<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:6626</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-09T14:25:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24_880</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:6626">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:6626</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-09T14:25:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:6626 Rechtbank Noord-Holland , 04-07-2024 / 24_880</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:6626:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wet WIA. Terugvordering bruto bedrag. Onjuiste informatie verstrekt door UWV in terugvorderingsbesluit. Strijd met rechtszekerheidsbeginsel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:6626:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: HAA 24/880 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juli 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit Heemstede, eiseres</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen</emphasis>, verweerder </para>
      <para>(gemachtigde: mr. P. Nicolai).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de invordering van het totaalbedrag van € 1.739,57.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 8 oktober 2019 is aan eiseres het recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toekend. Eiseres werkt, haar inkomsten worden verrekend met haar uitkering die zij in de vorm van een voorschot ontvangt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij besluit van 8 december 2023 heeft verweerder vastgesteld dat eiseres € 1.739,57 bruto teveel aan voorschot heeft ontvangen dat zij moet terugbetalen. Hierin wordt ook vermeld dat zij nog een aparte brief ontvangt waarin staat hoe zij kan terugbetalen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij besluit van 19 december 2023 heeft verweerder – onder verwijzing naar het besluit van 8 december 2023 – meegedeeld dat eiseres een bedrag moet terugbetalen. Onder het kopje “Zo kunt u betalen”, in het kader wordt het volgende vermeld: </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Maak het bedrag van € 1.118,90 binnen 6 weken na datum van deze brief over naar:” (…).</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Bij het primaire besluit van 11 januari 2024 heeft verweerder vastgesteld dat het volledig bedrag dat eiseres moet betalen niet vóór 1 januari 2024 is ontvangen. Het bedrag dat zij nog moet betalen is daarom verhoogd met € 620,67 aan loonheffing. De hoogte van het volledig te betalen bedrag bedraagt bruto € 1.739,57.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 21 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Eiseres is in beroep gegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10.</nr>
      <para>Na de zitting heeft eiseres aangegeven waarom zij niet aanwezig kon zijn en heeft zij verzocht om de zaak alsnog in haar aanwezigheid te behandelen. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt eiseres</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres voert aan dat zij het netto geldbedrag tijdig heeft betaald, zoals in verweerders brief van 19 december 2023 duidelijk in een groot zwart omlijnd kader wordt vermeld: binnen zes weken. Vervolgens ontving eiseres het primair besluit waarna zij telefonisch contact heeft opgenomen met het UWV. Bij die gelegenheid werd haar uitgelegd dat sprake was van een foutje. Ten onrechte was bij de betaaltermijn in het kader het cijfer 6 blijven staan. Eiseres stelt dat zij erop mocht vertrouwen dat dit de juiste informatie was. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Standpunt verweerder</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Verweerder is het niet eens met de stelling dat verkeerde informatie is verstrekt. Het was wat ongelukkig geformuleerd. Verweerder stelt dat de terugbetalingstermijn ten onrechte is vastgesteld op zes weken, omdat binnen deze termijn de overgang naar het nieuwe belastingjaar 2024 is gelegen. Verweerder verwijst naar de bijlage en de toelichting bij het besluit van 19 december 2023 en stelt dat op basis van de toelichting hierin, het eiseres redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat bij betaling in 2024 zij het brutobedrag diende te betalen. Het is voor risico van eiseres dat zij die toelichting niet leest.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep van eiseres slaagt. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Niet in geschil is dat verweerder onjuiste informatie heeft verstrekt aan eiseres. Die onjuiste informatie heeft verweerder op prominente wijze op de eerste pagina van het primaire besluit van 19 december 2023 tot uiting gebracht met een vet gedrukte kop <emphasis role="bold">Zo kunt u betalen</emphasis>. Het ligt dan in de rede dat eiseres van die informatie redelijkerwijs mocht uitgaan. De stelling van verweerder dat in de bijlage bij het besluit een uitgebreide uitleg volgt over het verschil tussen de netto en bruto terugvordering kan, zonder nadere onderbouwing die ontbreekt, hem niet baten. Deze stelling neemt namelijk ten onrechte tot uitgangspunt de abstracte gedachte dat eiseres specifieke kennis bezit op dit gebied en daarom redelijkerwijs kon begrijpen dat de informatie over de betalingswijze wel onjuist moet zijn. Niet valt in te zien op grond waarvan eiseres dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.</para>
    <para />
    <para />
    <para>5. Nu eiseres, als burger, haar kennis over de geldende regels moet ontlenen aan de informatie die zij van verweerder daarover geeft, zal zij daarop mogen afgaan. Het is dan ook in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel om de fout die verweerder heeft gemaakt, voor rekening van eiseres te brengen. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- herroept het primaire besluit en voorziet zelf in de zaak in die zin dat verweerder afziet van terugvordering van de loonheffing groot € 620,67;</para>
    <para>- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,00 aan eiseres te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>