<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:9439</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-28T08:43:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">9301161</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:9439">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:9439</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-28T08:43:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:9439 Rechtbank Noord-Holland , 12-10-2022 / 9301161</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:9439:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Naar het oordeel van de ktr heeft de vervoerder onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat zowel de voorafgaande als de onderhavige vlucht vertraging hebben ondervonden vanwege een langere vluchtroute door de sluiting van het luchtruim boven Pakistan</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:9439:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 9301161 \ CV EXPL  21-4317</para>
      <para>Uitspraakdatum: 12 oktober 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar buitenlands recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Airhelp Limited</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Hong Kong</para>
      <para>eiser</para>
      <para>hierna te noemen: Airhelp</para>
      <para>gemachtigde mr. D.E. Lof</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar buitenlands recht</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Finnair OYj</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Finland</para>
      <para>gedaagde</para>
      <para>hierna te noemen: de vervoerder</para>
      <para>gemachtigde: mr. T. Teke</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Airhelp heeft bij dagvaarding van 8 juni 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord en een incidentele conclusie strekkende tot zekerheidsstelling voor de proceskosten ex artikel 224 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) genomen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Bij vonnis in het incident van 27 oktober 2021 heeft de kantonrechter de incidentele vordering van de vervoerder toegewezen en Airhelp bevolen om zekerheid te stellen. Bij akte van 22 december 2021 heeft de vervoerder bevestigd dat hij de door Airhelp op 29 oktober 2021 gestelde zekerheid aanvaardt.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Vervolgens heeft Airhelp in de hoofdzaak schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven in de hoofdzaak. Airhelp heeft zich bij akte uitgelaten over (de producties bij) de schriftelijke reactie van de vervoerder.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder hem diende te vervoeren van Suvarnabhumi Airport Bangkok (Thailand) via Helsinki-Vantaa Airport (Finland) naar Amsterdam Schiphol Airport op 9 juni 2019. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Het eerste deel van de vlucht van Bangkok naar Helsinki (AY142) is vertraagd uitgevoerd (hierna: de vlucht). De passagier heeft zijn aansluitende vlucht (AY1305) naar Amsterdam gemist. De passagier is omgeboekt naar de vluchten AY1475 (van Helsinki naar Wenen) en KL1848 (van Wenen naar Amsterdam), waarmee hij met 3 uur en 46 minuten vertraging op de overeengekomen eindbestemming is aangekomen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Airhelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De vordering</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Airhelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:<?linebreak?>-	€ 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening; <?linebreak?>-	de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Airhelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 600,00.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het verweer</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De vervoerder betwist de vordering. Hij voert daartoe primair aan dat Airhelp niet-ontvankelijk is in zijn vordering omdat de passagier zijn (vermeende) vorderingsrecht niet rechtsgeldig heeft overgedragen aan Airhelp. Voor zover Airhelp wel ontvankelijk is in zijn vordering, stelt de vervoerder zich op het standpunt dat hij geen compensatie verschuldigd is omdat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening. Ten slotte heeft de vervoerder nog aangevoerd dat, indien er al aanspraak kan worden gemaakt op enige compensatie, deze moet worden verlaagd met 50% omdat de vertraging op de eindbestemming minder dan vier uur bedroeg. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De vervoerder voert primair aan dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van de vordering van de passagier aan Airhelp en dat Airhelp daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt als volgt. Een rechtsgeldige cessie dient onder verwijzing naar artikel 3:94 lid 1 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan twee constitutieve vereisten te voldoen: een akte van cessie en een mededeling daarvan aan de debiteur. Aan het mededelingsvereiste is in ieder geval voldaan toen de cessie in deze procedure, zo niet bij dagvaarding dan wel bij repliek, ter kennis van de vervoerder is gebracht. Niet vereist is dat een cessie al voltooid is op het moment van de dagvaarding. Uit artikel 3:94 BW volgt voorts dat een cessie niet tweezijdig hoeft te zijn. Voldoende is een enkel door de vervreemder ondertekende akte. Zij hoeft niet te doen blijken van de verklaring van de cessionaris dat hij de levering aanvaardt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Ten aanzien van de in deze zaak overgelegde akte heeft de vervoerder de echtheid van de handtekening van de passagier betwist. De kantonrechter stelt vast dat de handtekening op de akte iets afwijkt van de handtekening op het identiteitsbewijs van de passagier. De kantonrechter is echter van oordeel dat Airhelp met de overlegging van de akte van cessie en een kopie van het paspoort van de passagier heeft onderbouwd dat de passagier heeft ingestemd met het overdragen van de vordering op de vervoerder aan Airhelp. Het enkele feit dat al eerder een procedure heeft plaatsgevonden in de onderhavige zaak waarin de passagier niet-ontvankelijk is verklaard wegens het ontbreken van een toereikende procesvolmacht maakt dit niet anders. Een schriftelijke verklaring van de passagier is dan ook niet vereist. De conclusie is dat het niet-ontvankelijkheidsverweer van de vervoerder faalt, zodat de vordering hierna inhoudelijk zal worden beoordeeld. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Niet in geschil is dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de overeengekomen eindbestemming is aangekomen, zodat er in beginsel een compensatieplicht geldt voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden welke ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. In overweging 14 van de considerans bij de Verordening heeft de gemeenschapswetgever erop gewezen dat dergelijke omstandigheden zich met name kunnen voordoen in geval van politieke onstabiliteit en onverwachte vliegveiligheidsproblemen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden en betoogt daartoe dat de vertraging is veroorzaakt door de sluiting van het Pakistaanse luchtruim wegens oorlogsdreiging. Ter onderbouwing van zijn beroep op buitengewone omstandigheden heeft de vervoerder een aantal publicaties afkomstig van diverse websites overgelegd. Hieruit volgt dat het Pakistaanse luchtruim op 27 februari 2019 gesloten werd voor passagiersvluchten en dat veel vluchten om die reden moesten omvliegen (producties 11 en 12 bij antwoord) en dat Pakistan in het midden van een belangrijke luchtroute ligt (productie 14 bij antwoord). Voorts heeft de vervoerder NOTAM-berichten overgelegd waaruit blijkt dat de sluiting van het luchtruim meerdere keren is verlengd (productie 13 bij antwoord). Verder heeft de vervoerder een weergave van de vluchtroute tussen Thailand en Europa van voor en na de sluiting van het luchtruim overgelegd (producties 19 en 20 bij dupliek). Hieruit blijkt dat vrijwel alle vluchten tussen Thailand en Europa onder normale omstandigheden in beginsel over het Pakistaanse luchtruim vliegen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>Airhelp betwist dat sprake is geweest van buitengewone omstandigheden. Uit de door de vervoerder overgelegde vluchtgegevens (productie 1 bij antwoord) volgt dat de vertraging van de vlucht voor 32 van de 37 minuten is veroorzaakt door vertragingscode 93. Dit staat voor “aircraft rotation”. Naar het oordeel van Airhelp heeft de vervoerder onvoldoende onderbouwd dat zowel de voorafgaande vlucht als de onderhavige vlucht vertraging hebben ondervonden door de sluiting van het Pakistaanse luchtruim. Volgens Airhelp is het aannemelijker dat de vertraging is ontstaan tijdens het “omdraaien” (bijvoorbeeld door langzaam instappende passagiers). Het had op de weg van de vervoerder gelegen om te onderbouwen welke route de luchtverkeersleiding heeft opgelegd. Bovendien was het luchtruim al maanden gesloten en konden alle vluchtplannen hierop aangepast worden, aldus Airhelp.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat zowel de voorafgaande als de onderhavige vlucht vertraging hebben ondervonden vanwege een langere vluchtroute door de sluiting van het luchtruim boven Pakistan. Gezien het feit dat de vertraging van de vlucht grotendeels te wijten is aan de vertraging van de direct voorafgaande vlucht, had het op de weg van de vervoerder gelegen om het vluchtrapport van de direct voorafgaande vlucht of besluiten van de luchtverkeersleiding over te leggen. Nu de vervoerder dit heeft nagelaten kan de kantonrechter niet vaststellen waardoor de vertraging van de direct voorafgaande vlucht is veroorzaakt. Het enkele feit dat de vlucht onder normale omstandigheden over het Pakistaanse luchtruim zou vliegen, is niet voldoende om een beroep op buitengewone omstandigheden te rechtvaardigen. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Weliswaar heeft de vervoerder verwezen naar het vonnis van 15 juli 2020 van de rechtbank Noord-Holland waarin een beroep op buitengewone omstandigheden, waarin het eveneens ging om de sluiting van het luchtruim in Pakistan, werd gehonoreerd, maar het is aan de vervoerder om in elke afzonderlijke zaak zijn verweer tegenover de stellingen van de eisende partij te onderbouwen. In dit geval heeft de vervoerder de stellingen van Airhelp onvoldoende gemotiveerd weersproken. De conclusie is dat de vervoerder gehouden is om compensatie aan Airhelp te voldoen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>De vervoerder doet subsidiair een beroep op artikel 7 lid 2 sub c van de Verordening. Volgens de vervoerder moet de hoogte van de compensatie met 50% worden verlaagd omdat de vertraging van de passagier op de eindbestemming weliswaar meer dan drie uur, maar minder dan vier uur bedroeg. Airhelp heeft het voorgaande niet betwist, zodat dit verweer van de vervoerder slaagt. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom op grond van artikel 7 lid 1 sub c in samenhang met artikel 7 lid 2 sub c van de Verordening worden toegewezen tot een bedrag van € 300,00.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt de vervoerder tot betaling aan Airhelp van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 juni 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van Airhelp tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:</para>
        <para>dagvaarding 	€ 	103,83;<?linebreak?>griffierecht	€ 	507,00;<?linebreak?>salaris gemachtigde	€ 	150,00;<?linebreak?>vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <parablock>
        <para>wijst het meer of anders gevorderde af.</para>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>