<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2023:7461</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-06T13:16:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-08-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-07-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HAA 23_2759</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:7461">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:7461</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-09-06T13:15:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-09-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2023:7461 Rechtbank Noord-Holland , 13-07-2023 / HAA 23_2759</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2023:7461:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening. Invorderingsbesluit. Geen spoedeisend belang. Financiële noodsitiuatie niet onderbouwd. Bovendien heeft verweerder bericht dat niet zal worden overgegaan tot daadwerkelijke invordering tot op bezwaar is beslist. Afwijzing verzoek.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2023:7461:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 23/2759</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 13 juli 2023 in de zaak tussen</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid <emphasis role="bold">[verzoekster 1] BV</emphasis>, door verzoekster ook aangeduid als <emphasis role="bold italic">[naam]</emphasis><footnote-ref linkend="_961a7748-fb9a-48f4-9944-a5a7237ba0c6" />, uit Vijfhuizen, verzoekster</para>
      <para>gemachtigde: mr. W. van Rheenen van Politiek Onderzoek&amp;Adviesbureau van de VVD,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer</emphasis>, verweerder </para>
      <para>gemachtigde: mr. H.S. Poppens, werkzaam bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Inleiding en procesverloop</title>
    <para />
    <para>1. Bij besluit (invorderingsbeschikking) van 6 april 2023 heeft verweerder van verzoekster een bedrag van € 2.000,- ingevorderd die verzoekster volgens verweerder als dwangsommen heeft verbeurd. Verzoekster heeft tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter op 20 april 2023 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. </para>
    <para />
    <para>2. De griffier heeft verzoekster verzocht haar spoedeisend belang toe te lichten. Verzoekster heeft daarop op 5 mei 2023 geantwoord. </para>
    <para />
    <para>3. De griffier heeft ook contact gezocht met verweerder. Bij bericht van 14 juni 2023 heeft verweerder meegedeeld dat verweerder niet overgaat tot daadwerkelijke invordering van de dwangsommen totdat op het bezwaarschrift is beslist. Verzoekster heeft op 26 juni 2023 op dit bericht gereageerd.</para>
    <para />
    <para>4. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening. </para>
    <para />
    <para>5. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <para>6. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. In deze zaak is geen sprake van een spoedeisend belang.</para>
    <para />
    <para>7. Voor dat oordeel is op de eerste plaats van belang dat de enkele stelling dat verzoekster, een commercieel bedrijf, betaling van het bedrag niet zou kunnen betalen en door betaling in haar voortbestaan zou worden bedreigd, zonder overtuigende onderbouwing, die ontbreekt, in beginsel niet meebrengt dat sprake is van een toereikend spoedeisend belang. De stelling van verzoekster dat verweerder, c.q. de Omgevingsdienst, een onwettig beleid zou voeren en het besluit onrechtmatig zou hebben genomen, maken de zaak ook niet spoedeisend. Dat zijn argumenten voor de bodemzaak. Maar belangrijker is nog dat verweerder bij het e-mailbericht van 14 juni 2023 de voorzieningenrechter heeft bericht dat niet zal worden overgegaan tot daadwerkelijke invordering van verbeurde dwangsommen totdat is beslist op het door verzoekster tegen het besluit van 6 april 2023 gemaakte bezwaar. Omdat verweerder daarmee heeft toegezegd dat van daadwerkelijke invordering voor het besluit op bezwaar wordt afgezien, is de conclusie dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft bij een voorziening voor de duur van de bezwaarprocedure. </para>
    <para />
    <para>8. Het betoog van verzoekster dat het uitstel als gevolg van deze toezegging mogelijk kort zal zijn als zij ongelijk krijgt in bezwaar, doet daaraan niet af. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. 	Gelet op het voorgaande heeft verzoekster geen spoedeisend belang en is het verzoek daarom (kennelijk) ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling (of opdracht tot griffierechtvergoeding) bestaat geen aanleiding, omdat er geen aanleiding is een voorziening te treffen. Of uit coulance griffierecht zal worden vergoed op grond van artikel 8:82, zesde lid, Awb is aan verweerder en niet aan de voorzieningenrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2023.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>Griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>voorzieningenrechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <bridgehead>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. </bridgehead>
  <footnote id="_961a7748-fb9a-48f4-9944-a5a7237ba0c6" label="1">
    <para> Verzoekster heeft bij haar verzoek geen uittreksel uit haar inschrijving bij de Kamer van Koophandel overgelegd, waaruit kan blijken wat haar statutaire of handelsnamen zijn. De voorzieningenrechter neemt op grond van de wederzijds overgelegde stukken aan dat haar statutaire naam “ [verzoekster 1] BV” is.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>