<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:9877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-22T12:00:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/324054 / HA ZA 22-27</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:9877">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:9877</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-11-20T16:18:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-11-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:9877 Rechtbank Noord-Holland , 19-10-2022 / C/15/324054 / HA ZA 22-27</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:9877:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Deze zaak gaat onder andere over een teeltovereenkomst. De vraag is of deze rechtsgeldig is opgezegd. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is en dat partijen elkaar over en weer nog een geldbedrag moeten betalen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:9877:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="122f03de-cb30-4544-8f54-da2ecf553c89" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="51186498-7fc2-424a-bf98-45421ed30b15" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Handel, Kanton en Bewind</para>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/15/324054 / HA ZA 22-27</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 19 oktober 2022 </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap onder firma</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] VOF</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te [vestigingsplaats] ,</para>
      <para>eiseres in conventie,</para>
      <para>verweerster in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. C.J. van Veen te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] , H.O.D.N. [bedrijfsnaam 1]</emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde in conventie,</para>
      <para>eiser in reconventie,</para>
      <para>advocaat mr. J.J. Kunst te Hoorn NH.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De zaak in het kort</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze zaak gaat onder andere over een teeltovereenkomst. De vraag is of deze door [gedaagde] rechtsgeldig is opgezegd. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is en dat partijen elkaar over en weer nog een geldbedrag moeten betalen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 30 december 2021 met bijlagen 1 tot en met 29,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in conventie tevens van eis in reconventie met bijlagen 1 tot en met 23,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord in reconventie,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de rolbeslissing van 11 mei 2022 waarin het verzoek van [eiseres] om een conclusie van repliek in conventie te mogen indienen is afgewezen,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 25 mei 2022 waarin de rechtbank een mondelinge behandeling heeft gelast,</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het proces-verbaal van de op 29 augustus 2022 gehouden mondelinge behandeling en de daarin genoemde spreekaantekeningen. Uit dat proces-verbaal blijkt dat voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter griffie van de rechtbank van de kant van [eiseres] zijn ontvangen de bijlagen 30 tot en met 58 en een akte wijziging en vermeerdering van eis, waartegen [gedaagde] op de mondelinge behandeling bezwaar heeft gemaakt.  </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank dient nog te beslissen of de hiervoor vermelde bijlagen en de akte eiswijziging van [eiseres] aan het procesdossier zullen worden toegevoegd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank staat de eiswijziging toe. Uitgangspunt is dat een eisvermeerdering is toegestaan zolang nog geen eindvonnis is gewezen, tenzij dit in strijd is met de goede procesorde<footnote-ref linkend="_f427351b-776b-4acb-8301-d779aa5cfd1f" />. Dat de eisvermeerdering van [eiseres] in strijd is met de goede procesorde ziet de rechtbank niet. Het gaat om een overzichtelijke geldvordering van € 60.000,- die [eiseres] al in haar conclusie van antwoord in reconventie (inclusief grondslag) had aangekondigd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank zal ook de bijlagen 30 tot en met 58 van [eiseres] aan het procesdossier toevoegen. Het gaat hier weliswaar om een flink aantal bijlagen, maar de aard en omvang van deze (bij [gedaagde] deels al bekende) bijlagen is niet zodanig dat [gedaagde] hierop niet adequaat  heeft kunnen reageren.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] houdt zich bezig met het telen, verzorgen en verkopen van pioenrozen. </para>
        <para>
          [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) zijn de vennoten van [eiseres] . [naam 1] en [naam 2] zijn met elkaar getrouwd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijfsnaam 1] . [bedrijfsnaam 1] is een teler van bol- en knolgewassen en een groothandel in bloemen. Daarnaast is [gedaagde] enig bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijfsnaam 2] B.V. (hierna: [bedrijfsnaam 2] ).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde] , [naam 1] en [naam 2] zijn familie van elkaar. Zij zijn vanaf 2009 gaan samenwerken op het gebied van de pioenenteelt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] ( [bedrijfsnaam 1] ) en [eiseres] hebben met ingang van 1 april 2017 een teeltovereenkomst gesloten die op 19 december 2017 schriftelijk is vastgelegd (hierna: de teeltovereenkomst). In de teeltovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="bold">Artikel 1</emphasis> Onderwerp van de overeenkomst</para>
      </parablock>
      <para>1. Opdrachtnemer <emphasis role="italic">[opmerking rechtbank; bedoeld wordt [eiseres] ]</emphasis> verbindt zich met ingang van 1 april 2017, op eigen kosten, alle werkzaamheden voor opdrachtgever <emphasis role="italic">[opmerking rechtbank: bedoeld wordt [gedaagde] ( [bedrijfsnaam 1] )]</emphasis> te verrichten direct of indirect verband houdende met de teelt en verzorging van de pioenrozen, die door opdrachtgever in eigendom worden gehouden op deels wisselende percelen bouwland. Het totale areaal bedraagt bij aanvang circa 15 hectare (ca. 300.000 knollen), maar zal wegens wisseling van de percelen jaarlijks kunnen fluctueren.</para>
      <para>2. Opdrachtnemer zal voorts, op eigen kosten, zorg dragen voor alle werkzaamheden direct of indirect verband houdende met het snijden van de bloemen en het veilingklaar maken daarvan, zodra de bloemen tot voldoende wasdom zijn gekomen.</para>
      <para>3. Opdrachtnemer draagt tenslotte, op eigen rekening en risico, zorg voor het vervoer en de verkoop van de pioenrozen op de veiling, alsmede voor de incassering van de opbrengst op eigen naam.</para>
      <parablock>
        <para>(…)</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Artikel 3</emphasis> Vergoedingen en kosten voor opdrachtnemer</para>
      </parablock>
      <para>1. Alle bloemen, die het gewas tezijnertijd zullen dragen en de daaruit te verkrijgen opbrengsten komen, behoudens het bepaalde in artikel 3 lid 3, bij wijze van vergoeding uitsluitend toe aan opdrachtnemer, die zorg draagt voor afdracht van de daarover verschuldigde BTW;</para>
      <para>(…)</para>
      <para>3. Opdrachtgever zal jaarlijks, voor het eerst met ingang van 1 januari 2018, de bloemen van 2 hectare pioengewas van het in artikel 1 lid 1 bedoelde areaal, zelf en voor eigen rekening en risico ter veiling van zijn keuze (doen) aanbieden en (doen) verkopen, waarvan de opbrengst uitsluitend aan opdrachtgever toekomt.</para>
      <para>4. Alle opplant-, teelt-, bewerkings-, spuit- snij- en andere kosten die opdrachtnemer heeft gemaakt in verband met de verzorging van de in lid 3 genoemde 2 hectare pensioengewas (de rechtbank leest: pioengewas), zullen door opdrachtgever op basis van factuur aan opdrachtnemer worden vergoed. Desbetreffende kosten worden, rekening houdende met de vaste en variabele kosten, begroot op een gemiddelde van </para>
      <para>€ 10.000,- (<emphasis role="italic">tienduizend euro</emphasis>) per hectare.</para>
      <para>5. Opdrachtgever stelt aan opdrachtnemer een zgn. spray-cart ter beschikking tegen betaling van een vergoeding van € 2.000,- (<emphasis role="italic">tweeduizend euro</emphasis>) per jaar. </para>
      <para>(…)”</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op 1 april 2017 hebben [eiseres] en [bedrijfsnaam 2] een overeenkomst van kredietverstrekking in rekening-courant gesloten (hierna: de rekening-courantovereenkomst). [bedrijfsnaam 2] heeft de rekening-courantovereenkomst bij brief van haar advocaat van 16 oktober 2020 opgezegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Bij diezelfde brief van 16 oktober 2020 heeft [gedaagde] de teeltovereenkomst opgezegd c.q. ontbonden. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vorderingen in conventie en in reconventie</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] vordert, samengevat en na eiswijziging:</para>
        <para>I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] de op 19 december 2017 tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht (hierna: de teeltovereenkomst) niet rechtsgeldig heeft opgezegd, subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat [eiseres] recht heeft op het volle loon dat haar op grond van de teeltovereenkomst toekomt;</para>
        <para>II. een verklaring voor recht dat [gedaagde] in verzuim is in de nakoming van zijn verbintenissen uit de teeltovereenkomst;</para>
        <para>III. een verklaring voor recht dat [eiseres] eigenaar is van de door haar nieuwgevormde pioenknollen, subsidiair dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] aan [eiseres] een redelijk loon is verschuldigd voor alle werkzaamheden van [eiseres] in verband met het stekken en delen;</para>
        <para>IV. een verklaring voor recht dat [eiseres] op grond van het hiervoor onder I., II. en III. primair genoemde recht heeft op schadevergoeding, nader op te maken bij staat;</para>
        <para>V. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de schade van [eiseres] die het gevolg is van de ongegronde opzegging van de teeltovereenkomst, van het verzuim van [gedaagde] in de nakoming van de teeltovereenkomst en van de wederrechtelijke toe-eigening van de door [eiseres] nieuwgevormde pioenknollen, nader op te maken bij staat;</para>
        <para>VI. veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 60.000,-, vermeerderd met de wettelijke handelsrente;</para>
        <para>VII. veroordeling van [gedaagde] in de proces- en nakosten.  </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft een tegenvordering ingesteld. [gedaagde] vordert dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 115.001,- te vermeerderen met rente en met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [eiseres] en [gedaagde] voeren over en weer verweer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De rechtbank zal nader ingaan op de stellingen van partijen als dat voor de beoordeling van de vorderingen van belang is. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="bold">in conventie </bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank zal eerst de vorderingen van [eiseres] beoordelen die op de teeltovereenkomst zijn gebaseerd. Daarna zal de rechtbank ingaan op de gevorderde verklaring voor recht dat [eiseres] eigenaar is van de nieuwgevormde pioenknollen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Opzegging van de teeltovereenkomst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [eiseres] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat [gedaagde] de teeltovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van deze vordering stelt de rechtbank voorop dat [eiseres] niet heeft betwist dat [gedaagde] de teeltovereenkomst kon opzeggen, zoals zij bij brief van 16 oktober 2020 heeft gedaan. De rechtbank dient er daarom van uit te gaan dat [gedaagde] de bevoegdheid had om de teeltovereenkomst op te zeggen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [eiseres] stelt dat de opzegging van de teeltovereenkomst niet rechtsgeldig is geweest omdat [gedaagde] van zijn opzeggingsbevoegdheid geen gebruik mocht maken. Dit vanwege de aanvullende en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid<footnote-ref linkend="_ea34545d-20ae-4367-a89f-02d688ca7d3c" />. [gedaagde] heeft dit betwist. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Hoe de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid er in dit geval voor kan zorgen dat de opzegging van de teeltovereenkomst niet rechtsgeldig is geweest, heeft [eiseres] toegelicht noch onderbouwd, hetgeen wel op haar weg lag. De rechtbank acht de gevorderde verklaring voor recht gebaseerd op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid daarom niet toewijsbaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>Het beroep van [eiseres] op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt alleen als de opzegging van de teeltovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, in welke situatie de opzeggingsbevoegdheid van [gedaagde] buiten werking zou worden gesteld. Het is daarbij aan [eiseres] om concreet aan te geven waarom het onaanvaardbaar is dat [gedaagde] tot opzegging van de teeltovereenkomst is overgegaan. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft op dat punt in randnummer 88 van de dagvaarding slechts het volgende vermeld:<emphasis role="italic"> “Onder hiervoor onder de feiten geschetste omstandigheden van het geval, is opzegging van de Teeltovereenkomst door [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid evenwel onaanvaardbaar.”</emphasis> Met deze enkele verwijzing naar in de dagvaarding opgenomen feiten en omstandigheden kon [eiseres] niet volstaan. De tekst onder het kopje “Feiten en omstandigheden” in de dagvaarding beslaat tien pagina’s. Nergens in die tien pagina’s wordt een, al dan niet expliciete, opsomming gegeven van concrete feiten en/of omstandigheden die het volgens [eiseres] onaanvaardbaar maken dat [gedaagde] zijn opzeggingsbevoegdheid heeft gebruikt. Ook later in de procedure heeft [eiseres] dergelijke concrete feiten en/of omstandigheden niet gesteld, ook niet nadat [gedaagde] in zijn conclusie na antwoord en op de mondelinge behandeling van de zaak erop had gewezen dat onduidelijk is gebleven welke concrete feiten [eiseres] aan het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ten grondslag heeft willen leggen. Omdat [eiseres] haar beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid aldus onvoldoende heeft onderbouwd, is de gevorderde verklaring voor recht ook op die grond niet toewijsbaar. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Recht op het volle loon?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <para>Daarmee komt de rechtbank toe aan de subsidiair gevorderde verklaring voor recht die inhoudt dat [eiseres] recht heeft op het volle loon dat haar op grond van de teeltovereenkomst toekomt (vordering 3.1.I.). [eiseres] baseert deze vordering op artikel 7:411 BW. [gedaagde] betwist dat dit artikel van toepassing is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>De rechtbank is het met [gedaagde] eens dat artikel 7:411 BW in deze zaak niet van toepassing is. Dit wetsartikel is namelijk geschreven voor de situatie dat de overeenkomst is geëindigd en de opdrachtgever  (nog) geen loon is verschuldigd omdat (a) de opdracht nog niet is volbracht of (b) de tijd waarvoor de opdracht is verleend nog niet is verstreken, terwijl de verschuldigdheid van het loon hiervan wel afhankelijk is. Die situatie doet zich hier niet voor. De werkzaamheden die [eiseres] op grond van de teeltovereenkomst voor [gedaagde] diende te verrichten bestonden, kort gezegd, uit het telen en verzorgen van pioenrozen op circa 15 hectare land. Als vergoeding voor haar werkzaamheden mocht [eiseres] de opbrengsten van de (door haar gesneden) bloemen houden, zo blijkt uit artikel 3 lid 1 van de teeltovereenkomst. Het gaat hier dus niet om een vergoeding die afhankelijk is gesteld van de volbrenging van haar opdracht of van het verstrijken van de tijd waarvoor de opdracht is verleend. [eiseres] , die haar vordering niet concreet heeft onderbouwd maar alleen heeft vermeld wat in artikel 7:411 BW staat, heeft niets gesteld om tot een andere conclusie te komen. De rechtbank zal de vordering die ziet op het volle loon dan ook afwijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Verzuim van [gedaagde]</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Vervolgens is aan de orde de beoordeling van de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] in verzuim is in de nakoming van zijn verbintenissen uit de teeltovereenkomst. Aan deze vordering legt [eiseres] ten grondslag dat [gedaagde] de teeltovereenkomst heeft geschonden door (i) de teeltovereenkomst niet rechtsgeldig op te zeggen, (ii) [eiseres] te verhinderen bloemen te snijden en te verkopen op de veiling en (iii) te weigeren [eiseres] toe te laten om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>De “niet rechtsgeldige” opzegging van de teeltovereenkomst kan geen tekortschieten van [gedaagde] opleveren. De rechtbank heeft immers eerder in dit vonnis geoordeeld dat de opzegging rechtsgeldig is geweest. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <para>De stelling dat [gedaagde] [eiseres] zou hebben verhinderd om bloemen te snijden en te verkopen en er voor zou hebben gezorgd dat [eiseres] haar opgedragen werkzaamheden niet kon verrichten, kan evenmin tot toewijzing van de vordering leiden. Pas als zou vaststaan dat deze gedragingen hebben plaatsgevonden tijdens de looptijd van de teeltovereenkomst, zou [gedaagde] hiermee mogelijk zijn verplichtingen op grond van de teeltovereenkomst hebben geschonden. Terecht voert [gedaagde] aan dat [eiseres] hierover niet duidelijk is. Omdat de teeltovereenkomst door opzegging (op enig moment) is geëindigd, had [eiseres] concreet moeten aangeven dat en wanneer [gedaagde] een en ander heeft verhinderd en in verzuim is komen te verkeren. [eiseres] heeft dit nagelaten, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat [gedaagde] in verzuim is in de nakoming van zijn verbintenissen uit de teeltovereenkomst zoals door [eiseres] is gevorderd. De rechtbank zal vordering 3.1.II. dan ook afwijzen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De geldvordering van € 60.000,-</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiseres] baseert haar geldvordering van € 60.000,- op artikel 3 lid 4 van de teeltovereenkomst. Volgens [eiseres] heeft zij over de jaren 2018 tot en met 2020 nog </para>
        <para>€ 20.000,- per jaar van [gedaagde] te vorderen in verband met de verzorging van 2 ha pioengewas die in artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst wordt genoemd. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [gedaagde] betwist op zichzelf niet de verschuldigdheid van het gevorderde bedrag.  Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft [gedaagde] echter aangevoerd dat hij het aan [eiseres] verschuldigde bedrag heeft verrekend met zijn vordering van € 109.001,- zodat [eiseres] niets meer te vorderen heeft. Deze vordering, die [gedaagde] voor de zekerheid ook als tegenvordering heeft ingesteld, heeft te maken met de nadere afspraak die partijen hebben gemaakt over de in artikel 3 lid 3 van de teeltovereenkomst bedoelde bloemen van 2 ha pioengewas. Niet in geschil is dat deze nadere afspraak inhield dat de betreffende bloemen door [eiseres] zouden worden aangeleverd en op naam van [bedrijfsnaam 1] op de veiling zouden worden verkocht, waarna de opbrengst aan [gedaagde] zou worden afgedragen. Vaststaat dat [eiseres] op grond van deze nadere afspraak over 2018 tot en met 2020 in totaal € 115.999,- aan [gedaagde] heeft afgedragen. Volgens [gedaagde] is dat echter niet de volledige bloemenopbrengst geweest. De daadwerkelijk gerealiseerde bloemenverkoopopbrengst wordt door [gedaagde] geschat op € 225.000,- (€ 75.000,- per jaar). De schade die [gedaagde] stelt te hebben geleden doordat [eiseres] niet de volledige opbrengst zou hebben afgedragen, bedraagt daarmee </para>
        <para>€ 109.001,- (€ 225.000,- -/- € 115.999,-). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank honoreert het verrekeningsverweer van [gedaagde] tot een bedrag van </para>
        <para>€ 11.801,-. [eiseres] heeft namelijk erkend dat de aan [gedaagde] toekomende bloemenverkoopopbrengst niet € 115.999,- maar € 127.800,- bedroeg en dat zij dus </para>
        <para>€ 11.801,- te weinig aan [gedaagde] heeft afgedragen. Voor het meerdere is de gegrondheid van het verrekeningsverweer niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat de rechtbank dat verweer voor het overige zal passeren<footnote-ref linkend="_899caf62-84f8-422e-8df4-f9362467261d" />. Of [gedaagde] recht heeft op meer dan </para>
        <para>€ 11.801,- zal verderop in dit vonnis, bij de beoordeling van de tegenvordering, aan de orde komen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <parablock>
        <para>Dit betekent dat de rechtbank de geldvordering van [eiseres] tot een bedrag van </para>
        <para>€ 48.199,- (€ 60.000,- -/- € 11.801,-) zal toewijzen. De gevorderde wettelijke handelsrente acht de rechtbank niet toewijsbaar omdat [eiseres] naar aanleiding van het daartegen door [gedaagde] gevoerde verweer had moeten onderbouwen waarom [gedaagde] de wettelijke handelsrente is verschuldigd. De rechtbank zal de gewone wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding (30 december 2021). </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De nieuwgevormde pioenknollen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.17.</nr>
      <para>In 3.1.III. van dit vonnis vordert [eiseres] primair een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van de door haar nieuwgevormde pioenknollen (volgens [eiseres] zijn pioenknollen hetzelfde als pioenstekken). [eiseres] baseert deze vordering op artikel 5:16 lid 2 BW. Dit wetsartikel bepaalt dat degene die voor zichzelf een zaak vormt of doet vormen uit hem niet toebehorende roerende zaken, eigenaar van die nieuwe zaak wordt. Dit in uitzondering op de in artikel 5:16 lid 1 BW neergelegde hoofdregel dat degene die uit een of meer roerende zaken een nieuwe zaak vormt, niet zichzelf maar de oorspronkelijke eigenaar tot eigenaar van de nieuwe zaak maakt. [eiseres] stelt in dit verband dat zij in opdracht van [gedaagde] pioenknollen heeft gedeeld en gestekt waaruit nieuwe pioenknollen zijn ontstaan waarvoor zij geen vergoeding heeft ontvangen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.18.</nr>
      <para>De rechtbank zal deze vordering afwijzen. Daargelaten dat terecht door [gedaagde] is aangevoerd dat de vordering te onbepaald is, is de rechtbank het met [gedaagde] eens dat de uitzonderingssituatie van artikel 5:16 lid 2 BW zich hier niet voordoet. Volgens de eigen stellingen van [eiseres] heeft zij de nieuwe zaak (de uit pioenknollen van [gedaagde] nieuwgevormde pioenstekken) namelijk in opdracht van [gedaagde] gevormd en daarmee niet voor zichzelf. Dit betekent dat de hoofdregel van artikel 5:16 lid 1 BW van toepassing is. Op grond van die hoofdregel geldt dat [gedaagde] eigenaar van de nieuwgevormde pioenstekken is geworden omdat vaststaat dat [gedaagde] eigenaar was van de oorspronkelijke pioenknollen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.19.</nr>
      <para>
        [eiseres] heeft nog gesteld dat zij in ieder geval als mede-eigenaar van de nieuwgevormde pioenstekken kan worden aangemerkt. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij omdat [eiseres] deze stelling op geen enkele manier heeft toegelicht of onderbouwd.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Redelijk loon</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.20.</nr>
      <para>Daarmee komt de rechtbank toe aan de subsidiaire vordering van 3.1.III. Deze vordering houdt in een verklaring voor recht dat [gedaagde] aan [eiseres] een redelijk loon is verschuldigd voor alle werkzaamheden van [eiseres] in verband met het stekken en delen. Volgens [eiseres] heeft zij deze werkzaamheden buiten de teeltovereenkomst om van [gedaagde] opgedragen gekregen en dient zij voor deze werkzaamheden een redelijk loon te ontvangen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.21.</nr>
      <para>
        [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij buiten de teeltovereenkomst om maar zeer beperkt (rooi)werkzaamheden aan [eiseres] heeft opgedragen. De enkele keer dat dit volgens [gedaagde] is gebeurd had te maken met het perceel in Bobeldijk. Omdat de pachtovereenkomst van dit perceel afliep, moest een deel van de pioenstekken worden gerooid. Deze werkzaamheden heeft [eiseres] vervolgens in overleg uitgevoerd, waarvoor [eiseres] een deel van de pioenstekken heeft ontvangen. Dat [eiseres] voor deze werkzaamheden niet betaald heeft gekregen, wordt door [gedaagde] dan ook betwist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.22.</nr>
      <para>De rechtbank constateert dat [eiseres] dit betoog niet (voldoende) heeft weersproken. Naar aanleiding van het verweer van [gedaagde] had [eiseres] echter concreet moeten onderbouwen dat zij werkzaamheden buiten de teeltovereenkomst om van [gedaagde] opgedragen heeft gekregen waarvoor zij geen loon heeft ontvangen. Omdat [eiseres] dit heeft nagelaten, zal de rechtbank de vordering als onvoldoende onderbouwd afwijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voortbouwende vorderingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.23.</nr>
      <para>Over de in 3.1.IV. en 3.1.V. van dit vonnis weergegeven vorderingen van [eiseres] kan de rechtbank kort zijn. Deze vorderingen zullen worden afgewezen omdat deze vorderingen voortbouwen op (toewijzing van) de andere vorderingen van [eiseres] die de rechtbank echter niet toewijsbaar acht. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.24.</nr>
      <para>Als tegenvordering heeft [gedaagde] een geldvordering ingesteld. [gedaagde] vordert dat [eiseres] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 115.001,-. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 6.000,- en een bedrag van € 109.001,-. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Spray-cart</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.25.</nr>
      <para>Het gevorderde bedrag van € 6.000,- ziet op de vergoeding die [eiseres] op grond van artikel 3 lid 5 van de teeltovereenkomst voor de spray-cart dient te betalen. De rechtbank zal deze vordering toewijzen omdat [eiseres] de verschuldigdheid van het bedrag van € 6.000,- niet heeft betwist. De over dit bedrag vanaf 30 oktober 2020 gevorderde wettelijke rente heeft [eiseres] niet weersproken. De rechtbank zal de wettelijke rente toewijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Afdracht bloemenverkoopopbrengst</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.26.</nr>
      <para>Het gevorderde bedrag van € 109.001,- betreft de in 4.14 van dit vonnis genoemde vordering, waarvan na verrekening nog een vordering van € 97.200,- overblijft. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.27.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal deze vordering afwijzen omdat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat de bloemenverkoopopbrengst die [eiseres] over de jaren 2018 tot en met 2020 aan [gedaagde] diende af te dragen hoger was dan de door [eiseres] gestelde opbrengst van </para>
        <para>€ 127.800,- (zie 4.15 van dit vonnis). [gedaagde] heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat die opbrengst hoger was. Dit terwijl [eiseres] van haar kant heeft uitgelegd hoe zij tot die opbrengst van € 127.800,- is gekomen. [gedaagde] kon dan ook niet volstaan met de enkele stelling dat hij de daadwerkelijk gerealiseerde bloemenverkoopopbrengst schat op € 75.000,- per jaar. [gedaagde] heeft deze schatting, behoudens diens toelichting op de mondelinge behandeling van de zaak dat deze schatting is gebaseerd op de gemiddelde prijs van de afgelopen drie jaar en dat de jaarlijkse prijzen behoorlijk kunnen fluctueren, ook niet onderbouwd. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">en verder in conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.28.</nr>
      <para>Omdat beide partijen grotendeels in het ongelijk worden gesteld, zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in conventie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 48.199,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 december 2021 tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 6.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 30 oktober 2020 tot de dag van volledige betaling,</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">en verder in conventie en in reconventie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op </para>
        <para>19 oktober 2022. <footnote-ref linkend="_cfd3bddd-1271-43dc-9209-c41aef798192" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_f427351b-776b-4acb-8301-d779aa5cfd1f" label="1">
    <para>zie artikel 130 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ea34545d-20ae-4367-a89f-02d688ca7d3c" label="2">
    <para>zie artikel 6:248 lid 1 en 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_899caf62-84f8-422e-8df4-f9362467261d" label="3">
    <para>op grond van artikel 6:136 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cfd3bddd-1271-43dc-9209-c41aef798192" label="4">
    <para>type: NBI</para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>