<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:2161</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-10-02T16:01:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10790480 AO VERZ 23-143</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_arbeidsrecht">Civiel recht; Arbeidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>AR-Updates.nl 2024-0379</rdf:li>
          <rdf:li>VAAN-AR-Updates.nl 2024-0379</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:2161">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:2161</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-03-11T14:44:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-03-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:2161 Rechtbank Noord-Holland , 16-01-2024 / 10790480 AO VERZ 23-143</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:2161:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Mondelinge uitspraak. Het ontbindingsverzoek wordt afgewezen omdat het verzoek verband houdt met de ziekte van werknemer.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:2161:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./repnr.: 10790480 AO VERZ 23-143</para>
      <para>Uitspraakdatum: 16 januari 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staat der Nederlanden</emphasis>
      </para>
      <para>zetelend te Den Haag</para>
      <para>verzoekster</para>
      <para>verder te noemen: de Staat</para>
      <para>gemachtigde: mr. drs. Z. Wagenaar-Meijer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder]
        </emphasis>
      </para>
      <para>wonende [plaats]</para>
      <para>verweerder  </para>
      <para>verder te noemen: [verweerder]</para>
      <para>gemachtigde: mr. N. Wolters</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>1</nr>De gronden van de beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. De Staat verzoekt ontbinding op de e-grond, g-grond en i-grond. Omdat [verweerder] volgens de Staat ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, heeft [verweerder] geen recht op een transitievergoeding. Volgens de Staat heeft [verweerder] doelbewust zijn verlof onjuist geregistreerd en/of tijdens werktijd niet gewerkt. Ondanks twee eerdere disciplinaire maatregelen in januari 2023 en juli 2023 en de aan hem laatst geboden kans heeft hij opnieuw zijn verlof onjuist geregistreerd. [verweerder] heeft geen deugdelijke verklaring gegeven voor zijn gedrag/handelen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verweerder] verzoekt primair om het ontbindingsverzoek af te wijzen. [verweerder] betwist niet dat hij zijn verlof onjuist heeft geregistreerd maar betwist wel dat dit opzettelijk is gebeurd. Zijn handelen/gedrag houdt verband met zijn arbeidsongeschiktheid/medische achtergrond. Zijn stelling is dat zijn gedragingen niet verwijtbaar zijn. In 2020 heeft [verweerder] 2 beroertes/herseninfarcten gehad en daaraan heeft hij hersenletsel overgehouden. Na zijn beroerte is hij ook nog gescheiden en moest hij verhuizen. Begin 2022 is zijn vader plotseling overleden en moest zijn moeder naar een verpleeghuis. Subsidiair verzoekt [verweerder] om de transitievergoeding, een billijke vergoeding en pensioenschade aan hem toe te kennen. Zowel primair als subsidiair verzoekt [verweerder] om de werkelijke advocaatkosten.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hoe luidt de beslissing van de kantonrechter?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De kantonrechter zal zowel het verzoek van de Staat om ontbinding van de arbeidsovereenkomst als het verzoek van [verweerder] om de werkelijke advocaatkosten afwijzen. Deze beslissing wordt hieronder toegelicht. </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het verzoek houdt verband met het opzegverbod</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Een arbeidsovereenkomst kan niet worden ontbonden als het verzoek verband houdt met een opzegverbod, tenzij het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft, of er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] sinds 21 augustus 2023 ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. De kantonrechter stelt vast dat geen van de twee hiervoor genoemde uitzonderingen zich voordoet. Het opzegverbod staat gezien artikel 7:671b lid 6 BW in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek verband houdt met de ziekte van [verweerder]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.6.</nr>
      <para>
        [verweerder] is ruim 28 jaar in dienst bij de Staat. Het functioneren staat in deze zaak niet ter discussie. In 2020 heeft [verweerder] twee herseninfarcten gehad. Daaraan heeft [verweerder], gelet op de overgelegde medische informatie (in ieder geval producties 1, 2, 3 en 4 bij het verweerschrift en de aanvullende producties 13 en 15), hersenletsel over gehouden. Uit deze informatie blijkt niet expliciet dat er geen verband bestaat tussen de verweten gedragingen en de hersenschade. Evenmin blijkt expliciet uit deze informatie dat er wél een verband bestaat. De beoordeling of de verweten gedragingen [verweerder] al dan niet kunnen worden verweten is een forensische beoordeling die niet door de bedrijfsarts is beantwoord en ook niet beantwoord kan worden. Daarom doet het argument van de Staat dat zij mocht afgaan op het oordeel van de bedrijfsarts dat [verweerder] geschikt was om zijn arbeid te verrichten in dit opzicht niet ter zake.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.7.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de kantonrechter is uit de medische informatie voldoende duidelijk geworden dat [verweerder] kampt met ernstige beperkingen en dat niet uitgesloten kan worden dat die een rol hebben gespeeld bij de aan hem verweten gedragingen die nu ten grondslag liggen aan het ontbindingsverzoek. De opstelling en de opvatting van de Staat, die samengevat inhouden dat de gedragingen van [verweerder] geen verband houden met het hersenletsel en dat [verweerder] bewust niet integer heeft gehandeld en/of gefraudeerd, hebben naar het oordeel van de kantonrechter bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid van [verweerder]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.8.</nr>
      <para>Het voorgaande betekent dat de ontbinding verband houdt met de arbeidsongeschiktheid. Omdat niet gesteld of gebleken is dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst in het belang van [verweerder] is, zal het verzoek worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.9.</nr>
      <para>De kantonrechter zal zich niet expliciet uitlaten over het verzoek van [verweerder] om [verweerder] over te plaatsen naar Rotterdam of Utrecht, maar zij gaat er wel vanuit dat de Staat als goed werkgever met [verweerder] (en eventueel zijn gemachtigde) hierover in gesprek zal gaan. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Werkelijke advocaatkosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.10.</nr>
      <para>Er bestaat geen aanleiding om het verzoek van [verweerder] tot vergoeding van de werkelijke proceskosten toe te wijzen. Een volledige vergoedingsplicht voor proceskosten is denkbaar, maar alleen in buitengewone omstandigheden, bij misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.11.</nr>
      <para>Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de belangen van [verweerder] achterwege had behoren te blijven. Er is in de voorliggende zaak geen sprake van een situatie waarin de Staat haar verzoek baseert op feiten en omstandigheden waarvan zij de evidente onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.12.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van de Staat, omdat zij ongelijk krijgt. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De beslissing	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek af;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>veroordeelt de Staat tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor [verweerder] worden vastgesteld op een bedrag van € 793,00 aan salaris van de gemachtigde van [verweerder];</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.</para>
        <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Aardenburg en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>