<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2023:4084</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-04T10:35:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2023-03-10</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">10279438 \ WM VERZ  23-49</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Zaanstad</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_bestuursstrafrecht">Bestuursrecht; Bestuursstrafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:4084">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2023:4084</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-05-04T10:30:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2023-05-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2023:4084 Rechtbank Noord-Holland , 10-03-2023 / 10279438 \ WM VERZ  23-49</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2023:4084:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>WAHV. Geslotenverklaring. Ten tijde van de gedraging was de eerste periode van (handhaving van) een geslotenverklaring waarin wordt volstaan met een waarschuwingsbrief, al ruimschoots verstreken. Boete mocht dus worden opgelegd zonder voorafgaande waarschuwingsbrief.</para>
        <para>Bevoegdheid ambtenaar. Zowel de Regeling als het Beleidskader richten zich primair tot de gemeenten. De kantonrechter ziet daarom geen grond om aan te nemen dat de volgens de Regeling vereiste instemming van Parket CVOM een beleidsregel is waarop betrokkene een beroep kan doen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2023:4084:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Handel, Kanton en Bewind</para>
      <para>locatie Zaanstad</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer	: 10279438 \ WM VERZ  23-49</para>
      <para>CJIB-nummer	: 245128391</para>
      <para>Uitspraakdatum	: 10 maart 2023</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
      <para>
        [betrokkene]
      </para>
      <para>gemachtigde     : mr. A. Khadri, Verkeersboete.nl te Zoetermeer. </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is behandeld op de zitting van 28 februari 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren. De gemachtigde van betrokkene heeft verwezen naar de schriftelijke ingediende beroepsgronden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt als volgt: handelen ism een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C 6 bijlage I RVV 1990.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betrokkene stelt dat de boete is opgelegd in strijd met het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (hierna: het Beleidskader), omdat betrokkene als omwonende eerst een waarschuwingsbrief had moeten krijgen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>In het Beleidskader staan voorwaarden voor het opleggen van een boete. Eén van die voorwaarden is dat in de eerste periode van (handhaving van) een geslotenverklaring wordt volstaan met een waarschuwingsbrief die aan betrokkenen wordt verzonden. Als niet aan deze voorwaarde is voldaan, mag de ambtenaar (van de gemeente) geen boete opleggen.<footnote-ref linkend="_a604eb54-8e87-4866-96e4-88ebb0c01871" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Naar het oordeel van de kantonrechter was ten tijde van de gedraging in deze zaak, te weten 8 oktober 2021, de eerste periode van (handhaving van) een geslotenverklaring waarin wordt volstaan met een waarschuwingsbrief, al ruimschoots verstreken. Uit de stukken, met name het algemeen proces-verbaal, blijkt immers dat de geslotenverklaring is ingesteld vanaf 1 januari 2017, meer dan vier jaar vóór de gedraging. De ambtenaar (van de gemeente) mocht dus de boete opleggen en er was geen voorafgaande waarschuwingsbrief (meer) vereist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Betrokkene stelt verder dat de ambtenaar (van de gemeente) gelet op de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: de Regeling) niet bevoegd was om de boete op te leggen, omdat niet is gebleken van instemming van het Openbaar Ministerie met digitaal handhaven door de gemeente. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op zichzelf volgt uit de Regeling dat digitaal handhaven slechts mogelijk is na instemming van het Parket Centrale Verwerking Openbaar Ministerie. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Maar ook als uit de stukken niet blijkt van die instemming, moet worden aangenomen dat de ambtenaar (van de gemeente) bevoegd was om de boete op te leggen. Uitgangspunt is immers dat in beginsel van de bevoegdheid van de ambtenaar mag worden uitgegaan.<footnote-ref linkend="_c829df03-aef0-4e14-a0e9-64669600a972" /> Alleen als gemotiveerd wordt betwist dat sprake is van de hiervoor genoemde instemming, kan er aanleiding zijn om aan de bevoegdheid van de ambtenaar te twijfelen. Dat is hier niet het geval.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Daarbij komt dat de Regeling wat betreft de toetsing van de instemming door het Openbaar Ministerie verwijst naar eerdergenoemd Beleidskader, en dat zowel de Regeling als het Beleidskader zich in dit verband primair richten tot de gemeenten. De kantonrechter ziet daarom geen grond om aan te nemen dat de volgens de Regeling vereiste instemming een beleidsregel is waarop betrokkene een beroep kan doen. Ook in de rechtspraak is die instemming niet aangemerkt als een beleidsregel omtrent de wijze waarop gemeentelijke buitengewoon opsporingsambtenaren van hun bevoegdheid om een boete op te leggen gebruik dienen te maken.<footnote-ref linkend="_9c762fa8-f6d3-4288-83c0-7266e295f77d" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De boete is dus terecht opgelegd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter ziet geen aanleiding om proceskosten toe te kennen, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De uitspraak</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>‒ verklaart het beroep ongegrond;</para>
      <para>‒ wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier							De kantonrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht. <emphasis role="bold">Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum toezending: </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a604eb54-8e87-4866-96e4-88ebb0c01871" label="1">
    <para> Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 september 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummer ECLI:NL:GHARL:2022:7566.</para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_c829df03-aef0-4e14-a0e9-64669600a972" label="2">
    <para> Zie de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 april 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl met nummerECLI:NL:GHARL:2022:3347.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c762fa8-f6d3-4288-83c0-7266e295f77d" label="3">
    <para> Zie noot 1. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>