<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:9035</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-24T12:00:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-10-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/15/326660 / HA ZA 22-214</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Alkmaar</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:9035">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:9035</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-10-24T10:07:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:9035 Rechtbank Noord-Holland , 12-10-2022 / C/15/326660 / HA ZA 22-214</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:9035:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Geschil over de nakoming van een geldleningsovereenkomst. Partijen verschillen van mening over de vraag of de overeenkomst is aangegaan in persoon of op naam van de voormalige B.V. Ook oordeelt de rechtbank over de vraag of de verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst zijn verjaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:9035:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="42b1d484-8865-4508-8294-8a90dbad37ca" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="8b57d663-730a-4c86-a459-1dcaa2810e4c" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Handel, Kanton en Bewind</para>
      <para>Zittingsplaats Alkmaar</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/15/326660 / HA ZA 22-214</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 12 oktober 2022</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] , gemeente [gemeente 1] ,</para>
      <para>eiser,</para>
      <para>advocaat mr. L.T. van Eijck van Heslinga te Alkmaar,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] , gemeente [gemeente 2] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>advocaat mr. T.L. Bos te Hoorn (NH).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De zaak in het kort</emphasis>
      </para>
      <para>Deze zaak draait om een geschil tussen [eiser] en [gedaagde] over de nakoming van de verplichtingen uit een leningsovereenkomst. Partijen verschillen van mening over de vraag of de leningsovereenkomst is aangegaan tussen [eiser] en [gedaagde] in persoon, of tussen [eiser] en het voormalige [bedrijf] Management Solutions B.V. De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst is aangegaan tussen [eiser] en [gedaagde] in persoon en dat de verplichtingen uit de leningsovereenkomst niet zijn verjaard. De vorderingen van [eiser] worden toegewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>de dagvaarding van 10 maart 2022 met producties 1-6;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de conclusie van antwoord;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis van 1 juni 2022, waarin een mondelinge behandeling is gelast;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de akte overlegging producties van 17 augustus 2022 met producties 7-10 van [eiser] ;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de mondelinge behandeling die heeft plaatsgevonden op 2 september 2022, waar zijn verschenen [eiser] , vergezeld van mr. Van Eijck van Heslinga voornoemd en [gedaagde] , vergezeld van mr. Bos voornoemd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht. Mrs. Van Eijck van Heslinga en Bos hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen, die zij ter zitting aan de rechtbank hebben overgelegd en die daarmee onderdeel zijn van de processtukken.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Ten slotte is vonnis bepaald.</para>
        <para>
          <emphasis role="bold">2.	De feiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [eiser] , [gedaagde] (en diens echtgenote) en [naam] (en diens echtgenote) hebben een schriftelijk stuk ondertekend, getiteld ‘Leningsovereenkomst’. Dit luidt, voor zover van belang, als volgt:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="underline italic">De partijen</emphasis><emphasis role="italic">:</emphasis></para>
      </parablock>
      <para>1. <emphasis role="italic">De heer [eiser] , (…), hierna te noemen: “geldgever”;</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">en</emphasis>
      </para>
      <para>2. <emphasis role="italic">De heer [gedaagde] (…) en</emphasis></para>
      <para>3. <emphasis role="italic">De heer [naam] , (…), hierna te noemen: “geldnemers”.</emphasis></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">OVERWEGEND</emphasis>
          <emphasis role="bold italic">:</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>- <emphasis role="italic">dat geldnemers deze lening aantrekken ter versteviging van de liquiditeit van [bedrijf] B.V., gevestigd te Heerhugowaard, waartoe zij het geleende bedrag zullen storten op de bankrekening van genoemde vennootschap; </emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold underline italic">VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Artikel 1</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Geldlening en intrest</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Geldgever heeft aan geldnemers een lening ter grootte van € 50.000, hierna te noemen: “de hoofdsom”, ten titel van ‘lening’ ter beschikking gesteld, welke door geldnemers is geaccepteerd.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Over de hoofdsom of het restant daarvan zal geldnemer aan geldgever een rente verschuldigd zijn van 7 procent per jaar, welke rente zal moeten worden betaald aan het eind van iedere kalendermaand, voor het eerst op 30 juni 2008.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
          </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>
            <emphasis role="italic">Naast de rente ontvangt geldgever een vergoeding van 8 % over de hoofdsom, welke vergoeding verschuldigd is per 31 maart 2009, of zo veel eerder als de lening zal worden afgelost. Deze vergoeding zal naar 10 % worden verhoogd, en per 31 maart 2009 verschuldigd zijn, wanneer algehele aflossing per 31 maart 2009 niet heeft plaatsgevonden.</emphasis>
          </para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para>
        <emphasis role="italic">(…)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Artikel 2</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="bold italic">Aflossing </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Aflossing van de gehele hoofdsom vindt plaats uiterlijk 31 maart 2009.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">(…)”.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>
        [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) heeft in de periode van maart 2009 tot en met mei 2012 in totaal € 12.458,69 betaald aan [eiser] . De laatste betaling heeft plaatsgevonden op 21 mei 2012.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Op 15 april 2015 heeft [gedaagde] aan [eiser] een e-mail verstuurd met het onderwerp ‘Aflossing geldlening’. Deze luidt, voor zover van belang:</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Geachte heer [eiser] ,</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Hierbij ontvang je een korte samenvatting van wat afgelopen vrijdag d.d. 10 april 2015 hebben afgesproken.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toegelicht hoe de situatie op dit moment ervoor staat.</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Samen afgesproken om de aflossing op te starten, (…).</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Het volgende is besproken dat in de tweede week van mei een bedrag van € 3.000 - € 5.000 wordt overgemaakt. (…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zodra de gelegenheid zich voor doet om wat extra te kunnen aflossen dan laten wij dit weten. (…)</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Op 15 maart 2016 is [bedrijf] failliet verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op 26 oktober 2018 heeft [gedaagde] , voor zover van belang, per e-mail het volgende medegedeeld aan [eiser] :</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Beste [eiser] ,</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dank voor je reactie, maar een ding moet je wel vasthouden dat ik je niet vergeet en begrijp dat jij het gevoel heeft aan het lijntje te worden gehouden.</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Dat het allemaal lang duurt heeft met het type projecten te maken waar ik mij voor inzet en het betalingsmoment, altijd aan het eind van een deal of afsluiting project. (…) </emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toch afhankelijk hiervan om jou tegemoet te komen. (…)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Kan daarom nu nog geen voorstel doen toekomen alleen je vragen om het toch af te wachten wanneer er een definitief bestemmingsplan wijziging is doorgevoerd. (…)</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <para>Op 7 januari 2022 heeft [eiser] [gedaagde] en [naam] aangemaand om het op dat moment openstaande bedrag van € 80.532,65 terug te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het geschil</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>
          [eiser] vordert  samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,</para>
        <para>I. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 90.782,98 <emphasis role="underline">primair</emphasis>, vermeerderd met de contractuele rente van 7 procent per jaar vanaf 30 maart 2022, <?linebreak?><emphasis role="underline">subsidiair</emphasis> vermeerderd met de wettelijke rente;</para>
        <para>II. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.036,22 betreffende buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;</para>
        <para>III. [gedaagde] veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>
        [eiser] legt aan zijn vorderingen, samengevat, het volgende ten grondslag. [eiser] vordert nakoming van de verplichtingen uit de tussen partijen in mei 2008 tot stand gekomen leningsovereenkomst. [eiser] heeft in de loop van de tijd veelvuldig gecorrespondeerd met [gedaagde] over de geldlening. [gedaagde] heeft daarbij steeds aangegeven te zullen overgaan tot betaling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>
        [naam] heeft een ‘schone lei’ gekregen in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Daarom heeft [eiser] hem niet in deze procedure gedagvaard. </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert verweer. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>Allereerst voert [gedaagde] aan dat hij geen contractspartij is bij de leningsovereenkomst. De leningsovereenkomst is gesloten tussen [eiser] en [bedrijf] . Dit is door [gedaagde] aan [eiser] bevestigd bij e-mail van 28 mei 2015. Ook heeft [gedaagde] namens [bedrijf] gecorrespondeerd met [eiser] , en heeft hij hem tot 2015 op de hoogte gehouden van lopende projecten van [bedrijf] en de verwachte inkomsten daaruit. Na het faillissement van [bedrijf] heeft [gedaagde] aan [eiser] aangegeven dat hij wenste te komen tot het betalen van een tegemoetkoming, als compensatie voor het niet kunnen verhalen van de vordering op [bedrijf] . </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Daarnaast is de vordering verjaard. De vordering uit de leningsovereenkomst is vanaf 31 maart 2009 opeisbaar en daardoor is de verjaringstermijn vanaf de dag daarna gaan lopen. Deze verjaringstermijn is gestuit doordat [bedrijf] betalingen heeft uitgevoerd. [eiser] heeft de verjaring niet gestuit. De verjaringstermijn is zodoende gaan lopen vanaf het moment dat de laatste betaling door [bedrijf] is gedaan, te weten op 21 mei 2012. Op 22 mei 2017 is de vordering daarom verjaard. De vordering is in ieder geval verjaard op 7 januari 2022. Dit is de datum van de aanmaning.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <bridgehead role="italic">Partijen bij de overeenkomst</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>In de eerste plaats dient beoordeeld te worden wie partij zijn bij de leningsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van de leningsovereenkomst (hiervoor weergegeven onder 2.1) voldoende duidelijk blijkt, dat deze is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde] in persoon (en [naam] ). Dat verhoudt zich ook tot het feit dat de echtgenoten van [gedaagde] en [naam] mede hebben ondertekend.<footnote-ref linkend="_3be351c6-cb96-4ef6-998f-b803930b00ad" /> Dat de leningsovereenkomst tot stand is gekomen in het kader van het verstevigen van de liquiditeit van [bedrijf] , het geld mogelijk ook direct op de rekening van [bedrijf] is gestort en dat aflossingen later door [bedrijf] werden gedaan, doet daar niet aan af. Uit de overwegingen van de Leningovereenkomst blijkt dat [eiser] als geldgever ervan uit ging dat het geld bedoeld was ter “versteviging van de liquiditeit van [bedrijf] ”.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Vordering verjaard?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>
        [gedaagde] voert aan dat [eiser] de verjaring niet heeft gestuit, zodat de vordering in ieder geval op 7 januari 2022 verjaard was. [eiser] is van mening dat de vordering op [gedaagde] niet is verjaard. Dit blijkt onder andere uit de laatste deelbetaling en de tussen [eiser] en [gedaagde] gevoerde correspondentie, waarin [gedaagde] volgens [eiser] de vordering erkent. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De aflossing van de gehele hoofdsom had moeten plaatsvinden op 31 maart 2009. Vanaf 31 maart 2009 is de vordering van [eiser] op [gedaagde] opeisbaar geworden. Het antwoord op de vraag of de vordering van [eiser] is verjaard, is afhankelijk van mogelijke stuitingshandelingen door (een van) beide partijen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Elke handeling of gedraging van de schuldenaar waaruit blijkt dat hij de schuld erkent, stuit de verjaring.<footnote-ref linkend="_770ec8d5-d457-4888-8fb1-3893baa339a0" /> De schuldenaar kan met zoveel woorden erkennen dat hij schuldig is, waarbij het niet noodzakelijk is dat de schuld uitdrukkelijk wordt erkend. De erkenning van schuld ligt bijvoorbeeld opgesloten in het betalen of verrekenen van rente of het doen van een aanbod tot betaling.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] de verjaring heeft gestuit, doordat hij de vordering meermaals heeft erkend. Dat licht de rechtbank als volgt toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 21 mei 2012 is er voor het laatst afgelost door [bedrijf] . Vanaf dat moment is er een verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen, zodat de vordering vóór 22 mei 2017 opnieuw gestuit moest worden. Op 15 april 2015 heeft [gedaagde] een e-mail aan [eiser] gestuurd, die hiervoor is weergegeven onder 2.5. Daarin heeft [gedaagde] het volgende opgenomen:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">(…) in de tweede week van mei een bedrag tussen € 3.000 - € 5.000 wordt overgemaakt. (…) Zodra de gelegenheid zich voor doet om wat extra te kunnen aflossen dan laten wij dit weten. (…).</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>In deze e-mail doet [gedaagde] [eiser] een toezegging dat er zal worden betaald, een handeling die naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangemerkt als erkenning van schuld. Op 15 april 2015 is de verjaring dan ook met 5 jaren gestuit, tot 15 april 2020.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.8.</nr>
      <parablock>
        <para>Op 26 oktober 2018 stuurt [gedaagde] opnieuw een e-mail aan [eiser] (hiervoor opgenomen onder 2.6). Daarin schrijft hij, voor zover relevant:</para>
        <para>“<emphasis role="italic">(…) Dat het allemaal lang duurt heeft met het type projecten te maken waar ik mij voor inzet en het betalingsmoment, altijd aan het eind van een deal of afsluiting project. (…) Toch afhankelijk hiervan om jou tegemoet te komen. (…) Kan daarom nu nog geen voorstel doen toekomen alleen je vragen om het toch af te wachten wanneer er een definitief bestemmingsplan wijziging is doorgevoerd. (…)</emphasis>”.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.9.</nr>
      <para>Ook uit deze e-mail kan naar het oordeel van de rechtbank een erkenning van schuld, en daarmee stuiting van de verjaring worden afgeleid. [gedaagde] heeft in deze e-mail laten weten dat hij [eiser] tegemoet wil komen. Zodoende is de verjaring opnieuw gestuit met vijf jaren, van 26 oktober 2018 tot 26 oktober 2023. Dit betekent dat de op 10 maart 2022 bij dagvaarding ingestelde vordering niet is verjaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.10.</nr>
      <para>Al met al is de rechtbank van oordeel dat de vordering van [eiser] uit de leningsovereenkomst nog bestaat en toewijsbaar is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.11.</nr>
      <para>Bij het voorgaande neemt de rechtbank nog in aanmerking dat [gedaagde] ter zitting heeft erkend dat hij nog aan [eiser] moet betalen, maar dat hij momenteel geen middelen heeft om dat te doen: “Van een kale kip kan je niet plukken.”. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.12.</nr>
      <parablock>
        <para>Nu [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen de hoogte van het door [eiser] gevorderde bedrag van € 90.782,98 en de primair gevorderde contractuele rente van 7 procent per jaar vanaf 30 maart 2022, acht de rechtbank de vordering geheel toewijsbaar.</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke kosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.13.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.14.</nr>
      <para>
        [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:</para>
      <para>- dagvaarding	€ 	129,74</para>
      <para>- griffierecht		1.301,00</para>
      <para>- salaris advocaat	<emphasis role="underline">	2.228,00</emphasis> (2,0 punten × tarief € 1.114,00)</para>
      <para>Totaal	€ 	3.658,74</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.15.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om aan hem te voldoen de wettelijke rente over de proceskosten vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis. Deze vordering zal worden toegewezen met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.16.</nr>
      <para>
        [eiser] vordert daarnaast veroordeling van [gedaagde] in de nakosten. Volgens vaste rechtspraak (zie HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853) levert een kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel op. Een veroordeling tot betaling van de proceskosten omvat dus een veroordeling tot betaling van de nakosten. De rechtbank zal daarom de nakosten niet afzonderlijk in de proceskostenveroordeling vermelden.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 90.782,98, vermeerderd met de contractuele rente van 7 procent per jaar vanaf 30 maart 2022,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.036,22 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2022 tot aan de dag der algehele voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.658,74, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 14 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2022.<footnote-ref linkend="_fc79e1a0-cf95-4132-b5c7-9fbd6a6d4309" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_3be351c6-cb96-4ef6-998f-b803930b00ad" label="1">
    <para> Artikel 1:88 lid 1 en lid 5 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_770ec8d5-d457-4888-8fb1-3893baa339a0" label="2">
    <para> Artikel 3:318 BW</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc79e1a0-cf95-4132-b5c7-9fbd6a6d4309" label="3">
    <para>type: AFS/PY</para>
    <para>coll: LJS</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>