<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBNHO:2022:8228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-30T13:28:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Noord-Holland" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Noord-Holland</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2022-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">HAA 21/1663V</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#verzet">Verzet</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:8228">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2022:8228</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2022-09-30T13:28:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2022-09-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBNHO:2022:8228 Rechtbank Noord-Holland , 19-09-2022 / HAA 21/1663V</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBNHO:2022:8228:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>verzet ongegrond. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat opposant zijn beroep na de beroepstermijn heeft ingediend. Dat opposant na de beroepstermijn tot de conclusie is gekomen dat de beslissing op bezwaar onjuist, scheef en onrechtvaardig is, moet voor rekening en risico van opposant blijven. Gesteld nog gebleken is dat opposant binnen de beroepstermijn een mening te vormen over de juistheid van de bestreden uitspraak op bezwaar.Het is aan opposant zelf te wijten, door niet tijdig beroep in te dienen, dat hij geen inhoudelijke beoordeling van zijn beroep krijgt. Het staat de rechtbank niet vrij om van wetelijke termijnen af te wijken,Daarmee komt de duidelijkheid en dus de rechtzekerheid over de door de rechtbank gestelde fatale termijnen te veel in het geding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBNHO:2022:8228:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK NOORD-HOLLAND</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Haarlem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: HAA 21/1663  V</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2022 op het verzet van</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [opposant] , te [woonplaats] , opposant.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft op 8 maart 2021 aan de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam (de inspecteur) een e-mail gestuurd. De inspecteur heeft deze e-mail aangemerkt als een beroepschrift, omdat er al uitspraak op het bezwaarschrift was gedaan. Op grond van artikel 6:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de inspecteur het e-mailbericht bij brief van 9 maart 2021 ter verdere behandeling aan deze rechtbank doorgezonden.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 12 juli 2022, verzonden op 15 juli 2022,  heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk niet-ontvankelijk geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het beroepschrift niet binnen de beroepstermijn is ingediend.</para>
    <para />
    <para>2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.</para>
    <para />
    <para>3. Opposant voert tegen de uitspraak van de rechtbank al het volgende aan. Allereerst stelt opposant het erg jammer te vinden dat zijn inhoudelijke argumenten niet zijn behandeld. Opposant stelt vervolgens dat hij de voor hem van belang zijnde informatie, buiten zijn schuld om, pas laat ontvangen heeft. Omdat deze informatie zo belangrijk was, heeft opposant alsnog beroep ingesteld. Daarnaast merkt opposant op dat hij de werkwijze van de inspecteur, nu zijn uitkomst wezenlijk afwijkt van anderen in zijn positie, heel scheef en onrechtvaardig vindt. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank overweegt thans als volgt. In de uitspraak van 12 juli 2022 is terecht geoordeeld dat het beroep van opposant na de beroepstermijn is ingediend. In de beroepsclausule van het bestreden besluit is duidelijk is vermeld dat opposant binnen zes weken na bekendmaking van het besluit beroep moet instellen wanneer hij het niet eens is met de beslissing. Dat opposant na afloop van de beroepstermijn tot de conclusie is gekomen dat de beslissing op bezwaar onjuist, scheef en onrechtvaardig is, moet voor rekening en risico van opposant blijven. Het is immers aan opposant om zich binnen de beroepstermijn een mening te vormen over de juistheid van de bestreden uitspraak op bezwaar. Gesteld noch gebleken is dat opposant niet in staat was voor het einde van de termijn een beroepschrift in te dienen, zo nodig op nader aan te voeren gronden. Tot slot overweegt de rechtbank dat het aan opposant, door niet tijdig beroep in te stellen, zelf te wijten is dat hij geen inhoudelijke beoordeling van zijn beroep krijgt. Het staat de rechtbank niet vrij om van wettelijke termijnen af te wijken. Daarmee komt de duidelijkheid en dus ook de rechtszekerheid over door de rechtbank gestelde fatale termijnen te veel in het geding.</para>
    <para />
    <para>5. In wat opposant heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 12 juli 2022. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, rechter, in aanwezigheid van N. Joacim, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>