<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-07T10:50:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-02-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-01-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7954244 \ CV EXPL  19-11308</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:911">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:911</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-03-07T10:46:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-03-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:911 Rechtbank Noord-Holland , 26-01-2022 / 7954244 \ CV EXPL  19-11308</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:911:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Luchtvaartzaak. Omboeking naar een andere luchthaven binnen dezelfde stad of regio. Het ligt in het onderhavige geval op de weg van de passagiers om nader te onderbouwen waarom sprake zou zijn geweest van een vertraging van meer dan drie uur.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:911:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para>Handel, Kanton en Insolventie</para>
    <para>locatie Haarlem</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknr./rolnr.: 7954244 \ CV EXPL  19-11308</para>
      <para>Uitspraakdatum: 26 januari 2022</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr> [passagier sub 1] , </title>
    <parablock>
      <para>2. <emphasis role="bold">[passagier sub 2]</emphasis></para>
      <para>beiden pro se en in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van hun minderjarige kinderen<emphasis role="bold"> 3. [passagier sub 3] en 4. [passagier sub 4] </emphasis></para>
      <para>allen wonende te [woonplaats] (Duitsland)</para>
      <para>eisers</para>
      <para>hierna gezamenlijk te noemen de passagiers</para>
      <para>gemachtigde mr. J.C. Wery</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de rechtspersoon naar het recht van haar vestiging</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Delta Air Lines Inc.</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Wilmington, Delaware (Verenigde Staten) </para>
      <para>gedaagde</para>
      <para>hierna te noemen de vervoerder</para>
      <para>gemachtigde mr. M. Lustenhouwer</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>Het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 14 juli 2021 is in deze zaak een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst de kantonrechter naar wat daarover in het tussenvonnis is overwogen. De kantonrechter neemt hetgeen in het tussenvonnis is overwogen en beslist over.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>In het tussenvonnis heeft de kantonrechter de passagiers in de gelegenheid gesteld om de boekingsbevestiging in de zin van artikel 2 sub g van de Verordening te overleggen en om aan te tonen dat naar Duits recht voor de minderjarige kinderen geen rechterlijke machtiging is vereist. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op de rol van 8 september 2021 hebben de passagiers een akte genomen. De vervoerder heeft vervolgens op de rol van 3 november 2021 een antwoordakte genomen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling<?linebreak?></title>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Tussen partijen is niet meer in geschil dat de passagiers zijn vertrokken vanuit Amsterdam-Schiphol Airport zodat de kantonrechter gelet op hetgeen in het tussenvonnis is overwogen bevoegd is om kennis te nemen van de vordering van de passagiers. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Ten aanzien van de minderjarige passagiers sub 3 en sub 4 hebben de passagiers voldoende aannemelijk gemaakt dat naar Duits recht geen rechterlijke machtiging vereist is. De passagiers stellen dat ouders aanspraken op schadeloosstelling kunnen doen door middel van vrijwillige procesvertegenwoordiging en dat een dergelijke machtiging stilzwijgend kan worden verleend. Passagiers sub 1 en sub 2 hebben de vordering echter niet namens hun minderjarige kinderen ingesteld. Per abuis is de kantonrechter hier in het tussenvonnis aan voorbij gegaan. Blijkens het exploot van 14 april 2020 hebben passagiers sub 1 tot en met 4 echter ieder zelfstandig een vordering ingesteld. Pas bij akte aanvullende gronden en vervolgens bij repliek wordt vermeld dat passagiers sub 1 en sub 2 tevens handelen als wettelijke vertegenwoordiger van passagier sub 3 en passagier sub 4. De vervoerder heeft hier verweer op gevoerd. Mede gelet op de deformaliseringstendens in de rechtspraak van de Hoge Raad (zie ECLI:NL:HR:2004:AP1435 en ECLI:NL:HR:2013:1881), is de kantonrechter in de gegeven omstandigheden, dat naar Duits recht voor de minderjarige kinderen geen rechterlijke machtiging is vereist, van oordeel dat het feit dat het exploot aanvankelijk niet door passagiers sub 1 en sub 2 in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van passagiers sub 3 en 4 is ingesteld, niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. De vervoerder wordt hierbij niet in zijn verdediging geschaad aangezien hij reeds inhoudelijk verweer heeft gevoerd. Het exploot zal daarom als verbeterd worden gelezen, in die zin dat het is ingediend door passagier sub 1 en  sub 2 pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van passagiers sub 3 en 4, hetgeen al in de kop van dit vonnis is verwerkt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Anders dan de passagiers stellen gaat het hier om een vordering ter zake van een overeenkomst van luchtvervoer in de zin van artikel 8:1390 Burgerlijk Wetboek (BW). Deze vaststelling is onder meer daarom van belang nu artikel 8:1835 BW bepaalt dat iedere vordering uit hoofde van een dergelijke overeenkomst vervalt door verloop van twee jaren, welke termijn aanvangt met de dag volgend op de dag van aankomst van het luchtvaartuig ter bestemming of de dag waarop het luchtvaartuig had moeten aankomen of van de onderbreking van het luchtvervoer. De algemene verjaringstermijnen van boek 3 BW zijn dan ook niet van toepassing. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>In dit geval is de vlucht op 8 april 2017 aangekomen op de eindbestemming. De datum waarop de termijn van twee jaren gaat lopen is dus, zo blijkt uit artikel 8:1835 BW, 8 april 2017. Daarmee staat vast dat de laatste dag waarop de passagiers de vordering hadden kunnen indienen 8 april 2019 is. Dat is immers de laatste dag voordat de twee jarentermijn is verlopen. De passagiers hebben gemotiveerd onderbouwd dat zij het Europees Betalingsbevel op 3 april 2019 bij de rechtbank Den Haag aanhangig hebben gemaakt. Uit navraag bij de rechtbank Den Haag volgt eveneens dat het Europees Betalingsbevel op 3 april 2019 is binnenkomen en dat de in de beschikking genoemde datum van 24 april 2019 onjuist is. Dit betekent dat de vordering voor de vervaldatum van 8 april 2019 is ingediend. Dat de zaak naar de kantonrechter te Noord-Holland is verwezen en vervolgens een exploot is aangebracht om de zaak hier aanhangig te maken maakt dit niet anders. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>De vervoerder betoogt vervolgens dat de passagiers met een vertraging van minder dan drie uur op de eindbestemming zijn aangekomen, zodat zij geen aanspraak maken op compensatie op grond van artikel 7 van de Verordening. De passagiers stellen immers dat zij om 18:05 uur lokale tijd in Tampa zouden arriveren. Nadat de vlucht van Amsterdam-Schiphol Airport naar Detroit volgens de passagiers met vertraging is uitgevoerd is volgens de passagiers alternatief vervoer naar Orlando aangeboden waar zij stellen om 20:35 uur lokale tijd te zijn gearriveerd. De vertraging op de luchthaven van Orlando is volgens de vervoerder doorslaggevend. De luchthaven Tampa en luchthaven Orlando bedienen dezelfde regio. Gelet hierop is geen sprake van een vertraging van drie uur of meer. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>De kantonrechter begrijpt dat de passagiers stellen dat zij pas om 23:15 uur lokale tijd op de eindbestemming zijn aangekomen, omdat zij per taxi van Orlando naar Tampa (de eindbestemming) zijn gereisd. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>In artikel 2, sub h van de Verordening wordt het begrip ‘eindbestemming’ gedefinieerd als: de bestemming die vermeld staat op het bij de incheckbalie aangeboden ticket of, in geval van rechtstreeks aansluitende vluchten, de bestemming van de laatste vlucht. Op de e-ticket van de passagiers staat als eindbestemming Tampa. De vervoerder beroept zich op artikel 8 lid 3 van de Verordening waarin staat: <emphasis role="italic">Wanneer, in het geval waarin een stad of regio wordt bediend door meerdere luchthavens, de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert een passagier een vlucht aanbiedt naar een andere luchthaven dan die waarvoor geboekt, draagt de luchtvaartmaatschappij de kosten van de reis van die andere luchthaven waarvoor was geboekt of naar een andere met de passagier overeengekomen nabijgelegen bestemming</emphasis>.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Met de vervoerder is de kantonrechter van oordeel dat, indien passagiers zijn omgeboekt naar een andere luchthaven binnen dezelfde stad of regio, de luchthaven van de omgeboekte vlucht kan gelden als de eindbestemming van de passagiers in de zin van de Verordening. Uit artikel 8 lid 3 van de Verordening volgt immers dat het (enige) gevolg dat de Verordening verbindt aan het omboeken naar een andere vlucht maar dezelfde stad, is dat de luchtvaartmaatschappij de kosten van de passagiers vergoedt met betrekking tot de reis naar de andere luchthaven of een andere overeengekomen bestemming. De passagiers hebben deze kosten echter niet gevorderd, waardoor het voorgaande niet op gaat. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet uitgesloten dat de passagiers na aankomst in Orlando zijn afgereisd naar de accommodatie en ten aanzien van de oorspronkelijke vlucht niet meer dan drie uur vertraging hebben ondervonden. Het ligt op de weg van de passagiers, onder deze omstandigheden, om nader te onderbouwen waarom toch sprake zou zijn geweest van een vertraging van meer dan 3 uur, hetgeen de passagiers hebben nagelaten. De enkele stelling dat de passagiers om 23:15 uur plaatselijk tijd zijn aangekomen is gelet op de betwisting van de vervoerder daarvoor onvoldoende. In het onderhavige geval is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de vordering tot compensatie op grond van artikel 7 van de Verordening moet worden afgewezen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <para>De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat deze ongelijk krijgen. De kantonrechter zal gelet op het verloop van de procedure drie procespunten conform het liquidatietarief toekennen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.</para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing	</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter:</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst de vordering af; </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 561,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 124,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt<emphasis role="italic">,</emphasis> te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De griffier		De kantonrechter</para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>