<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2024:13120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-24T14:00:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-12-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">15-290764-24</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:13120">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2024:13120</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-12-17T11:39:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-12-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2024:13120 Rechtbank Noord-Holland , 24-12-2024 / 15-290764-24</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2024:13120:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verdachte wordt verdacht van (1) voorhanden hebben van een busje traangas, (2) aanwezig hebben van meer dan 30 gram hennep en (3) het voorhanden hebben van accijnsgoederen (sigaretten) die niet in de accijnsheffing zijn betrokken. Van feit 1 wordt verdachte vrijgesproken, voor feit 2 krijgt verdachte een geldboete en ter zake feit 3 wordt de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard. Aan verdachte is eerder een strafbeschikking opgelegd voor materieel hetzelfde feit (het voorhanden hebben van (diezelfde) sigaretten zonder accijnszegel), waartegen hij verzet heeft ingesteld. Naar het oordeel van de politierechter strookt het niet met het systeem van strafvordering als de verdachte voor hetzelfde andermaal wordt vervolgd, zolang op de strafbeschikking nog niet beslist is of deze is ingetrokken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2024:13120:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Locatie Alkmaar<?linebreak?>Politierechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer 15-290764-24</para>
      <para>Datum uitspraak: 24 december 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Vonnis van de politierechter Noord-Holland, in de zaak tegen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte]
        </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]</para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2024.</para>
      <para>De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Popescu en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman, mr. R.F.M. Gerritse, advocaat te Breda, naar voren hebben gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Tenlastelegging </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan de verdachte is tenlastegelegd dat</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1.<?linebreak?>hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie II, onder 6 van de Wet wapens en munitie, te weten een busje pepperspray, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met giftige, verstikkende, weerloosmakende, traanverwekkende en soortgelijke stoffen voorhanden heeft gehad;</para>
    <para />
    <para>2<?linebreak?>hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, in elk geval in Nederland, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 44,30 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.</para>
    <para />
    <para>3<?linebreak?>hij op of omstreeks 21 februari 2024 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, in elk geval in Nederland opzettelijk een accijnsgoed(eren), die/dat niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken, te weten (ongeveer) 44.000 sigaretten voorhanden en/of in opslag heeft gehad.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Voorvragen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        <emphasis role="underline">De ontvankelijkheid van de officier van justitie.</emphasis>
      </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.1.1.</nr>
        <para>Er zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie met betrekking tot de feiten 1 en 2 in de weg staan. De officier van justitie is daarom ontvankelijk in de vervolging van de feiten 1 en 2.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.2.</nr>
        <para>De verdediging heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard ten aanzien van feit 3 op de tenlastelegging, omdat aan de verdachte ter zake van dat feit een strafbeschikking is opgelegd, waartegen de verdachte verzet heeft ingesteld.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.3.</nr>
        <para>De officier van justitie heeft daartegen aangevoerd dat het verzet losstaat van de beoordeling van deze zaak en dat bij de behandeling van het verzet de beslissing in de onderhavige zaak kan worden meegewogen, zodat hij ontvankelijk is in de vervolging.</para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>3.1.4.</nr>
        <parablock>
          <para>De politierechter overweegt als volgt.</para>
          <para>Blijkens de ter zitting door de raadsman overgelegde stukken is aan de verdachte op 11 oktober 2024 bij fiscale strafbeschikking een boete opgelegd van € 6.000,00 met een aanwijzing afstand te doen van de door de Douane in beslaggenomen voorwerpen.</para>
          <para>De strafbeschikking omschrijft het strafbare feit als </para>
          <para>
            <emphasis role="italic">“Het uitslaan tot verbruik van tabaksproducten die niet zijn voorzien van het voor het desbetreffende tabaksprodukt voorgeschreven accijnszegel”.</emphasis>
          </para>
          <para>Als toepasselijke wetsbepalingen zijn aangehaald de artikelen 73, eerste lid en 102, eerste lid van de Wet op de accijns.</para>
          <para>De strafbeschikking is uitgevaardigd door het bestuur van ’s Rijksbelastingen.</para>
          <para>Het bestuur van ’s Rijksbelastingen is op grond van artikel 76 Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) bevoegd een strafbeschikking uit te vaardingen ter zake bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. De in deze zaak onder 3 aan verdachte tenlastegelegde gedraging betreft overtreding van artikel 5 van de Wet op de accijns. Zowel artikel 73 Wet op accijns als artikel 5 Wet op de accijns zijn in de Wet op de accijns in artikel 102 onderscheidenlijk 97 van die wet strafbaar gesteld. De Wet op de accijns is een belastingwet als bedoeld in de Awr.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De raadsman van de verdachte heeft ter zitting meegedeeld dat tegen de strafbeschikking verzet is ingesteld. Door de officier van justitie is dat niet betwist, zodat de politierechter daarvan uitgaat.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ingevolge artikel 257f Wetboek van Strafvordering (Sv) is de officier van justitie gehouden het verzet bij de rechtbank aan te brengen.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De vraag die moet worden beantwoord is of de officier van justitie bevoegd is, nadat een strafbeschikking is uitgevaardigd én daartegen verzet is ingesteld, alsnog de verdachte te dagvaarden, voordat op het verzet is beslist, of de strafbeschikking is ingetrokken.</para>
          <para>Daarbij zal eerst moeten worden vastgelegd of het feit waarvoor de verdachte is gedagvaard een zelfde feit is, in de zin van artikel 68 Wetboek van Strafrecht (Sr), als het feit waarop de strafbeschikking betrekking heeft.</para>
          <para>De verdachte is gedagvaard voor het op 21 februari 2024 te Middenmeer opzettelijk voorhanden hebben van accijnsgoederen die niet overeenkomstig de Wet op de accijns in de heffing waren betrokken (artikel 5 Wet op de accijnzen, strafbaar gesteld in artikel 97 van die wet). De strafbeschikking betreft het op dezelfde plaats en datum “uitslaan tot verbruik” van tabaksproducten die niet zijn voorzien van het voor het desbetreffende tabaksproduct voorgeschreven accijnszegel (artikel 73 Wet op de accijnzen, strafbaar gesteld in artikel 102 van die wet).</para>
          <para>Er is dus sprake van twee verschillend wettelijke bepalingen, maar het betreft in wezen dezelfde feitelijke handeling en ook het achterliggende doel van de bepaling is hetzelfde. Beide bepalingen dienen immers om te bewerkstelligen dat op de juiste wijze de accijnzen worden geheven. Het aanbrengen van de accijnszegels is immers een methode om de betreffende goederen in de heffing te betrekken.</para>
          <para>Er is dus sprake van eenzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr.</para>
          <para>Artikel 68 Sr bepaalt dat iemand niet opnieuw kan worden vervolgd voor een feit waarover reeds bij onherroepelijk gewijsde door de rechter is beslist.</para>
          <para>Voor de strafbeschikking geldt artikel 255a Sv </para>
        </parablock>
        <para>1. Indien tegen de verdachte een strafbeschikking is uitgevaardigd die volledig ten uitvoer is gelegd, kan hij, behoudens het bepaalde bij artikel 12i, ter zake van hetzelfde feit niet opnieuw in rechten worden betrokken.</para>
        <para>2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien de officier van justitie een strafbeschikking intrekt.</para>
        <para>Er is noch sprake van een onherroepelijke rechterlijke uitspraak, noch is de strafbeschikking volledig ten uitvoer gelegd, zodat artikel 68 Sr en artikel 255a Sv in dit geval niet toepasselijk zijn.</para>
        <para />
        <parablock>
          <para>Ingevolge het systeem van de in het Wetboek van Strafvordering vervatte regeling betreffende de procesgang geldt echter in beginsel de regel dat, vóórdat op de grondslag van een inleidende dagvaarding onherroepelijk is beslist, de officier van justitie zich behoort te onthouden van het doen uitgaan van een tweede dagvaarding ter zake van hetzelfde feit. Ingevolge het eerste lid van art. 258 Sv neemt het rechtsgeding immers een aanvang zodra de officier van justitie de inleidende dagvaarding doet uitgaan en het zou niet stroken met dit systeem indien de verdachte ter zake van hetzelfde feit andermaal zou worden vervolgd, zolang op de eerste dagvaarding nog niet onherroepelijk is beslist (vgl. HR 7 mei 1985, NJ 1985/842, rov. 5.2.1).</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De vraag die thans moet worden beoordeeld of deze regel ook geldt als de vervolging niet is aangevangen met een dagvaarding, maar als een strafbeschikking is uitgevaardigd.</para>
          <para>Uit verschillende bepalingen in het Wetboek van Strafvordering kan worden afgeleid dat de vervolging een aanvang neemt door het uitvaardingen van een strafbeschikking. Daarmee alleen heeft het rechtsgeding nog geen aanvang genomen. Dat wordt echter anders als de verdachte tegen de strafbeschikking verzet heeft aangetekend. Ingevolge artikel 257f Sv is de officier van justitie dan immers gehouden de zaak voor de rechter te brengen, tenzij hij de strafbeschikking intrekt. </para>
          <para>De conclusie is dat het de officier van justitie niet vrijstaat een dagvaarding uit te brengen voordat op het verzet tegen een strafbeschikking voor hetzelfde feit onherroepelijk is beslist, of de strafbeschikking is ingetrokken.</para>
        </parablock>
        <para />
        <parablock>
          <para>De officier van justitie zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vervolging ter zake van feit 3 op de tenlastelegging.</para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Waardering van het bewijs</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">feit 1</emphasis>
        </para>
        <para>Met de officier van justitie en de raadsman is de politierechter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte weet had van de aanwezigheid van de pepperspray in het handschoenenkastje van de auto waarin hij zich bevond. Voor bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de Wet wapens en munitie is vereist dat de verdachte in ieder geval wetenschap had van en beschikkingsmacht had over het wapen. Nu van wetenschap geen sprake is, zal de verdachte van dit feit worden vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">feit 2</emphasis>
        </para>
        <para>In de woning van de verdachte is een hoeveelheid van 44,30 gram hennep aangetroffen. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat deze hennep van hem is en dat hij deze jaren geleden heeft gekocht. Hij heeft betwijfeld of deze hennep nog werkzame stof bevat.</para>
        <para>De raadsman heeft aangevoerd dat de hennep duidelijk was verkleurd en dat het THC-gehalte niet is getest, zodat er vanuit moet worden gegaan dat deze hennep geen THC meer bevat en de verdachte moet worden vrijgesproken. </para>
        <para>De officier van justitie heeft aangevoerd dat een laaggehalte aan THC niet afdoet aan de strafbaarheid.</para>
        <para>De politierechter overweegt dat uit vaste jurisprudentie (Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2010:BL2820) naar voren komt dat elk gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd - <emphasis role="italic">ongeacht het THC-gehalte</emphasis> - een middel is in de zin van lijst II van de Opiumwet.</para>
        <para>De omstandigheid dat het THC-gehalte niet is gemeten kan er dus niet toe leiden dat de aangetroffen hennep niet heeft te gelden als een middel bedoeld in de bij Opiumwet behorende lijst II.</para>
        <para>Het onder 2 tenlastegelegde feit kan worden bewezen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>De bewezenverklaring</title>
    <parablock>
      <para>Op grond van de bijlage opgenomen bewijsmiddelen acht de politierechter bewezen dat de verdachte:</para>
      <para>Op 21 februari 2024 te Middenmeer, gemeente Hollands Kroon, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 44,30 gram, hennep.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Strafbaarheid van het feit</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezengeachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Strafbaarheid van verdachte</title>
    <para>Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.</para>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>8</nr>Motivering van de sanctie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtspraak heeft oriëntatiepunten opgesteld die bij de overtreding van artikel 3 onder C van de Opiumwet met tussen de 31 en 100 gram voorzien in een geldboete van € 200,00. Nu de bij verdachte aangetroffen hoeveelheid hennep zich aan de onderkant van die schaal bevindt acht de politierechter een geldboete van € 100,00 passend. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>9</nr>Beslag</title>
    <parablock>
      <para>Uit het procesdossier blijkt dat er goederen in beslag zijn genomen. Van de inbeslaggenomen hennep, sigaretten en vapes ontbreekt in het dossier een kennisgeving van inbeslagneming, maar de raadsman heeft verklaard dat die er wel zijn. De officier van justitie heeft een lijst met inbeslaggenomen niet teruggegeven goederen overgelegd, op welke lijst geld, sigaretten en vapes zijn genoemd, met een goednummer.</para>
      <para>In het dossier bevindt zich een verklaring van de verdachte dat hij afstand heeft gedaan van de inbeslaggenomen hennep (met dien verstande dat daarop kennelijk abusievelijk een hoeveelheid van 44, 3 kg is opgenomen in plaats van 44, 3 gram). De politierechter hoeft daar over dus geen beslissing meer te nemen.</para>
      <para>Ten aanzien van het inbeslaggenomen geld (€ 13.915 onder goednummer 1577466) heeft de officier van justitie gevorderd dat dit aan de verdachte wordt teruggeven, omdat niet kan worden vastgesteld dat hij dat met een van de tenlastegelegde feiten heeft verdiend, of dat dit geld voorwerp van een van de tenlastegelegde feiten uitmaakte. De verdediging heeft eveneens de teruggave van dit geld gevraagd. De politierechter stelt met de officier van justitie vast dat voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het inbeslaggenomen geld geen grondslag bestaat, zodat dit aan de verdachte moet worden teruggegeven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Over de inbeslaggenomen sigaretten en vapes overweegt de politierechter als volgt. Deze goederen zijn kennelijk in beslag genomen in het kader van het onderzoek naar feit 3 op de tenlastelegging. Ten aanzien van dat feit zal de officier van justitie niet ontvankelijk worden verklaard, zodat voor dat feit geen beslissing als bedoeld in artikel 353 lid 1 wordt genomen en van een beslissing over het beslag kan worden afgezien. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>10</nr>Toepasselijke wettelijke voorschriften</title>
    <para>De op te leggen straf is gegrond op de volgende artikelen:<?linebreak?>23 Wetboek van Strafrecht <?linebreak?>3 en 11 Opiumwet.</para>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>11</nr>Beslissing<?linebreak?>De politierechter:</title>
    <para>Verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Spreekt de verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 5 is weergegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het bewezenverklaarde levert op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet, gegeven verbod </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart het bewezene strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 100,00 , bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelast de teruggave aan <emphasis role="bold">[verdachte] </emphasis>van € 13.915 (PL1100-2024038305-1577466 IBN).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door </para>
      <para>mr. G.H. Marcus, politierechter, </para>
      <para>in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van der Meij,</para>
      <para>en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 december 2024.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>