<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:9885</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-04T13:59:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-09-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24_1239</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:9885">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:9885</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-02-04T13:58:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:9885 Rechtbank Noord-Holland , 30-09-2024 / 24_1239</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:9885:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wmo, verhuiskostenvergoeding, betrokkene is verhuisd buiten de gemeente, geen procesbelang meer</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:9885:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: HAA 24/1239 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: K. van Waarden en W. Lam).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 17 augustus 2023 heeft verweerder de aanvraag om een verhuiskostenvergoeding afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij het bestreden besluit van 21 februari 2024 is verweerder bij deze afwijzing gebleven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op zitting van 17 september 2024 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiser en de gemachtigden van verweerder.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt verweerder</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de aanvraag moet worden afgewezen, omdat eiser ten tijde van de aanvraag op 21 juni 2023 geen ingezetene was van de gemeente [plaats 1] . Eisers huurwoning in [plaats 2] is op 13 april 2023 ontruimd, met als gevolg dat hij daar na die datum niet meer woonde. Eiser vermeldt in het door hem ondertekende en op 21 juni 2023 gedateerde Perspectiefplan dat hij in Egypte verbleef.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Eiser stelt dat hij voor 21 juni 2023 meerdere keren een aanvraag heeft ingediend te weten op 27 oktober 2022, 10 november 2022, 4 en 29 januari 2023. Op 1 maart 2022 heeft hij de burgemeester om hulp gevraagd. De gemeente heeft een zorgplicht voor hun ingezetenen maar hier is al die tijd niet aan voldaan. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat hij genoodzaakt was te verhuizen door de langdurige straling van de 4G en 5G zendmasten vlakbij zijn huis. Hierdoor liep hij schade op aan zijn gezondheid. Hij had geen inkomsten meer, er ontstond een huurachterstand en zijn huis werd ontruimd op 13 april 2023. Zijn inboedel is toen verdwenen en hij werd dakloos. Eiser voert aan dat hij noodgedwongen kosten moest maken en die kosten heeft hij nog steeds. Hij verzoekt om toewijzing van de verhuiskosten zodat hij een nieuwe start kan maken en dit doet hij ook op medische gronden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>4. De rechtbank dient allereerst de vraag te beantwoorden of eiser nog voldoende procesbelang heeft bij de gevraagde voorziening. Volgens vaste rechtspraak is pas sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat eiser met het maken van het bezwaar en het indienen van het beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor eiser feitelijk betekenis kan hebben. Dat betekent dat er pas aanleiding is om het beroep inhoudelijk te beoordelen indien eiser daarbij een actueel en reëel belang heeft.<footnote-ref linkend="_fe672215-75c4-4f53-b230-905c946e4caa" /></para>
    <para />
    <para>5. Naar het oordeel van de rechtbank is met de ontruiming van de woning van eiser op 13 april 2023 en het verblijf van eiser buiten de gemeente [plaats 1] , naar eigen zeggen in het buitenland en thans zonder vaste verblijfplaats, het genoemd belang komen te ontvallen. Het resultaat (een verhuisvergoeding) kan immers niet meer worden bereikt. Dit betekent dat in deze zaak geen procesbelang meer aanwezig is en komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is op grond van bovenstaande overwegingen niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_fe672215-75c4-4f53-b230-905c946e4caa" label="1">
    <para> ECLI:NL:CRVB:2020:887</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>