<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:1581</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-16T14:12:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/345421 HA RK 23/138</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verschoning">Verschoning</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:1581">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:1581</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-02-16T14:07:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-02-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:1581 Rechtbank Noord-Holland , 31-01-2024 / C/15/345421 HA RK 23/138</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:1581:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verschoningskamer, verzoek toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:1581:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank noord-holland</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verschoningskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: C/15/345421 HA RK 23-138  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 3 november 2023 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op het verzoek tot verschoning ingediend door: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. D.H.W. Melgers</emphasis>, hierna te noemen de belastingrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De belastingrechter heeft bij e-mailbericht van 30 oktober 2023, desgevraagd aangevuld bij e-mailbericht van 31 oktober 2023, verzocht zich te mogen verschonen in de bij deze rechtbank, team Belastingrecht, aanhangige beroepszaken met als zaaknummers HAA 20/3028 en HAA 20/5094, hierna te noemen: de hoofdzaken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Een rechter kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt hierbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (de subjectieve toets). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor verschoning, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaken de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (de objectieve toets).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De belastingrechter heeft ter onderbouwing van het verzoek, samengevat, het volgende aangevoerd. De hoofdzaken betreffen  aanslagen overdrachtsbelasting opgelegd aan twee gelieerde vennootschappen. De belastingrechter heeft als (waarnemend) notaris in 2017 werkzaamheden verricht voor – onder meer – enkele andere vennootschappen. Twee personen zijn bestuurders/aandeelhouders van zowel de vennootschappen in de thans aanhangige belastingzaken als van de andere vennootschappen. Bij de afwikkeling van zijn werkzaamheden als (waarnemend) notaris is de belastingrechter betrokken in een rechtsgeschil met de andere vennootschappen waarbij deze twee bestuurders/aandeelhouders (indirect) partij zijn. De twee bestuurders/aandeelhouders van de vennootschappen die partij zijn in de hoofdzaken, waren derhalve, als bestuurders, eerst (materieel) cliënten van de belastingrechter toen hij als (waarnemend) notaris werkte én zijn op dit moment wederpartijen in een nog lopend rechtsgeschil waarin de belastingrechter in zijn oude hoedanigheid van notaris partij is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <parablock>
        <para>In het licht van het in 2.1 weergegeven uitgangspunt dient beoordeeld te worden of de door de belastingrechter aangevoerde argumenten voldoende grond bieden voor toewijzing van het verzoek tot verschoning. </para>
        <para>Dat is het geval. Onder verwijzing naar aanbeveling 15 van de Leidraad onpartijdigheid en nevenfuncties in de rechtspraak van januari 2014 van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak overweegt de verschoningskamer dat hetgeen de belastingrechter aan zijn verzoek tot verschoning ten grondslag heeft gelegd, in dit geval kan leiden tot de bij (één van) de partijen bestaande objectief gerechtvaardigde vrees voor schade aan de rechterlijke onpartijdigheid. Een van de (materiële) partijen in de hoofdzaak was immers cliënt in de vorige werkkring van de belastingrechter en over de afwikkeling van die zakelijke relatie is nog een geschil aanhangig.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve een grond voor verschoning. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.   </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>wijst het verzoek van de belastingrechter tot verschoning toe;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>bepaalt dat de hoofdzaken verder zullen worden behandeld door een andere belastingrechter en beveelt dat die zaken daartoe in handen worden gesteld van de voorzitter van het team Belastingrecht; en</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>beveelt de griffier onverwijld aan de belastingrechter en de partijen in de hoofdzaken een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. drs. C.M. van Wechem en mr. M.M. Kruithof, leden van de verschoningskamer, in tegenwoordigheid van E. Hoekman, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2023.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier 					voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>