<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:2765</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-08T13:00:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-03-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HAA 23/1743</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:2765">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:2765</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-08T09:01:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:2765 Rechtbank Noord-Holland , 19-03-2024 / HAA 23/1743</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:2765:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>WOZ niet-ontvankelijk. Eiseres kan niet worden aangemerkt als (mede) belanghebbende</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:2765:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 23/1743 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A. Bakker),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de heffingsambtenaar van de gemeente Edam-Volendam </bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) met dagtekening 31 maart 2022 de waarde van de onroerende zaak [de woning] (hierna: de woning) voor het kalenderjaar 2022 vastgesteld op € 362.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerendezaakbelastingen 2022 bekend gemaakt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij brief van 4 maart 2024 heeft verweerder een herziene matrix en plattegronden iWOZ ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2024 te Haarlem. Van de zijde van eiseres is niemand verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] en [naam 2] (taxateur)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op de dag van de zitting, te weten op</para>
      <para>15 maart 2024 om 8:58 uur, via een digitaal bericht het volgende laten weten:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>‘Bij dezen meld ik mij ziek. Ik heb sinds gisterenavond weer last van hevige hoofdpijn. Excuses voor het ongemak! Wellicht kunnen zittingen worden verzet’</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De geplande aanvang van de eerste zaak op zitting was 9.30 uur. De rechtbank vermag niet</para>
      <para>in te zien waarom gemachtigde zich een half uur voor aanvang van de zitting</para>
      <para>heeft ziekgemeld, zonder nadere toelichting waarom het verzoek dusdanig laat is ingediend.</para>
      <para>Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat gemachtigde enige tijd nodig zou hebben</para>
      <para>gehad om naar de rechtbank te reizen, waardoor het voor hem mogelijk moet zijn geweest</para>
      <para>de rechtbank op een eerder moment te berichten van zijn afwezigheid. De behandelend</para>
      <para>rechter en griffier hebben eerst vlak voor aanvang van de zitting kennis kunnen nemen van</para>
      <para>het verzoek van gemachtigde. Gemachtigde van eiseres heeft zich voor minimaal de vijfde keer in een tijdsbestek van drie maanden wegens ziekte afgemeld. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding het onderzoek op een latere datum te laten plaatsvinden. In dit verband neemt de rechtbank ook in aanmerking dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift door verweerder op 30 maart 2022, een termijn van bijna twee jaar zou verstrijken. Ook om deze reden zou bij het aanhouden van het onderzoek ter zitting het belang van een behoorlijke procesorde - die afdoening van de zaak binnen een redelijke termijn omvat - ernstig in het gedrang komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van de goede</para>
      <para>procesorde zwaarder weegt dan het belang van (de gemachtigde van) eiseres om bij de</para>
      <para>behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn en ziet geen aanleiding het onderzoek te</para>
      <para>schorsen en op een latere datum te heropenen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <bridgehead role="underline">Feiten</bridgehead>
    <para>1. De woning is eigendom van [naam 3] . </para>
    <para />
    <para>2. Het primaire besluit is aan [naam 3] toegezonden. Op 30 maart 2022 heeft een medewerker van Eerlijke WOZ B.V., namens [naam 3] , bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. </para>
    <para />
    <para>3. Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft verweerder het bezwaar van                    [naam 3] ongegrond verklaard en de waarde van de woning gehandhaafd. </para>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <para>5. Bij e-mail berichten van 9 mei 2023 en 6 juni 2023 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres bericht dat hij in zijn beroepschrift voor [de woning] , stukken die betrekking hebben op [adres] heeft bijgevoegd en dat de gemachtigde in beroep de naam [eiseres] noemt, foto’s meestuurt die op de [adres] betrekking hebben en een machtiging van mevrouw [eiseres] heeft meegezonden. </para>
    <para />
    <para>6. Vervolgens heeft verweerder op 26 januari 2024, naar aanleiding van de kennisgeving van deze zitting, het volgende bericht: </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geachte heer/mevrouw,</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Van uw rechtbank hebben we een uitnodiging ontvangen voor een zitting voor de zaak          HAA 23 / 1743 WOZ V00. Deze zaak betreft het object [de woning] . In uw brief van 23 januari 2024 wordt vermeld 'het beroep van [eiseres] '. Dit is niet juist. Belanghebbende in dit beroep is de heer [naam 3] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">De heer [eiseres] is belanghebbende in de zaak HAA 23 / 1700 WOZ V00. Deze zaak betreft het object [adres] .</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Met vriendelijke groet,</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze brief is in afschrift doorgestuurd aan de gemachtigde van eiseres. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De gemachtigde van eiseres heeft op geen van de berichten van verweerder gereageerd.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Beoordeling van het geschil</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>8. In geschil is in de eerste plaats of het beroep ontvankelijk is. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, is aansluitend de WOZ-waarde op de waardepeildatum</para>
    <para>in geschil.</para>
    <para />
    <para>9. Op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.</para>
    <para />
    <para>10. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.</para>
    <para />
    <para>11. Artikel 26a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), luidt als volgt:</para>
    <para>“In afwijking van artikel 8:1,eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het beroep slechts worden ingesteld door:</para>
    <para>a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;</para>
    <para>b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of</para>
    <para>c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.</para>
    <para>2. Het beroep kan mede worden ingesteld door degene van wie inkomens- of vermogensbestanddelen zijn begrepen in het voorwerp van de belasting waarop de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking betrekking heeft.</para>
    <para>3. De inspecteur stelt de in het eerste of het tweede lid bedoelde belanghebbende desgevraagd op de hoogte van de gegevens met betrekking tot de belastingaanslag of de beschikking voor zover deze gegevens voor het instellen van beroep of het maken van bezwaar redelijkerwijs van belang kunnen worden geacht.”</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank overweegt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep als volgt. Tegen het primaire besluit, gericht aan [naam 3] , is namens                    [naam 3] bezwaar gemaakt door een medewerker van Eerlijke WOZ BV. De uitspraak op bezwaar is ten name gesteld van Eerlijke WOZ BV, de bezwaarmaker namens [naam 3] . De uitspraak op bezwaar is niet ten name van eiseres gesteld, maar eiseres heeft wel tegen die uitspraak beroep ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het bepaalde in de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb en artikel 26a, eerste lid, van de Awr, het beroep niet-ontvankelijk verklaard dient te worden voor zover het is gericht tegen voormelde uitspraak op bezwaar. Het primaire besluit is immers niet aan eiseres gericht en de uitspraak op bezwaar is evenmin gericht aan eiseres, zodat eiseres in beginsel geen beroep kan instellen. Niet gebleken is dat eiseres in onderhavige procedure kan worden aangemerkt als (mede) belanghebbende ten aanzien van de WOZ-waarde voor het object [de woning] . Eiseres kon geen beroep instellen tegen de in deze procedure bestreden uitspraak op bezwaar.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Slotsom </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van voormelde uitspraak op bezwaar. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van            N.E. Joacim, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Amsterdam waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Amsterdam vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>