eiser ziekgemeld in verband met de gevolgen van een val van zijn fiets. Eiser had op dat moment in totaal 23 uur voor de werkgever gewerkt. Het dienstverband is beëindigd. Het Uwv heeft eiser vanaf 16 juni 2021 een ZW-uitkering toegekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para> Het Uwv heeft eiser medisch beoordeeld op 9 november 2021, 1 februari 2022, 3 mei 2022, 15 augustus 2022 en 23 februari 2023, waarbij steeds werd geconcludeerd dat eiser niet geschikt was voor het eigen werk. Eiser heeft zichzelf hersteld gemeld op 6 oktober 2022 en is in dienst getreden van [werkgever 2] . Eiser is kort daarna, op 21 oktober 2022, ziekgemeld. Deze werkhervatting is door het Uwv niet geaccepteerd. Het Uwv heeft eiser dus doorlopend ziek geacht vanaf 14 juni 2021.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Eiser heeft op 31 maart 2023 een WIA-uitkering aangevraagd. De verzekeringsarts heeft in het rapport van 6 mei 2023 geconcludeerd dat sprake is van een verminderde belastbaarheid als gevolg van ziekte of gebrek. In de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 1 mei 2023 zijn beperkingen opgenomen in rubrieken 3 (fysieke omgevingseisen) en 4 (dynamische handelingen). Tevens is een urenbeperking opgenomen van twee uur per dag en tien uur per week. In het rapport van de arbeidsdeskundige van 18 mei 2023 is het arbeidsongeschiktheidspercentage bepaald op 100%. Met het primaire besluit van 19 mei 2023 is eiser een WIA-uitkering toegekend vanaf 12 juni 2023. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Zowel de werkgever als eiser hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 19 mei 2023. De werkgever heeft, voor zover thans nog van belang, naar voren gebracht dat geen grondslag bestaat voor een urenbeperking. Eiser heeft in bezwaar naar voren gebracht dat van een eerdere eerste ziektedag moet worden uitgegaan en dat het dagloon onjuist is vastgesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Hangende de bezwaarprocedure heeft het Uwv aanleiding gezien een psychiatrische expertise te laten uitvoeren. In het rapport van 9 augustus 2024 van [organisatie] , concludeerde de neuropsycholoog dat bij eiser onvoldoende aanwijzingen zijn gevonden voor een neurocognitieve stoornis of een psychiatrische stoornis. Daarmee bestaan evenmin aanwijzingen voor beperkingen en is behandeling niet geïndiceerd, aldus de neuropsycholoog. De klinisch psycholoog kon geen cognitieve functiestoornissen vaststellen als gevolg van onderpresteren tijdens de onderzoeken. Ook over de eventueel onderliggende motieven of ziektebeelden die samenhangen met het onderpresteren, kon de klinisch psycholoog geen uitspraak doen. De klinisch psycholoog heeft zich daarom niet kunnen uitlaten over behandeling of prognose. De klinisch psycholoog zag op basis van de klinische observatie en het dagverhaal geen aanleiding tot het aannemen van cognitieve beperkingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 augustus 2024 geconcludeerd dat beperkingen in rubriek 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) van de FML niet aan de orde zijn. Wel heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep een extra beperking aangenomen in rubriek 3.5. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarnaast, in afwijking van het rapport van de verzekeringsarts van 6 mei 2023, geen aanleiding gezien tot het aannemen van een urenbeperking. De gewijzigde FML is vastgesteld op 21 augustus 2024.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Met inachtneming van de beperkingen opgenomen in deze aangepaste FML, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 26 augustus 2024 de arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 3,88%. Daarna is het besluit van 10 oktober 2024 genomen, waar het in deze procedure over gaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn beperkingen onvolledig en onjuist zijn vastgelegd in de FML van 21 augustus 2024. Eiser is meer beperkt dan is aangenomen. Omdat de klachten ondanks verschillende behandelingen al geruime tijd onveranderd zijn of zelfs zijn toegenomen, is sprake van duurzame klachten. Het Uwv heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikte (IVA-uitkering), aldus eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Eiser verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen als de rechtbank twijfelt over het bestaan van een urenbeperking bij eiser. Uit de rapportage van 15 april 2025 van [deskundige] volgt dat aanvullende beperkingen ten opzichte van de FML van 21 augustus 2024 moeten worden aangenomen. Deze beperkingen betreffen een urenbeperking van vier uur per dag, twintig uur per week, de onmogelijkheid om in de avonden en nachten te werken en de noodzaak elk uur vijf minuten te pauzeren. Omdat zowel de primaire verzekeringsarts als de door eiser ingeschakelde deskundige een urenbeperking geïndiceerd achten, terwijl de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen urenbeperking heeft aangenomen, moet een onafhankelijke deskundige daarover rapporteren, zo verzoekt eiser.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Daarnaast voert eiser aan dat de geduide functies in het arbeidskundige rapport niet passend zijn, omdat de FML onjuist is vastgesteld. De geduide functies overschrijden op sommige punten de belasting van eiser. Verder is het dagloon van eiser onjuist vastgesteld. Het Uwv had voor de berekening van het dagloon moeten uitgaan van zijn functie als orderpicker voor 32,91 uur per week. Ook ontbreken de indexgegevens, aldus eiser.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Eiser verzoekt tot slot om vergoeding van zijn schade en om een vergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt van het Uwv</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat de FML juist is vastgesteld. Eiser heeft geen medische gegevens overgelegd die maken dat de FML moet worden aangepast, aldus het Uwv. Er is daarom terecht geen urenbeperking aangenomen en er is geen aanleiding een deskundige te benoemen. De geduide functies zijn geschikt voor eiser. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Het Uwv voert aan dat de maatmanfunctie logistiek medewerker is. Op de eerste ziektedag had eiser geen recht meer op een WW-uitkering in verband met het einde van zijn werkzaamheden als orderpicker en daarom kan niet op dat inkomen worden teruggegrepen. Het inkomen dat eiser als medewerker logistiek heeft verworven, is daarom terecht gebruikt voor het bepalen van het dagloon. Met de aanvullende rapportage van 2 juni 2025 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft het Uwv geconcludeerd dat de maatmanomvang in de beslissing op bezwaar ten onrechte is bepaald op 23 uur per week. Dat moet 37,5 uur per week zijn. Het dagloon wijzigt daardoor niet, maar door aanpassing van de maatmanomvang is de arbeidsongeschiktheid 8,94% in plaats van de eerder aangenomen 3,88%. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Moet een deskundige worden benoemd?</emphasis>
      </para>
      <para>6. Eiser heeft verzocht een deskundige te benoemen. De uitgangspunten voor de beoordeling van dat verzoek zijn neergelegd in een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 30 juni 2017.<footnote-ref linkend="_f02f3037-6a16-43f4-b0d4-4421df6605a9" /> De rechtbank moet allereerst beoordelen of het onderzoek van het Uwv zorgvuldig was, vervolgens of sprake is van equality of arms en daarna of de inhoudelijke beoordeling door het Uwv juist was. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat het Uwv de beperkingen van eiser zorgvuldig heeft onderzocht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naast eigen psychologisch onderzoek en dossierstudie een onafhankelijk deskundige ingeschakeld om te bezien of de klachten van eiser konden worden verklaard vanuit een psychische of psychiatrische aandoening. Het onderzoek van het Uwv is daarmee zorgvuldig geweest. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat sprake is van equality of arms. Eiser heeft voldoende gelegenheid gehad om op de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te reageren. Eiser heeft van die gelegenheid ook gebruik gemaakt door het overleggen van een eigen deskundigenrapport. Zo’n rapport is naar zijn aard geschikt om twijfel te zaaien over het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.<footnote-ref linkend="_042a08dc-9052-4d7e-b3a2-adcd92fd93ad" /> De rechtbank is tot slot van oordeel dat de inhoudelijke beoordeling van het Uwv juist is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het rapport van 21 augustus 2024 toegelicht dat geen aanleiding bestaat voor het opnemen van een beperking in rubriek 1 en 2 van de FML, nu geen psychiatrische stoornis kon worden vastgesteld en onvoldoende aanwijzingen zijn gevonden voor een neurocognitieve stoornis. In het deskundigenrapport van [deskundige] van 15 april 2025 wordt onderschreven dat er geen medische en psychiatrische verklaringen zijn voor de gewrichtsklachten, de vermoeidheidsklachten en het afgenomen cognitief vermogen van eiser. Desondanks concludeert [deskundige] tot een urenbeperking op basis van de plausibiliteit en consistentie van de ervaren belemmeringen door eiser en zijn participatieproblemen. Met de reactie van het Uwv van 2 juni 2025 op het deskundigenrapport van eiser, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom het deskundigenrapport van [deskundige] geen aanleiding geeft tot aanpassing van de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft navolgbaar uiteengezet dat te stellen beperkingen een rechtstreeks en objectief verband met ziekte of gebrek dienen te hebben, terwijl die objectieve onderbouwing in het geval van eiser ontbreekt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst daarvoor naar de rapportage van de onafhankelijk deskundige van 9 augustus 2024. Met de medische klachten die wel kunnen worden geobjectiveerd is rekening gehouden in de FML, maar dat geeft geen aanleiding tot een urenbeperking, zo licht de verzekeringsarts bezwaar en beroep toe. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Uit het voorgaande volgt dat het Uwv zorgvuldig onderzoek heeft gedaan naar de beperkingen van eiser, dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad daarop te reageren en dat de beperkingen juist en volledig zijn vastgesteld. De rechtbank twijfelt daarom niet aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het verzoek om een deskundige te benoemen, wijst de rechtbank af. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Komt eiser in aanmerking voor een IVA-uitkering?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid van eiser, zodat het Uwv niet hoefde te motiveren waarom aan eiser geen IVA-uitkering werd toegekend. Dat sprake zou zijn van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid komt ook niet overeen met de toelichting van eiser op zitting en de verklaring van [naam] namens de stichting waarvoor eiser vrijwilligerswerk doet, waaruit volgt dat hij vijftien tot twintig uur per week werkzaam was en wil zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Overschrijden de geduide functies de belastbaarheid?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>8. Eiser voert aan dat de geduide functies de belastbaarheid van eiser overschrijden. De geduide functies betreffen functies waarin meer dan twee uur per dag en meer dan tien of twintig uur per week wordt gewerkt. Dit overschrijdt de urenbeperking die [deskundige] en de primaire verzekeringsarts voorstaan, aldus eiser.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het voorgaande volgt dat de FML van 21 augustus 2024 geen aanpassing behoeft. Op basis van die FML is eiser in staat acht uur per dag te werken, waarmee de geduide functies binnen de belastbaarheid van eiser vallen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is de maatgevende arbeid juist vastgesteld?</emphasis>
        </para>
        <para>9. Eiser voert aan dat het Uwv bij de berekening van het maatmanloon had moeten uitgaan van zijn functie als orderpicker voor 32,91 uur per week, in plaats van logistiek medewerker voor 23 uur per week.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>Bij de beoordeling door de rechtbank geldt als uitgangspunt dat het maatmaninkomen wordt vastgesteld door het loon dat eiser in het refertejaar heeft verdiend te delen door het aantal uren van die maatgevende arbeid in het refertejaar. Dat volgt uit artikel 7a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Sb). In artikel 10, eerste lid, van het Sb is bepaald dat rekening wordt gehouden met een verschil in urenomvang tussen de maatmanfunctie en de functie die aan de arbeidsongeschiktheidsschatting ten grondslag wordt gelegd. In artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregels uurloonschatting 2008 is voorgeschreven dat dat gebeurt door het mediane loon te vermenigvuldigen met factor a/b, waarbij a staat voor de urenomvang van de functie die aan de schatting ten grondslag ligt en b voor de urenomvang van de maatmanfunctie.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. In de rapportage van de primaire arbeidsdeskundige van 18 mei 2023 is overtuigend gemotiveerd dat de maatgevende arbeid voor de WIA-beoordeling logistiek medewerker is. Uit de toelichting volgt dat er geen aanleiding is om de WW-uitkering volgende op de werkzaamheden als orderpicker bij de beoordeling te betrekken, omdat die WW-uitkering op het moment van de ziekmelding van 14 juni 2021 al was geëindigd. De rechtbank is met het Uwv van oordeel dat terecht de functie logistiek medewerker als maatmanfunctie is genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3.</nr>
      <para>In de aanvullende motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 2 juni 2025 is toegelicht dat de maatmanomvang in de beslissing op bezwaar van 10 oktober 2024 ten onrechte is bepaald op 23 uur per week. Omdat eiser vijf dagen per week zou gaan werken en hij 7,5 uur per dag zou werken, is de maatmanomvang afgerond 38 uur per week. Rekening houdende met het verschil in urenomvang tussen de maatmanfunctie van logistiek medeweker (38 uur per week) en het aan de theoretische schatting ten grondslag gelegde medewerker consultatiebureau (36 uur per week), is het arbeidsongeschiktheidspercentage ((14,15 – (13,60 * (36/38)) / 14,15) x 100% =) 8,94%. Het Uwv heeft deze motivering pas op zitting naar voren gebracht en heeft de  motivering van het bestreden besluit aangepast. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven ongewijzigd, omdat eiser ook na de verbeterde motivering minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ontbreken indexgegevens?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>10. Eiser heeft aangevoerd dat onduidelijk is of de juiste indexgegevens zijn gebruikt bij het vaststellen van zijn arbeidsongeschiktheidspercentage.</para>
      <para />
      <para>11. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de rapporten van de primaire arbeidsdeskundige van 18 mei 2023 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 augustus 2024 volgt dat de indexcijfers 120,1 van juni 2021 en 130,4 van april 2023 zijn gebruikt. Eiser heeft de stelling dat onjuiste indexcijfers zijn gebruikt onvoldoende onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv de WIA-uitkering terecht heeft beëindigd.   Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Schadevergoeding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. Eiser verzoekt vergoeding van zijn schade, te weten de wettelijke rente op de ten onrechte niet-uitbetaalde uitkering.</para>
    <para />
    <para>14. Uit het voorgaande volgt dat het beroep ongegrond is, zodat geen aanleiding bestaat voor een schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding daarom af.<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="underline">Is de redelijke termijn overschreden?</bridgehead>
    <para>15. Eiser verzoekt een schadevergoeding toe te kennen nu de behandeling van de bezwaar- en beroepsprocedure de redelijke termijn heeft overschreden. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit van het Uwv op 19 juni 2023. Nu de uitspraak in deze zaak na 19 juni 2025 wordt gedaan, is de redelijke termijn van twee jaar overschreden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>15.1.</nr>
      <para>Volgens vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de behandeling in bezwaar een half jaar en voor de behandeling van het beroep anderhalf jaar. Er doen zich hier geen omstandigheden voor die een langere behandelingsduur rechtvaardigen. Het verzoek wordt daarom toegewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>15.2.</nr>
      <para>Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met ongeveer twee weken. Dat is korter dan een half jaar, zodat een schadevergoeding van € 500,-- passend is. Deze schadevergoeding komt ten laste van het Uwv, nu de procedure in bezwaar ongeveer zestien maanden in beslag heeft genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt het Uwv tot vergoeding van schade aan eiser wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 500,00<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Mons, rechter, in aanwezigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_f02f3037-6a16-43f4-b0d4-4421df6605a9" label="1">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2017:2226.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_042a08dc-9052-4d7e-b3a2-adcd92fd93ad" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2021:251.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>