<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:1731</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-27T13:54:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-02-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HAA 22/1571</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_omgevingsrecht">Bestuursrecht; Omgevingsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:1731">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:1731</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-27T13:53:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:1731 Rechtbank Noord-Holland , 13-02-2024 / HAA 22/1571</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:1731:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder heeft op 17 juni 2021 een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en wijzigen van de bestemming van een café/restaurant in Midwoud in zeven appartementen. In beroep heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gewaarborgd dat blijvend in voldoende parkeerplaatsen is voorzien. Het door vergunninghouder gehuurde naburige parkeerterrein maakt geen onderdeel uit van de vergunning. Ook is de huurovereenkomst voor bepaalde tijd voor het parkeerterrein naar de aard en inhoud onvoldoende waarborg voor de blijvende beschikbaarheid van de parkeerplaatsen. Het door verweerder opgenomen voorschrift in de vergunning over het parkeerterrein maakt dit niet anders omdat dat nog steeds onvoldoende waarborg biedt. Verder kan de rechtbank eiseres volgen dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft niet bij de beoordeling betrokken dat voor de richtafstanden tot een milieu gevoelige bestemming moet worden uitgegaan van de maximale toegestane vergunning vrije bouwwerken op het perceel. Ook heeft verweerder de loods op Buurt 21a niet meegenomen bij de beoordeling, terwijl die dichter bij de appartementen ligt dan het bedrijf op Buurt 27. Hierdoor is de werkelijke afstand kleiner dan waar verweerder vanuit ging. Deze aspecten moet verweerder betrekken in een nieuw te nemen besluit. Het beroep is gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:1731:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: HAA 22/1571 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 februari 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [plaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Lubach),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van gemeente Medemblik </title>
    <para>(gemachtigde: mr. K. van der Wal),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als derde-partij neemt aan de zaak deel: <emphasis role="bold">AGM Vastgoed B.V.</emphasis> uit Alphen aan den Rijn, vergunninghouder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de omgevingsvergunning voor het verbouwen en wijzigen van de bestemming van een café/restaurant aan de [adres 1] in [plaats] in zeven appartementen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Verweerder heeft deze vergunning met het besluit van 17 juni 2021 verleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Met het besluit van 15 februari 2022 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Hier heeft eiseres beroep tegen ingesteld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Op 14 juli 2022 heeft verweerder het besluit van 15 februari 2022 ingetrokken en opnieuw op het bezwaar van eiseres beslist en dat (weer) ongegrond verklaard. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 14 december 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van verweerder en namens vergunninghouder waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wettelijk kader</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3.	De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Op 22 januari 2021 heeft vergunninghouder een aanvraag ingediend voor het verbouwen en wijzigingen van de bestemming van café/restaurant tot zeven appartementen op het perceel [adres 1] in [plaats] (het perceel). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Op het perceel is het bestemmingsplan “Dorpskern I” (het bestemmingsplan) van toepassing met de bestemming ‘Horeca’, de aanduiding ‘Bedrijfswoningen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’. Daarnaast is op het perceel het bestemmingsplan “Parapluplan Parkeren Medemblik” (Parapluplan Parkeren) van toepassing. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Eiseres woont op het adres [adres 2] dat hemelsbreed ongeveer 55 meter van het perceel ligt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Op 17 juni 2021 heeft verweerder de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten ‘bouwen’ en ‘gebruiken van het perceel in strijd met het bestemmingsplan’.<footnote-ref linkend="_4c953752-fd92-4be7-9af4-cbe5e3a39be8" /> Hier heeft eiseres bezwaar tegen gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>De adviescommissie bezwaarschriften (commissie) overweegt in het advies van 18 november 2021 dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 12.1 van het bestemmingsplan omdat de geldende bestemming ‘Horeca’ is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening bij een afwijkingsvergunning voldoet de aanvraag vervolgens niet aan artikel 4.1 van het Parapluplan Parkeren omdat verweerder niet heeft voorzien in blijvend voldoende parkeerplaatsen. Verweerder wilde dit gebrek ondervangen door een voorschrift op te nemen in de vergunning over de beschikbaarheid van het door vergunninghouder gehuurde parkeerterrein bij [adres 3] . Omdat een huurovereenkomst onvoldoende waarborgen biedt, heeft verweerder ook met het voorschrift niet voldaan aan artikel 4.1 van het Parapluplan Parkeren. De commissie adviseert verweerder daarom om het bezwaar gegrond te verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Verweerder heeft vervolgens in het besluit van 15 februari 2022 in afwijking van het advies van de commissie het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard<emphasis role="italic">.</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>In het bestreden besluit heeft verweerder het besluit van 15 februari 2022 ingetrokken en de bezwaren van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt of verweerder de omgevingsvergunning op goede gronden heeft verleend. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Het beroep is gegrond<emphasis role="italic">.</emphasis> Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Strijd met de goede procesorde?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Ter zitting heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen verweerschrift in het procesdossier zat. Naar aanleiding hiervan gaf verweerder aan dat er wel een verweerschrift was opgemaakt en hij in de veronderstelling was dat deze aan het dossier was toegevoegd. Ter zitting heeft verweerder het verweerschrift met bijlagen overgelegd. Ook heeft verweerder het verweer mondeling toegelicht. Omdat de bijbehorende bijlagen voor het eerst ter zitting zijn overgelegd, heeft eiseres een beroep gedaan op de goede procesorde en de rechtbank gevraagd deze stukken niet bij haar oordeel te betrekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>De rechtbank neemt de bijlagen bij het ter zitting toegelichte verweer niet mee in haar beoordeling vanwege strijd met de goede procesorde. Omdat die stukken pas ter zitting door verweerder zijn ingebracht, hebben de andere partijen en de rechtbank zich hierop niet adequaat kunnen voorbereiden. Gelet op de overwegingen in het vervolg van deze uitspraak vormt het vorenstaande geen aanleiding om het onderzoek te heropenen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Benodigde parkeerplaatsen voldoende gewaarborgd?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gewaarborgd dat blijvend in voldoende parkeerplaatsen is voorzien. De aanvraag voldoet namelijk niet aan het Parapluplan Parkeren Medemblik en de Nota Parkeernormen Gemeente Medemblik (Parkeernota). Ten eerste wordt niet voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Het terrein van [adres 3] wordt immers gehuurd. Vergunninghouder is afhankelijk van een huurovereenkomst en de tijdelijke mogelijkheid voor parkeerplaatsen. Ten tweede kunnen er op het gehuurde terrein slechts zeven parkeerplaatsen worden gerealiseerd, terwijl er tien parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Hiervoor had verweerder nadere voorwaarden moeten stellen. Ten derde heeft verweerder het verschil tussen zeven en tien parkeerplaatsen niet goed gemotiveerd. Ook betoogt eiseres dat verweerder onvoldoende gemotiveerd heeft dat de parkeerdruk zal verminderen. In [straat] in [plaats] is een parkeerprobleem. Het café/restaurant had niet de 19,4 eerder voorgeschreven parkeerplaatsen beschikbaar. Er kwamen voornamelijk fietsers en er werd nauwelijks auto’s geparkeerd, waardoor nauwelijks sprake was van parkeerdruk. Wonen is een ander gebruik dan Horeca, dus zal de parkeerdruk gezien de feitelijke huidige situatie wel toenemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft ter zitting gesteld dat het plan niet in strijd is met paragraaf 4.6 van de Parkeernota. Weliswaar is niet in geschil dat de planlocatie in het buitengebied (‘gelegen buiten de bebouwde kom’) ligt, maar omdat het een dorpskern betreft (‘bestaand bebouwd gebied’), zijn er openbare parkeerplaatsen in [straat] en is er geen sprake van gevaarlijke situaties. Ook is het plan niet in strijd met paragraaf 4.8 van de Parkeernota. Voor woningbouw is een uitzondering gemaakt waardoor parkeren niet binnen de grenzen van het eigen terrein opgelost moet worden. Verder betwist verweerder niet dat de huurovereenkomst voor het parkeerterrein met onvoldoende waarborgen is omkleed. Om dit te ondervangen, heeft verweerder het parkeervoorschrift in de omgevingsvergunning gewijzigd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2022<footnote-ref linkend="_4288586c-dc1b-40cf-b53d-ea78ea6432bc" /> concludeert verweerder dat op deze manier het gebruik van de parkeerplaatsen wel voldoende is gewaarborgd. Tot slot stelt verweerder dat de parkeerbehoefte van tien parkeerplaatsen juist is berekend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank slaagt het betoog van eiseres. Verweerder heeft onvoldoende gewaarborgd dat er blijvend voldoende parkeerplekken beschikbaar zijn om in de parkeerbehoefte te voorzien. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>7.3.1.</nr>
        <para>Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk geworden dat de te realiseren huurappartementen in de categorie goedkoop/midden vallen en dat [straat] op grond van de Parkeernota in het buitengebied ligt. Volgens Bijlage II bij de Parkeernota geldt voor de categorie ‘huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)’ in het buitengebied een parkeernorm van 1,4 per eenheid (appartement). Voor 7 eenheden geldt dus een parkeerbehoefte van 9,8, afgerond 10, parkeerplaatsen. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>7.3.3.</nr>
        <para>Vast staat dat de huurovereenkomst voor het parkeerterrein naar de aard en inhoud op zichzelf gezien onvoldoende waarborg is voor blijvende beschikbaarheid van de parkeerplaatsen. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat het door hem gewijzigde voorschrift over het parkeerterrein wel voldoende waarborg biedt. Vergunninghouder kan het voorschrift namelijk alleen naleven als de eigenaar van het parkeerterrein daaraan medewerking verleent en de grond blijft verhuren aan vergunninghouder of aan vergunninghouder verkoopt. De eigenaar kan daar echter niet toe gedwongen worden. Dat woningen in de Parkeernota zijn uitgezonderd van de randvoorwaarde dat parkeren binnen de grenzen van het eigen terrein opgelost moet worden, doet aan het voorgaande niet af omdat er dan nog steeds voldoende waarborgen moeten zijn dat er blijvend in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Deze beroepsgrond slaagt.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="italic">Ten aanzien van de overige beroepsgronden </emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>
            <emphasis role="underline">Bestemming parkeerterrein</emphasis>
          </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Op het parkeerterrein geldt de bestemming ‘Bedrijf”. In artikel 5.1 van het bestemmingsplan is bepaald dat de voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden bestemd zijn voor bedrijfsgebouwen, met daaraan ondergeschikt ‘wegen en paden’ (onder e) en met de daarbij behorende ‘parkeervoorzieningen’ (onder i). Verweerder betwist niet dat het gebruik van het parkeerterrein voor woningen op het naburige perceel is in strijd is met het bestemmingplan. Het standpunt van verweerder dat deze strijdigheid met gebruik van de kruimelgevallenregeling wordt opgeheven, in onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. In het bestreden besluit is immers niet opgenomen dat van artikel 5.1 van de planregels wordt afgeweken met toepassing van de zogeheten kruimelregeling. Daarnaast geldt dat het onderdeel ‘en van de bij die bouwwerken aansluitend terrein' van artikel 4, negende lid, van bijlage II van het Bor ziet op een aansluitend terrein bij een bij de bestemming horend bouwwerk. Gebruik van het parkeerterrein als aansluitend terrein voor woningen is met dit artikelonderdeel uitsluitend mogelijk indien het bouwwerk op de bestemming, de bedrijfsloods, zou worden gewijzigd in ‘Wonen’. Daar is geen sprake van. De voorliggende omgevingsvergunning voor afwijkend gebruik van het naburige perceel van ‘Horeca’ naar ‘Wonen’ maakt dit niet anders omdat het parkeerterrein niet onderdeel is van het perceel.</para>
        <para>Ook deze beroepsgrond slaagt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Richtafstanden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>Bij de beoordeling of sprake is van een goede ruimtelijke ordening speelt de richtafstand tot een milieugevoelige bestemming een rol. Richtafstanden gelden om hinder van milieufactoren (bijvoorbeeld geur, stof, geluid en gevaar) uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Indicatieve aanvaardbare richtafstanden zijn opgenomen in de VNG-brochure ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ (VNG-brochure). De richtafstanden gelden tussen enerzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het geldende bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Het uitgangspunt is dat de richtafstanden uit de VNG-brochure gemotiveerd kunnen worden toegepast. Ook kan van die richtafstanden gemotiveerd worden afgeweken.<footnote-ref linkend="_32f93876-f614-4eb0-a8f6-a470b490b88a" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>In de ruimtelijke onderbouwing bij de voorliggende aanvraag wordt gesteld dat in een ‘gemengd gebied’ kan worden gewerkt met een verkleinde richtafstand. De omgeving van het perceel wordt aangemerkt als ‘gemengd gebied’ omdat in de directe omgeving meerdere (agrarische) bedrijfs- en woonfuncties naast elkaar bestaan. Dit kan de rechtbank volgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.3.</nr>
      <para>Verder is in de ruimtelijke onderbouwing opgenomen dat op grond van het bestemmingsplan op [adres 5] een bedrijf is toegestaan tot en met milieucategorie 2. Daarvoor geldt op grond van de VNG-brochure in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Aan die richtafstand wordt op de locatie van de vergunde woningen niet voldaan omdat het perceel direct grenst aan [adres 5] . Ook is opgenomen dat op basis van het geldende bestemmingsplan al een bedrijfswoning in het bestaande gebouw op het perceel is toegestaan, zodat het bouwproject er niet toe leidt dat deze bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Wel dient in het kader van de goede ruimtelijke ordening het woon- en leefklimaat van toekomstige woningen te worden beoordeeld. Dezelfde redenering geldt voor het bedrijf gevestigd op [adres 4] , met in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter voor de daar toegestane bedrijven tot en met milieucategorie 3.1.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.4.</nr>
      <para>Eisers hebben aan de orde gesteld dat verweerder er ten onrechte van uit gaat dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Verweerder heeft niet bij de beoordeling betrokken dat moet worden uitgegaan van de maximale toegestane vergunningvrije bouwwerken op het perceel.<footnote-ref linkend="_a8d4518d-e31c-45e4-ba6d-a6c3cb2109ed" /> Dan wordt de werkelijke afstand tussen het bedrijf en de dichtstbijzijnde gevel nog kleiner. Ter zitting hebben eisers aangevuld dat verweerder de loods van eisers op [adres 5] in het bestreden besluit niet heeft meegenomen bij de beoordeling. De loods ligt dichter bij de appartementen dan het bedrijf op [adres 4] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.5.</nr>
      <para>Dit kan de rechtbank volgen. Verweerder zal bij een nieuw te nemen besluit alsnog in het kader van de goede ruimtelijke ordening rekening dienen te houden met de maximale toegestane vergunningvrije bouwwerken op het perceel. Ook zal verweerder de loods op [adres 5] expliciet in die beoordeling moeten betrekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>10. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen (een zogenoemde bestuurlijke lus)<footnote-ref linkend="_b6cad53c-5d16-4601-a8c3-fd6dfc511eed" /> of om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank ziet tot slot aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor een bedrag van € 1750,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 875,- en wegingsfactor 1). Ook veroordeelt de rechtbank verweerder in het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,-.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de beslissing op bezwaar van 15 februari 2022;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers van € 1750,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in het griffierecht van eisers van € 184,-. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. van Keken, rechter, in aanwezigheid van mr. I.A. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>BIJLAGE</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 2.1, eerste lid, onder a en c:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:</para>
    <parablock>
      <para>a. het bouwen van een bouwwerk,</para>
      <para>c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, […].</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚:</emphasis>
        <?linebreak?>1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:</para>
    </parablock>
    <para>a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:</para>
    <para>2˚. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, […].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Besluit omgevingsrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 4, aanhef en negende lid, van bijlage II:</emphasis>
      </para>
      <para>Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2˚, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:</para>
    </parablock>
    <para>9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Bestemmingsplan Dorpskern I</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 5.1 Bestemmingsomschrijving:</emphasis>
      </para>
      <para>De voor ‘<emphasis role="underline">Bedrijf</emphasis>’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:</para>
    </parablock>
    <para>a. bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in <emphasis role="underline">Bijlage 1</emphasis> onder de:</para>
    <parablock>
      <para>1. milieucategorieën 1 en 2;</para>
      <para>2. milieucategorieën 1, 2 en 3.1 ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.1’;</para>
      <para>3. milieucategorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3.2’;</para>
      <para>4. een transportbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'transportbedrijf';</para>
      <para>met uitzondering van:</para>
      <para>1. geluidzoneringsplichtige inrichtingen;</para>
      <para>2. risicovolle inrichtingen;</para>
      <para>al dan niet in combinatie met:</para>
      <para>1. productiegebonden detailhandel, met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen;</para>
      <para>2. een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg’;</para>
      <para>3. een kantoor, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'kantoor';</para>
      <para>4. opslag en uitstalling, met dien verstande dat opslag niet is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'opslag uitgesloten';</para>
      <para>5. detailhandel, niet zijnde perifere detailhandel, grootschalige detailhandel en/of supermarkten, ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel';</para>
      <para>6. detailhandel in meubelen en woninginrichtingsartikelen, ter plaatse van de aanduiding "detailhandel perifeer";</para>
    </parablock>
    <para>nutsvoorzieningen, ter plaatse van de aanduiding 'nutsvoorziening';</para>
    <bridgehead role="italic">met daaraan ondergeschikt:</bridgehead>
    <parablock>
      <para> kleinschalige duurzame energiewinning;</para>
      <para> nutsvoorzieningen;</para>
      <para> wegen en paden;</para>
      <para> water;</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="italic">met de daarbij behorende:</bridgehead>
    <parablock>
      <para> bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten, waarbij bij bedrijfswoningen die gebouwd zijn in de vorm van een stolp, ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - stolp", wordt gestreefd naar het behoud en het herstel van de bestaande hoofdvormen van de stolpen;</para>
      <para> andere bouwwerken;</para>
      <para> parkeervoorzieningen;</para>
      <para> tuinen, erven en verhardingen;</para>
      <para> groenvoorzieningen;</para>
    </parablock>
    <para>alsmede voor:</para>
    <para>de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ aangegeven bebouwing en zoals geregeld in lid <emphasis role="underline">34.3</emphasis>.</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 12.1 Bestemmingsomschrijving:</emphasis>
      </para>
      <para>De voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:</para>
    </parablock>
    <para>a. bedrijfsgebouwen en overkappingen ten behoeve van:</para>
    <parablock>
      <para>1. horecabedrijven van categorie 1;</para>
      <para>2. horecabedrijven van categorie 2;</para>
      <para>met daaraan ondergeschikt:</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para> kleinschalige duurzame energiewinning;</para>
      <para> nutsvoorzieningen;</para>
      <para> wegen en paden;</para>
      <para> water;</para>
    </parablock>
    <para>met de daarbij behorende:</para>
    <parablock>
      <para> bedrijfswoningen en bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten;</para>
      <para> terrassen;</para>
      <para> parkeervoorzieningen;</para>
      <para> tuinen, erven en verhardingen;</para>
      <para> groenvoorzieningen;</para>
      <para> andere bouwwerken.</para>
    </parablock>
    <para>alsmede voor:</para>
    <para>de instandhouding en bescherming van de ter plaatse van de aanduiding ‘karakteristiek’ aangegeven bebouwing en zoals geregeld in lid 34.3.</para>
    <bridgehead role="underline">Parapluplan Parkeren</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 4.1 Voldoende parkeergelegenheid:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>1. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden – al dan niet gecombineerd -, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;</para>
    <para>2. Bij een omgevingsvergunning dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met het bestemmingsplan wordt aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels (die zijn neergelegd in de Nota Parkeernormen van 6 maart 2014, dan wel een opvolger daarvan) bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;</para>
    <para>3. Bij een omgevingsvergunning kan hiervan worden afgeweken en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Nota Parkeernormen gemeente Medemblik 2021</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengebied:</emphasis>
        </para>
        <para>In het gebied buiten de bebouwde kom dienen de parkeerplaatsen allemaal op eigen terrein te worden aangelegd. Parkeren kan in het buitengebied namelijk gevaarlijke situaties voor de weggebruikers opleveren. Er zijn over het algemeen daar geen openbare parkeerplaatsen aanwezig. Buurtschappen worden aangemerkt als zijnde gelegen buiten de bebouwde kom.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Parkeren, uitgezonderd woningbouw, die op het eigen terrein plaats te vinden:</emphasis>
        </para>
        <para>Harde randvoorwaarde is dat het parkeren binnen de grenzen van het eigen terrein opgelost moet worden.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De parkeerbehoefte kan niet worden opgelost op een buurkavel omdat hiermee geen garantie kan worden gegeven dat deze parkeerplaatsen ook in de toekomst beschikbaar blijven.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_4c953752-fd92-4be7-9af4-cbe5e3a39be8" label="1">
    <para> Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang met artikel 2.10 en artikel 2.12 van de Wabo en artikel 4, eerste en negende lid, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4288586c-dc1b-40cf-b53d-ea78ea6432bc" label="2">
    <para> De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2690.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_32f93876-f614-4eb0-a8f6-a470b490b88a" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1173.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8d4518d-e31c-45e4-ba6d-a6c3cb2109ed" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2146.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6cad53c-5d16-4601-a8c3-fd6dfc511eed" label="5">
    <para> Met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>