<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:14210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-02T12:43:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-11-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 23 _ 7585</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:14210">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:14210</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-05-02T12:43:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-05-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:14210 Rechtbank Noord-Holland , 28-11-2024 / AWB - 23 _ 7585</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:14210:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>intrekking en terugvordering bijstand</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:14210:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: HAA 23/7585 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de meervoudige kamer van 28 november 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Raaijmakers),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer</emphasis>, verweerder </para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.E. van Dijk).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Met besluiten van 1 maart 2023 heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (PW) over de periode van 17 november 2016 tot en met 30 juni 2022 ingetrokken en beëindigd per 1 maart 2023 en de te veel betaalde bijstand, zijnde een bedrag van € 82.113,77, van eiseres teruggevorderd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 21 november 2023 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij deze besluiten gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Tevens was aanwezig [naam] (toezichthouder/sociaal rechercheur).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Totstandkoming van het besluit</title>
    <para />
    <para>2. Eiseres ontving van 17 november 2016 tot en met 30 juni 2022 bijstand van verweerder. Eiseres heeft op 29 juni 2022 verweerder verzocht de bijstand te stoppen, omdat zij werk had gevonden.</para>
    <para />
    <para>3. Naar aanleiding van vermoedens dat eiseres vermogen in Egypte zou hebben is een onderzoek gestart, dat is uitgevoerd door [naam] (toezichthouder). <?linebreak?>In het rapport van 4 april 2023 zijn de bevindingen van dit en eigen uitgevoerd onderzoek neergelegd. Daaruit komt (samengevat) het volgende naar voren. In het kader van het onderzoek is op 14 maart 2022 het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) verzocht een vermogensonderzoek in te stellen in Egypte. Het IBF heeft een onderzoek ingesteld dat is uitgevoerd door een vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon heeft in het “Civil Register” informatie over eiseres aangetroffen, waaronder een “residential address”, namelijk [adres] . Dit adres betreft een appartementencomplex van zes etages, waarin twaalf appartementen zijn gevestigd. De heer [vader] , vader van eiseres, was eigenaar van dit gebouw. Na zijn overlijden op 17 oktober 2009 hebben zijn vrouw en kinderen als enigen recht op zijn erfenis. Dat blijkt volgens het IBF uit het originele uittreksel over de nalatenschap van de “Public Notary of Egypt”. Daarbij is vermeld dat de kennisgeving van nalatenschap een authentiek origineel uittreksel is, dat is ondertekend en gestempeld met het originele staatsstempel van Egypte, hetgeen inhoudt dat dit een onbetwistbaar document is in de rechtbank. Op basis van een inzage in het “Civil Register” heeft het IBF geconstateerd dat de heer [vader] naast eiseres nog vier kinderen had. </para>
    <para />
    <para>4. Volgens de onderzoeker van het IBF zijn de eerste, tweede en derde verdieping van het appartementencomplex verhuurd en ontvangen de erfgenamen van de heer [vader] daaruit inkomsten. De bovenste drie verdiepingen zijn volgens de onderzoeker voor de kinderen van de heer [vader] .  </para>
    <para />
    <para>5. Er is bij het genoemde adres ook veldonderzoek gedaan, waarbij gesproken is met buren die vertelden dat het gehele gebouw eigendom is van eiseres en haar broers en zussen nadat hun vader was gestorven. De zus van eiseres heeft in het gebouw een metalen hek laten zien dat de vijfde en zesde verdieping van het gebouw afsluit. Deze verdiepingen zouden van eiseres en een broer zijn. De eerste, tweede en derde verdieping van het gebouw worden door de eigenaren verhuurd. </para>
    <para />
    <para>6. Volgens een vastgoedmakelaar, die door het IBF is verzocht een schatting van de waarde te maken, is één appartement tussen 850.000 en 1.000.000 Egyptische pond waard (op basis van de wisselkoers ten tijde van het onderzoek, 22 september 2022, omgerekend tussen € 44.302,00 en € 52.120,00).</para>
    <para />
    <para>7. De kennisgeving van nalatenschap van dr. [oom] (de oom van eiseres), die op 28 mei 2007 is overleden, vermeldt dat de vader van eiseres mede-erfgenaam was van zijn broer. Eiseres en haar broers en zussen hebben hun deel van de erfenis van hun oom gekregen nadat hun vader was overleden. Deze erfenis bestond uit een stuk grond, dat volgens notariële documenten door eiseres en de overige erfgenamen op 7 oktober 2012 verkocht is voor 13 miljoen Egyptische ponden. </para>
    <para />
    <para>8. Daarnaast heeft eiseres volgens het IBF blijkens een creditscore rapport op 15 mei 2017 een krediet/lening van 993.824 Egyptische ponden verkregen en heeft zij hiermee een onroerend goed gekocht. Uit het creditscore rapport blijkt volgens het IBF dat eiseres de lening heeft afbetaald. </para>
    <para />
    <para>9. Verweerder heeft eiseres tweemaal uitgenodigd voor een gesprek, maar eiseres is niet verschenen. </para>
    <para />
    <para>10. Bij de sociale recherche heeft eiseres op 18 juli 2023 – kort samengevat – verklaard dat zij geen weet heeft van een of meerdere gebouwen in Cairo waarvan zij mede-eigenaar zou zijn. Verder heeft zij ontkend dat zij in 2017 een lening zou hebben gekregen waarmee onroerend goed zou zijn aangekocht.</para>
    <para />
    <para>11. Verweerder heeft op basis van de resultaten van het onderzoek de primaire besluiten genomen en deze in het bestreden besluit gehandhaafd. <?linebreak?></para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt eiseres </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Eiseres voert aan dat ze alle verzochte en benodigde informatie heeft verstrekt. Eiseres voert voorts aan dat zij geen vermogen in het buitenland heeft en dat zij niet over (verzwegen) vermogen kan beschikken. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat in het dossier stukken in het Arabisch gesteld zijn, maar een beëdigde vertaling van die stukken ontbreekt zodat er geen kennis van kan worden genomen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt verweerder </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eiseres in ieder geval beschikt over één appartement dat een waarde vertegenwoordigt tussen € 44.302,00 en € 52.120,00. Daarnaast kan zij samen met haar broers nog beschikken over een ander gebouw in Cairo. Zij heeft dat niet gemeld aan verweerder en heeft daardoor haar inlichtingenplicht geschonden. Met betrekking tot het ontbreken van vertalingen van de Arabische stukken heeft verweerder ter zitting toegelicht dat deze vertalingen wel aanwezig zijn, maar verzuimd is deze aan het dossier toe te voegen.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14. Met betrekking tot het ontbreken van beëdigde vertalingen van de Arabische stukken in het dossier overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier volgt dat de stukken van het IBF, waaronder deze stukken, door verweerder bij brief van 11 oktober 2023 aan de gemachtigde van eiseres zijn gezonden. Eerst ter zitting is aangevoerd dat een beëdigde vertaling daarvan in het dossier ontbreekt. Ter zitting heeft [naam] verklaard dat hij bij het opstellen van zijn rapport gebruik heeft gemaakt van de beëdigde vertalingen van de in het Arabisch gestelde stukken. De rechtbank heeft geen aanleiding hieraan te twijfelen. In het rapport van 4 april 2023 heeft [naam] de resultaten van het onderzoek zoals dat door het IBF is uitgevoerd weergegeven. Eiseres heeft van deze stukken een jaar geleden al kennis kunnen nemen. Gesteld noch gebleken is dat zij in haar verdediging is geschaad doordat de beëdigde vertalingen in het dossier ontbraken. De rechtbank merkt op dat eiseres dit ook in de bezwaarprocedure, waarin zij werd bijgestaan door haar gemachtigde, had kunnen aanvoeren, dan wel tijdig in deze beroepsprocedure. Het eerst ter zitting aanvoeren van deze grond is in strijd met een goede procesorde en slaagt daarom niet. </para>
    <para />
    <para>15. Het besluit tot intrekking van de bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.</para>
    <para />
    <para>16. Verweerder heeft zich gebaseerd op de resultaten van het onderzoek, uitgevoerd door het IBF. In het rapport van [naam] zijn de bevindingen van het IBF weergegeven. Uit het onderzoek, meer in het bijzonder de daarin aangehaalde notariële documenten, is naar voren gekomen dat eiseres met haar broers en zussen en haar moeder, als erfgenamen van haar vader, eigenaar zijn geworden van het appartementencomplex. </para>
    <para />
    <para>17. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de notariële documenten en daarmee aan de resultaten uit het onderzoek. Daaruit volgt dat verweerder voldoende aannemelijk gemaakt heeft dat eiseres sinds 2009, dus voordat zij bijstand ging ontvangen, mede-eigenaar is van een appartementencomplex. </para>
    <para />
    <para>18. Eiseres heeft uitsluitend gesteld dat zij geen vermogen of onroerend goed bezit, maar zij heeft voor haar standpunt dat zij – in weerwil van wat in de officiële (notariële) documenten daarover staat – geen mede-eigenaar is van het appartementencomplex in het geheel geen onderbouwing gegeven. De enkele ontkenning is gelet op de resultaten van het IBF-onderzoek volstrekt onvoldoende. </para>
    <para />
    <para>19. Niet in geschil is dat eiseres dit niet bij haar aanvraag om bijstand of later heeft gemeld aan verweerder. Daarmee heeft zij niet voldaan aan de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de PW.</para>
    <para />
    <para>20. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de bijstand van eiseres op goede gronden heeft ingetrokken. Daaruit volgt dat verweerder gehouden is de te veel betaalde bijstand van eiseres terug te vorderen. Eiseres heeft tegen de (hoogte van de) terugvordering geen gronden aangevoerd.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Verweerder heeft haar recht op bijstand terecht met ingang van 17 november 2016 ingetrokken en een bedrag van € 82.113,77 van haar teruggevorderd. Er is daarom geen aanleiding voor vergoeding van de proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr.dr. J.C. de Wit, voorzitter, en mr.drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. L.M. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 november 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>de voorzitter is verhinderd te tekenen</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>