<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:13567</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-27T11:51:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/359826 HA RK 24-180</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:13567">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:13567</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-27T11:50:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:13567 Rechtbank Noord-Holland , 24-12-2024 / C/15/359826 HA RK 24-180</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:13567:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingskamer. Verzoek is afgewezen. De beslissing van de rechter om een verzoek tot het houden van een comparitie af te wijzen dient te worden aangemerkt als een procesbeslissing. Een procesbeslissing kan in beginsel geen grond voor wraking vormen, ook niet als een partij het niet eens is met de beslissing. Verzoekster heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de rechter een financieel belang heeft in de hoofdzaak, omdat 1) de moeder van verzoekster door middel van een rechterlijke beslissing onder bewind is gesteld waarbij een bewindvoerder is benoemd en 2) de bewindvoering via de Staat verloopt en 3) een rechter een werknemer van de Staat is. Daar zit volgens verzoekster, althans zo begrijpt de wrakingskamer, de financiële verstrengeling. Deze onderbouwing kan niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een financieel belang van deze rechter in de hoofdzaak. De positie van een rechter is namelijk op een andere wijze geregeld dan die van een bewindvoerder. De (financiële) positie van de rechter kan door zijn beoordeling in de hoofdzaak daarom niet worden geraakt.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:13567:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="0621a7dc-f8c0-4c98-8556-f0582fee99e3" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="9ff36df2-ea26-46ff-8d83-1f984bb574e0" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rekestnummer: C/15/359826/HA RK 24/180</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 24 december 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op het verzoek tot wraking ingediend door:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] ,</emphasis>
      </para>
      <para>verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde: dhr. [gemachtigde]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het verzoek is gericht tegen:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. M.W. Koenis,</emphasis>
      </para>
      <para>hierna te noemen: de rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Procesverloop</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verzoekster heeft op 7 december 2024 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de bij deze rechtbank, team Handel, Kanton &amp; Insolventie, locatie Haarlem aanhangige zaak met als zaaknummer 11226443 CV EXPL 24-5233, hierna te noemen: de hoofdzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 19 december 2024. Verzoekster, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De gemachtigde van verzoekster is verschenen. De rechter en de wederpartij in de hoofdzaak hebben van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het standpunt van verzoekster</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoekster heeft ter onderbouwing van het verzoek – samengevat – het volgende aangevoerd. De rechter heeft de schijn van partijdigheid gewekt door, ondanks eerder tijdig kenbaar gemaakte verzoeken, een verzoek om een comparitie te houden te weigeren. Door een comparitie uit te sluiten biedt de rechter een mogelijkheid om een vonnis op leugens en aannames van de wederpartij in de hoofdzaak te rechtvaardigen. Verder heeft de rechter een financieel belang in de hoofdzaak. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de rechter die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt bij de beoordeling van een wrakingsverzoek is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter ten opzichte van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. </para>
        <para>De wrakingskamer overweegt het volgende.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>De beslissing van de rechter om een verzoek tot het houden van een comparitie af te wijzen dient te worden aangemerkt als een procesbeslissing. Die beslissing is niet nader gemotiveerd. Een procesbeslissing kan in beginsel geen grond voor wraking vormen, ook niet als een partij het niet eens is met de beslissing (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413). De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist moet worden geacht, is niet aan de wrakingskamer om te beoordelen. De motivering van een procesbeslissing kan geen grond vormen voor wraking, ook niet indien wordt aangevoerd dat die motivering onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier zou zijn of dat een motivering geheel ontbreekt. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de procesbeslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven. De wrakingskamer is van oordeel dat hiervan geen sprake is. De rechter heeft zich met zijn beslissing slechts uitgelaten over het verzoek tot het houden van een comparitie en uit zijn afwijzende beslissing op dat verzoek kan niet worden afgeleid dat hij inhoudelijk vooruitgelopen is op zijn (eind)oordeel in de hoofdzaak of anderszins vooringenomen is jegens een van de partijen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>Verzoekster heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de rechter een financieel belang heeft in de hoofdzaak. Op de zitting heeft verzoekster dit standpunt desgevraagd nader toegelicht. Volgens verzoekster is sprake van een financieel belang omdat 1) de moeder van verzoekster door middel van een rechterlijke beslissing onder bewind is gesteld waarbij een bewindvoerder is benoemd en 2) de bewindvoering via de Staat verloopt en 3) een rechter een werknemer van de Staat is. Daar zit volgens verzoekster, althans zo begrijpt de wrakingskamer, de financiële verstrengeling. Deze onderbouwing kan niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van een financieel belang van deze rechter in de hoofdzaak. De positie van een rechter is namelijk op een andere wijze geregeld dan die van een bewindvoerder. De (financiële) positie van de rechter kan door zijn beoordeling in de hoofdzaak daarom niet worden geraakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Gelet op het voorgaande ziet de wrakingskamer geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van (schijn van) partijdigheid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>De slotsom is dat het verzoek om wraking van de rechter moet worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de kantonrechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gegeven door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. H.P. van der Lelie en </para>
        <para>mr. C.S. Schoorl, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. F.L. Zillinger Molenaar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2024.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>griffier									voorzitter</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>